Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/5.2.2:5.2.2 Rechtmatigheid en verwerkelijking van rechtsbeginselen
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/5.2.2
5.2.2 Rechtmatigheid en verwerkelijking van rechtsbeginselen
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491722:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1990/91, 22 008, nrs. 1-2, p. 24-25.
In het Eindrapport Verhey e.a., onderdeel 3.1.1, p. 21, worden de volgende algemene rechtsbeginselen genoemd: (i) het legaliteitsbeginsel (als voorbeeld van een algemene eis van rechtsstaat en democratie), (ii) evenredigheidsbeginsel, (iii) het gelijkheidsbeginsel en (iv) het rechtszekerheidsbeginsel. Het evenredigheidsbeginsel is overigens onderdeel van de kwaliteitseis subsidiariteit en evenredigheid. Zie onderdeel 5.2.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Deze kwaliteitseis is door de wetgever, samengevat, als volgt toegelicht.1 Het vertrekpunt is dat wetten in overeenstemming met het recht moeten zijn. De meest wezenlijke kwaliteitseis voor wetgeving is rechtmatigheid. Veel wetgeving is op verwerkelijking van rechtsbeginselen gericht, zoals bijvoorbeeld de bescherming van kwetsbare belangen of het bevorderen van rechtszekerheid. Onrechtmatigheid van wetgeving is in een rechtstaat principieel onjuist. Dat vermindert bovendien het vertrouwen in de overheid en dat kan zich ook in meer algemene zin wreken. Voorts kan onrechtmatigheid van wetgeving tot rechtelijk ingrijpen leiden en dat heeft negatieve invloed op de effectiviteit van het beleid. Het streven is dat bij het tot stand brengen van wetten en de daarbij te verrichten afweging sterker op rechtmatigheid wordt gelet. Daarbij zal volledig recht worden gedaan aan het internationale en communautaire recht, de Grondwet en algemene rechtsbeginselen, zoals het rechtszekerheidsbeginsel.2 De nationale beleidsruimte wordt door de sterke opkomst van het internationale en het communautaire recht steeds meer beperkt. Die beperkingen mogen niet worden miskend. Een bijzondere inspanning van de nationale wetgever is vereist voor de tijdige, juiste en volledige implementatie van EU-regelingen.