Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.3.2.2
8.3.2.2 Discussie in de literatuur over het registerpandrecht
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS412261:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
In de literatuur waren al meer alternatieven voor het vuistpandrecht beschreven. Deze alternatieven brachten vrijwel allemaal een wetswijziging mee, maar geen van de alternatieven heeft tot een wetswijziging geleid onder het OBW. De noodzaak daartoe kwam te ontbreken toen de Hoge Raad het Bierbrouwerij-arrest had gewezen. Om die reden behandel ik deze alternatieven niet en verwijs voor een uitgebreid overzicht en bespreking hiervan naar het proefschrift van Jarolímek 1956, p. 1-66. Ik maak een uitzondering voor het registerpandrecht, omdat dit alternatief in het begin van de 20e eeuw werd verdedigd en Meijers’ voorkeur genoot bij het opstellen van het BW van 1992.
Libourel 1926, p. 279.
De Kat 1926, p. 187.
Losecaat Vermeer 1928, p. 24.
Losecaat Vermeer 1928, p. 31.
Losecaat Vermeer 1928, p. 32.
Van Nierop 1928, p. 42.
Van Nierop 1928, p. 41.
Van Nierop 1928, p. 42.
In de genoemde preadviezen gingen de preadviseurs tevens in op de wenselijkheid van een registerpandrecht.1 De preadviseurs Kat, Libourel, Losecaat Vermeer en Van Nierop waren alle vier geen groot voorstander van een registerpandrecht. Libourel was sowieso tegen de verruiming van de mogelijkheden om zakelijke zekerheid op roerende zaken te vestigen. Hij baseerde zijn standpunt vooral op zijn bevindingen dat schuldenaren pandrechten op roerende zaken niet voor nieuw, maar voor bestaand krediet vestigden.2 Kat bepleitte alleen een pandregister voor vuistloze pandrechten op spoor- en tramwegmaterieel, motorrijtuigen op vier of meer wielen en vliegtuigen.3 Losecaat Vermeer stond niet principeel afwijzend tegen een register,4 maar zag de meerwaarde er niet van in.5 Hij adviseerde – voor het geval de wetgever toch een register zou invoeren – dat een schuldenaar een registerpandrecht kon vestigen op makkelijk te identificeren en niet veelvuldig verhandelde zaken zoals grote machines en vliegtuigen. Deze beperking vond hij in overeenstemming met het specialiteitsbeginsel. Hij vond een registerpandrecht voor andere zaken onwenselijk, omdat ‘de moeilijkheid of onmogelijkheid van voldoende aanduiding en de geregelde verhandelbaarheid zich tegen een registerpandrecht’ zouden verzetten.6 Van Nierop was geen voorstander van publiciteit van pandrechten, omdat de kredietvoorziening voor een schuldenaar zou opdrogen als zijn financiële positie openbaar zou worden.7 Daarnaast zag hij geen voordelen van publiciteit door een register. Zo vond hij dat van derden niet kon worden verlangd dat zij het register zouden inzien. Hij schreef dat de inschrijving van het pandrecht geen bewijs was van kwade trouw. Volgens hem kon de wetgever niet van een koper verlangen dat deze voor het sluiten van een koopovereenkomst het register inzag en onderzocht op de zaak bezwaard is en of de verkoper beschikkingsbevoegd is.8 Van Nierop zag alleen een eventuele meerwaarde voor een beoogd schuldeiser die krediet zou willen verstrekken. Van deze schuldeiser verwachtte Van Nierop echter niet dat hij het register zou inzien: ‘De handel eischt snel beslissen’.9