De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.6.8:4.6.8 Samenvatting en conclusies
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.6.8
4.6.8 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS386129:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever met het uitkeringsverbod de stichting wilde onderscheiden van “commerciële rechtspersonen” (NV’s, BV’s, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen) en wilde voorkomen dat de oprichter en degenen die de macht in de stichting kunnen uitoefenen, zichzelf “verdubbelen”. Op grond van de wet mag het doel van de stichting niet inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen. Deze personen kunnen echter wel een uitkering ontvangen in een andere hoedanigheid.
Onderdeel van de taak van de raad van toezicht is er op toe te zien dat vermogen wordt besteed en uitgekeerd overeenkomstig het stichtingsdoel en dat het uitkeringsverbod niet wordt overtreden. De raad van toezicht stelt bestuurdersbeloningen vast vanwege het feit dat bestuurders zelf een tegenstrijdig belang hebben bij dergelijke besluiten. Uit de literatuur en jurisprudentie volgt dat redelijke, niet bovenmatige honorering en beloning van bestuurders (en overigens ook van leden van de raad van toezicht zelf), niet worden getroffen door het uitkeringsverbod.
Over de vraag of winstafhankelijke vergoedingen en uitkering van bonussen aan bestuurders mogelijk zijn, zijn de meningen verdeeld. Naar mijn mening is strijd met het uitkeringsverbod vooral aan de orde wanneer sprake is van een beloning die inhoudt dat steeds (een deel van) het exploitatieoverschot aan bestuurders wordt uitgekeerd. Indien de stichting echter een raad van toezicht heeft ingesteld, vindt vaststelling van beloningen en beloningsstructuur plaats door dat orgaan en niet door het bestuur zelf. In dat geval gaat het argument dat sprake is van “duplicering” door het bestuur niet op.
De materiële kenmerken van de stichting vertonen een zekere onderlinge samenhang. Het uitkeringsverbod en de achtergrond daarvan kunnen beter worden begrepen als zij in verband met de andere materiële kenmerken (het doelgebonden vermogen en het ledenverbod) wordt bezien. Zo valt onder het begrip “orgaan” in de omschrijving van het uitkeringsverbod niet alleen de raad van toezicht, maar ook personen of een vergadering van personen die (beslissende) zeggenschapsrechten binnen de stichting hebben. Wanneer sprake is van (beslissende) zeggenschap binnen de stichting, is een vraag die ook hierna bij het ledenverbod aan de orde komt.