Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9078.
HR, 07-10-2022, nr. 21/03692
ECLI:NL:HR:2022:1374
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-10-2022
- Zaaknummer
21/03692
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:1374, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑10‑2022; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:418, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2021:5230, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2022:418, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑04‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1374, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 31‑08‑2021
- Vindplaatsen
AR-Updates.nl 2022-1124
JAR 2022/270
TRA 2022/90 met annotatie van F.M. Dekker
JIN 2023/1 met annotatie van mr. T.J. Vlot, mr. J.M.F. Hoogland
Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2022/422
VAAN-AR-Updates.nl 2022-1124
JAR 2022/270
Uitspraak 07‑10‑2022
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Aanzegplicht bij arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd; aanzegvergoeding; art. 7:668 lid 1 en 3 BW. Vraag of beroep op verschuldigdheid aanzegvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in geval waarin werkgever mondeling heeft aangezegd in plaats van schriftelijk en werknemer daardoor geen nadeel heeft geleden (art. 6:248 lid 2 BW). Samenhang met 21/03693.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 21/03692
Datum 7 oktober 2022
BESCHIKKING
In de zaak van
MAXS NL B.V.,gevestigd te Ermelo,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: Maxs,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
[werknemer],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de werknemer,
advocaat: S.F. Sagel.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de beschikking in de zaak 8289742 HA VERZ 20-5 van de kantonrechter te Apeldoorn van 12 maart 2020;
de beschikkingen in de zaak 200.278.332 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 oktober 2020 en 31 mei 2021.
Maxs heeft tegen de beschikkingen van het hof beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De werknemer heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van Maxs heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Deze uitspraak gaat over de vraag of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om aanspraak te maken op de aanzegvergoeding zoals bedoeld in art. 7:668 lid 3 BW, indien de werkgever de mededeling aan de werknemer dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden voortgezet, wel mondeling maar niet ook schriftelijk heeft gedaan en de werknemer daarvan geen nadeel heeft ondervonden.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Maxs is een betonleverancier.
(ii) De werknemer is op 1 mei 2019 voor bepaalde tijd, tot 1 december 2019, bij Maxs in dienst getreden in de functie van algemeen medewerker.
(iii) Op 30 oktober 2019 heeft de directeur van Maxs aan de werknemer in een gesprek op het kantoor van Maxs medegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst per 1 december 2019 niet zal worden verlengd.
(iv) De werknemer had per 1 december 2019 een andere baan.
2.3
De werknemer verzoekt in dit geding, voor zover in cassatie van belang, om Maxs te veroordelen tot betaling van één maandsalaris op de voet van art. 7:668 lid 3 BW (hierna: de aanzegvergoeding). De werknemer heeft aan dat verzoek ten grondslag gelegd dat Maxs hem niet overeenkomstig art. 7:668 lid 1 BW uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst eindigde, schriftelijk heeft geïnformeerd over het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen.
2.4
Het hof heeft bij tussenbeschikking1.Maxs toegelaten te bewijzen dat zij een brief aan de werknemer heeft overhandigd met de mededeling dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet na 1 december 2019, dan wel dat Maxs een gelijkluidende brief aan de werknemer heeft verzonden en dat deze door de werknemer is ontvangen. In de eindbeschikking2.heeft het hof geoordeeld dat Maxs niet geslaagd is in het aan haar opgedragen bewijs. Het hof heeft de uitspraak van de kantonrechter vernietigd en Maxs veroordeeld tot betaling van de aanzegvergoeding.
2.5
De in cassatie relevante overwegingen in de tussenbeschikking van het hof luiden als volgt.
“Betaling aanzegvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar?
4.4 [
De werknemer] maakt in hoger beroep bezwaar tegen het oordeel van de kantonrechter dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn wanneer Maxs de aanzegvergoeding verschuldigd zou worden. Het hof deelt de mening van [de werknemer]. Hieronder zal het hof uitleggen waarom. Het hof gaat bij deze motivering veronderstellenderwijs ervan uit dat Maxs de mededeling dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd, niet schriftelijk heeft gedaan (…).
4.5 (…)
De gedachte achter het door een werkgever verschuldigd worden van een aanzegvergoeding wanneer hij de werknemer niet een maand voor het verstrijken van de overeenkomst voor bepaalde tijd schriftelijk heeft medegedeeld of deze al dan niet zal worden verlengd, is dat voor de werknemer (ten minste) een maand voor het verstrijken van de overeenkomst duidelijk is of deze zal worden voortgezet. De werknemer kan dan - wanneer dit niet het geval is - maatregelen nemen om zijn inkomen veilig te stellen. In dit geval had [de werknemer] op 30 oktober 2019 uit de (mondelinge) mededelingen van [de directeur van Maxs] voldoende duidelijk begrepen dat zijn arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. [de werknemer] is vervolgens gaan zoeken naar een andere baan, heeft deze gevonden en had – direct aansluitend aan het dienstverband met Maxs – per 1 december 2019 een andere baan. [de werknemer] heeft met andere woorden geen nadeel geleden doordat de aanzegging niet schriftelijk maar mondeling is gedaan. Gezien het voorgaande lijkt het redelijk om in dit geval door de vingers te zien dat Maxs de mededeling niet schriftelijk heeft gedaan.
4.6
Waarom kiest het hof dan toch een andere weg? In dit verband moet allereerst goed voor ogen worden gehouden dat de rechter het (rechts)gevolg van een regel, zoals in dit geval het verschuldigd worden van de aanzegvergoeding door Maxs omdat zij geen schriftelijke mededeling heeft gedaan, niet al terzijde mag stellen wanneer dit redelijk is. Een rechtsgevolg mag enkel aan de kant worden geschoven wanneer het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Aan deze zware eis is volgens het hof onder de gegeven omstandigheden niet voldaan. Het rechtsgevolg in kwestie vloeit niet voort uit zomaar een (contractuele) regel, maar uit een wettelijke bepaling van dwingend recht (dat wil zeggen een bepaling waarbij niet ten nadele van de werknemer in het arbeidscontract kan worden afgeweken). In zo’n geval mag een rechtgevolg slechts onder bijzondere omstandigheden terzijde worden gesteld (…). Die ruimte wordt helemaal klein wanneer de wetgever bij het opstellen van de wettelijke regel waaruit het rechtsgevolg voortvloeit, de belangen in kwestie al heeft meegewogen. Dit is bij artikel 7:668 BW het geval. Zoals hierboven al wordt overwogen is de aanzegplicht in de wet opgenomen om een werknemer met een tijdelijk contract niet tot het einde toe in onzekerheid te laten over het wel of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst na ommekomst van de (overeengekomen) duur. Volgens de wetgever brengt het uitgangspunt dat een werkgever zich goed moet gedragen (“goed werkgeverschap”) met zich dat de aanzegging schriftelijk moet worden gedaan. Als dit niet het geval is, dan is volgens de tekst van de wet en de memorie van toelichting het gevolg dat een aanzegvergoeding moet worden betaald. (…)”
In de eindbeschikking is het hof bij deze beslissing gebleven. (rov. 3.10)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat de verschuldigdheid van de aanzegvergoeding wegens niet-inachtneming van het schriftelijkheidsvereiste van art. 7:668 lid 1 BW in dit geval niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het klaagt onder meer dat het hof hiermee de aard en de strekking van de aanzegplicht van art. 7:668 BW heeft miskend. Indien het hof de aard en de strekking van art. 7:668 BW niet heeft miskend, heeft het zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd, dan wel is zijn oordeel onbegrijpelijk, aldus het middel.
3.2.1
Bij de beoordeling of de toepassing van een wettelijke regel in een bepaald geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:2 lid 2 BW of art. 6:248 lid 2 BW) dient de rechter terughoudendheid te betrachten. Dit geldt te meer indien het gaat om een regel van dwingend recht.3.Als in de wettelijke regel al een afweging van belangen door de wetgever besloten ligt, zal een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ten aanzien van die belangen alleen in uitzonderlijke gevallen kunnen slagen.4.
3.2.2
De regeling van de aanzegplicht in art. 7:668 BW is van dwingend recht. Die bepaling beoogt de positie van de werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aldus te versterken dat hij door middel van een schriftelijke aanzegging tijdig duidelijkheid verkrijgt over het al dan niet voortzetten van zijn arbeidsovereenkomst. Daarbij heeft de wetgever er bewust voor gekozen dat de werkgever die de plicht tot schriftelijke aanzegging niet naleeft, de aanzegvergoeding verschuldigd is.5.Uit een en ander valt af te leiden dat de aanzegvergoeding mede het karakter heeft van prikkel tot naleving van de plicht tot schriftelijke aanzegging. Met dat karakter strookt om aan te nemen dat de aanzegvergoeding steeds verschuldigd is bij niet-inachtneming van de schriftelijkheidseis, ook indien voor de werknemer langs andere weg duidelijk was dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet of de werknemer geen nadeel heeft geleden door het niet naleven van de schriftelijkheidseis.
3.2.3
In het licht van het voorgaande is het middel ongegrond. Het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voldoende gemotiveerd.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Maxs in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [werknemer] begroot op € 418,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Maxs deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 7 oktober 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑10‑2022
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:5230.
Zie onder meer HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1845, rov. 3.4.2 en HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5695, rov. 4.2.1.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 73 en HR 5 oktober 2018, rov. 3.4.2 en HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:729, rov. 3.8.1.
Vgl. Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 20-21 en 94, Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 53 en 79 en Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 7, p. 35-36.
Conclusie 01‑04‑2022
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Art. 7:668 BW. Schriftelijkheidsvereiste bij aanzegplicht. Maatstaf voor beoordeling of sprake is van onaanvaardbaarheid naar redelijkheid en billijkheid in de zin van art. 6:248 BW juist toegepast?
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/03692
Zitting 1 april 2022
CONCLUSIE
R.H. de Bock
in de zaak:
Maxs NL B.V. (hierna: Maxs)
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt
tegen
[werknemer] (hierna: werknemer)
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. S.F. Sagel
1.Inleiding en samenvatting
Werknemer is voor bepaalde tijd in dienst getreden bij Maxs. Zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst is na een periode van zeven maanden van rechtswege geëindigd per 1 december 2019. Werknemer vordert op de voet van art. 7:668 lid 3 BW een vergoeding gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand, omdat Maxs de werknemer niet schriftelijk heeft geïnformeerd over het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter wijst de vordering af, omdat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de aanzegvergoeding moet worden betaald. Het staat namelijk vast dat Maxs de werknemer wel mondeling heeft meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd. Daarover heeft bij de werknemer ook geen onduidelijkheid bestaan; hij is daarna gaan solliciteren naar een andere baan, waarin hij ook aansluitend per 1 december 2019 is geslaagd. Werknemer heeft dan ook geen enkel nadeel ondervonden.
Het hof vernietigt de beschikking en oordeelt dat in de gegeven omstandigheden niet is voldaan aan de zware eis dat sprake is van een rechtsgevolg dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
In cassatie klaagt Maxs dat dit oordeel onjuist is. M.i. falen de klachten.
Deze cassatieprocedure hangt samen met zaak 21/03693, waarin vandaag eveneens conclusie wordt genomen.
2. Feiten
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, die zijn ontleend aan rov. 4.1 van de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 12 oktober 2020.1.
2.1
Maxs is een betonleverancier.
2.2
Werknemer is op 1 mei 2019 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij Maxs tot 1 december 2019 in de functie van algemeen medewerker. Zijn loon bedroeg bij een dienstverband van 50 uur per week € 3.200,00 bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld.
2.3
Op 30 oktober 2019 heeft de directeur van Maxs werknemer in een gesprek op het kantoor van Maxs medegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst niet per 1 december 2019 zal worden verlengd.
3. Procesverloop
3.1
Bij verzoekschrift van 28 januari 2020 heeft werknemer de kantonrechter verzocht om Maxs te veroordelen tot betaling van een vergoeding ter hoogte van één maandsalaris, vermeerderd met de wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraad, vanwege het schenden van haar aanzegverplichting op grond van art. 7:668 lid 3 BW.2.
3.2
Maxs heeft verweer gevoerd.
3.3
Op 29 februari 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
3.4
Bij beschikking van 12 maart 2020 heeft de kantonrechter het verzoek van werknemer afgewezen.3.Het staat vast dat de directeur van Maxs tijdens een gesprek op kantoor op 30 oktober 2019 werknemer helder en ondubbelzinnig heeft meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst vanaf en na 1 december 2019 niet zou worden voortgezet. De werknemer heeft dit ook zo begrepen en is daarna gaan solliciteren naar een andere baan, die hij ook aansluitend per 1 december 2019 heeft gevonden. Nu er geen enkele onduidelijkheid heeft bestaan over het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst en deze mededeling tijdig is geschied zodat werknemer in de gelegenheid is geweest om te solliciteren en zo zijn inkomen veilig te stellen, heeft werknemer geen enkel nadeel ondervonden. In deze situatie is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat werknemer met een beroep op het bepaalde in art. 7:668 lid 3 BW aanspraak maakt op een door Maxs te betalen vergoeding wegens het niet schriftelijk alsnog informeren van werknemer over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst (rov. 5.4).
3.5
Werknemer heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter.
3.6
Maxs heeft verweer gevoerd.
3.7
Op 2 september 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Werknemer heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen om zijn standpunt nader toe te lichten. Van deze mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
3.8
Bij tussenbeschikking van 12 oktober 2020 heeft het hof het beroep door Maxs op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid verworpen (rov. 4.4-4.6).4.Het hof heeft Maxs toegelaten te bewijzen dat zij (a) op 31 oktober 2019 een brief aan werknemer heeft overhandigd met de mededeling dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zou worden voortgezet na 1 december 2019 en/of (b) op 31 oktober 2019 een gelijkluidende brief per gewone post aan werknemer heeft gezonden en dat deze brief nadien door werknemer is ontvangen (rov. 4.7-4.10).
3.9
Op 3 december 2020 heeft een getuigenverhoor en een tegengetuigenverhoor plaatsgevonden.
3.10
Maxs heeft een memorie na enquête en werknemer een antwoordmemorie na enquête genomen.
3.11
Bij eindbeschikking van 31 mei 2021 heeft het hof geoordeeld dat Maxs niet is geslaagd in de bewijsopdracht (rov. 3.3-3.8).5.Dit heeft tot gevolg dat niet is vast komen te staan dat Maxs aan haar aanzegverplichting heeft voldaan en dat Maxs daarom de aanzegvergoeding van een maandloon aan werknemer moet betalen (rov. 3.9).
3.12
Maxs heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. Werknemer heeft een verweerschrift ingediend.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel bevat vijf klachten en een voortbouwklacht. De klachten richten zich alle tegen rov. 4.4-4.6 van de tussenbeschikking van 12 oktober 2020. Deze overwegingen luiden als volgt:
“4.4 [Werknemer] maakt in hoger beroep bezwaar tegen het oordeel van de kantonrechter dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn wanneer Maxs de aanzegvergoeding verschuldigd zou worden. Het hof deelt de mening van [werknemer]. Hieronder zal het hof uitleggen waarom. Het hof gaat bij deze motivering veronderstellenderwijs ervan uit dat Maxs de mededeling dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd, niet schriftelijk heeft gedaan (zie voor meer hierover de rechtsoverwegingen 4.8-4.10).
4.5
Hoewel het hof de visie van [werknemer] deelt, kan het zich voorstellen dat Maxs een andere mening is toegedaan. De gedachte achter het door een werkgever verschuldigd worden van een aanzegvergoeding wanneer hij de werknemer niet een maand voor het verstrijken van de overeenkomst voor bepaalde tijd schriftelijk heeft medegedeeld of deze al dan niet zal worden verlengd, is dat voor de werknemer (tenminste) een maand voor het verstrijken van de overeenkomst duidelijk is of deze zal worden voortgezet. De werknemer kan dan - wanneer dit niet het geval is - maatregelen nemen om zijn inkomen veilig te stellen. In dit geval had [werknemer] op 30 oktober 2019 uit de (mondelinge) mededelingen van [betrokkene 1] voldoende duidelijk begrepen dat zijn arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. [Werknemer] is vervolgens gaan zoeken naar een andere baan, heeft deze gevonden en had - direct aansluitend aan het dienstverband met Maxs - per 1 december 2019 een andere baan. [Werknemer] heeft met andere woorden geen nadeel geleden doordat de aanzegging niet schriftelijk maar mondeling is gedaan. Gezien het voorgaande lijkt het redelijk om in dit geval door de vingers te zien dat Maxs de mededeling niet schriftelijk heeft gedaan.
4.6
Waarom kiest het hof dan toch een andere weg? In dit verband moet allereerst goed voor ogen worden gehouden dat de rechter het (rechts)gevolg van een regel, zoals in dit geval het verschuldigd worden van de aanzegvergoeding door Maxs omdat zij geen schriftelijke mededeling heeft gedaan, niet al terzijde mag stellen wanneer dit redelijk is. Een rechtsgevolg mag enkel aan de kant worden geschoven wanneer het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Aan deze zware eis is volgens het hof onder de gegeven omstandigheden niet voldaan. Het rechtsgevolg in kwestie vloeit niet voort uit zomaar een (contractuele) regel, maar uit een wettelijke bepaling van dwingend recht (dat wil zeggen een bepaling waarbij niet ten nadele van de werknemer in het arbeidscontract kan worden afgeweken). In zo’n geval mag een rechtgevolg slechts onder bijzondere omstandigheden terzijde worden gesteld (dat heeft de hoogste rechter in Nederland op dit terrein, de Hoge Raad, een aantal keren bepaald6.). Die ruimte wordt helemaal klein wanneer de wetgever bij het opstellen van de wettelijke regel waaruit het rechtsgevolg voortvloeit, de belangen in kwestie al heeft meegewogen. Dit is bij artikel 7:668 BW het geval. Zoals hierboven al wordt overwogen is de aanzegplicht in de wet opgenomen om een werknemer met een tijdelijk contract niet tot het einde toe in onzekerheid te laten over het wel of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst na ommekomst van de (overeengekomen) duur. Volgens de wetgever brengt het uitgangspunt dat een werkgever zich goed moet gedragen (“goed werkgeverschap”) met zich dat de aanzegging schriftelijk moet worden gedaan. Als dit niet het geval is, dan is volgens de tekst van de wet en de memorie van toelichting het gevolg dat een aanzegvergoeding moet worden betaald. Letterlijk hierover in de memorie van antwoord7.: “Om de positie van de werknemer te versterken wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat de mondelinge toezegging van de werkgever op dit punt wordt geformaliseerd via een schriftelijke aanzegplicht”. De wetgever heeft er met andere woorden expliciet voor gekozen dat een mondelinge aanzegging niet voldoende is. De wettelijke bepaling waarin die keuze is vastgelegd is van recente datum en de invoering van de wet Arbeidsmarkt in Balans is geen aanleiding geweest deze bepaling te wijzigen (zoals wel bij een aantal andere recent ingevoerde bepalingen is gebeurd). Gezien deze argumenten houdt het hof in dit geval toch vast aan de wettelijke ‘hard and fast rule’. Ten overvloede merkt het hof nog op dat de (rechts)praktijk ook gebaat kan zijn bij (in beginsel) onverkorte toepassing van de schriftelijkheidseis omdat daardoor geschillen over de verschuldigdheid van de (vaak betrekkelijke geringe) aanzegvergoeding kunnen worden vermeden.”
4.2
Bij de bespreking van deze klachten is het volgende voorop te stellen.
Achtergrond invoering aanzegplicht
4.3
Op grond van art. 7:667 BW eindigt een tijdelijke arbeidsovereenkomst in beginsel van rechtswege na het verstrijken van de tijd die in de overeenkomst is aangegeven.
4.4
Desalniettemin moet een werkgever uiterlijk een maand voordat haar tijdelijke arbeidsovereenkomst met een werknemer van rechtswege eindigt en eerstgenoemde heeft besloten om de arbeidsovereenkomst niet voort te zetten, het einde van de tijdelijke arbeidsovereenkomst aan de werknemer aanzeggen, mits het gaat om een tijdelijke overeenkomst van zes maanden of langer. Overigens gaat het strikt genomen niet om het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst – die eindigt immers van rechtswege – maar om het niet voortzetten van de arbeidsrelatie.8.Indien de werkgever de arbeidsrelatie wel wil voorzetten, dan moet zij dit ook aan de werknemer aanzeggen, inclusief de voorwaarden waaronder dit volgens werkgever dient te gebeuren.
4.5
Deze zogenoemde aanzegplicht is in navolging van het Sociaal Akkoord van 11 april 20139.door invoering van de Wet werk en zekerheid (van 14 juni 2014) sinds 1 januari 2015 opgenomen in art. 7:668 lid 1 BW.10.
4.6
In het Sociaal Akkoord van 11 april 2013 was de aanzegplicht (“Aanzegtermijn van een maand bij beëindiging van tijdelijke contracten met een duur van zes maanden of langer”) opgenomen als beleidsvoornemen onder punt 4, “Tegengaan van het doorgeschoten gebruik van legale vormen van flexibele arbeid”, onder het kopje “Tijdelijke contractvormen”.11.De hier vermelde beleidsvoornemens maakten deel uit van paragraaf 2.5.2, die als titel heeft Wegen voor een verantwoorde inzet van externe flexibiliteit en flexibele arbeidscontracten. Uit de daaraan voorafgaande paragraaf 2.5.1 blijkt dat de in paragraaf 2.5.2 opgenomen beleidsvoornemens bedoeld zijn om een evenwicht te vinden tussen enerzijds de gewenste flexibiliteit van arbeidsrelaties, en anderzijds de behoefte om de doorgeschoten flexibiliteit aan banden te leggen. In dat kader zijn er zes overkoepelende beleidsvoornemens, namelijk (1) tegengaan van oneigenlijk gebruik van flexibele arbeidsrelaties: schijnconstructies, buitenlandroutes; (2) handhaving en naleving; (3) betere regeling verantwoordelijkheden aanneming; (4) tegengaan van doorgeschoten gebruik van legale vormen van flexibele arbeid; (5) betere ordening van zogeheten driehoeksrelaties; (6) investeren in employability/scholing van flexibele werknemers. De aanzegplicht valt dus, als gezegd, onder de opsomming van verschillende beleidsvoornemens in het kader van het vierde punt, het tegengaan van het doorgeschoten gebruik van legale vormen van flexibele arbeid.
4.7
Het komt er dus op neer dat de aanzegplicht is ingegeven door de wens om een nieuwe balans te treffen tussen flexibiliteit en zekerheid.
4.8
Dat is ook – in zijn algemeenheid – het doel geweest van de Wwz:12.
“De regering wil voldoende flexibiliteit in de economie houden, en kiest er daarom bewust voor om het pallet aan flexibele arbeidsvormen niet te beperken. Wel moet voorkomen worden dat mensen langdurig en onvrijwillig ingeschakeld worden op basis van onzekere flexibele contracten. De balans tussen vast en flexibel werk moet op dit punt worden hersteld. Het wetsvoorstel voorziet daartoe in een breed scala van maatregelen op dit terrein.”
Wettelijke aanzegplicht
4.9
Art. 7:668 BW luidt als volgt:
1. De werkgever informeert de werknemer schriftelijk uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt:
a. over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst; en
b. bij voortzetting, over de voorwaarden waaronder hij de arbeidsovereenkomst wil voortzetten.
2. Lid 1 is niet van toepassing, indien:
a. bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst schriftelijk is overeengekomen dat deze eindigt op een tijdstip dat niet op een kalenderdatum is gesteld; of
b. de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor een periode korter dan zes maanden.
3. Indien de werkgever de verplichting, bedoeld in lid 1, aanhef en onderdeel a, in het geheel niet is nagekomen, is hij aan de werknemer een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand. Indien de werkgever die verplichting niet tijdig is nagekomen, is hij aan de werknemer een vergoeding naar rato verschuldigd. (…)
(…)
4.10
Op grond van art. 7:668 lid 2 onder a BW geldt de aanzegverplichting niet wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt op een tijdstip dat niet op een kalenderdatum is gesteld. Het gaat dan bijvoorbeeld om een arbeidsovereenkomst voor de duur van een bepaald project of voor de vervanging van een zieke werknemer, zo is vermeld in de memorie van toelichting.13.
4.11
Uit art. 7:668 lid 2 onder b BW volgt dat de verplichting van de werkgever om het einde van de arbeidsovereenkomst aan te zeggen, alleen geldt bij tijdelijke contracten van zes maanden of langer.14.
4.12
4.13
Indien de werkgever het einde van de arbeidsovereenkomst niet heeft aangezegd, is zij op grond van art. 7:668 lid 3 BW een schadevergoeding ter hoogte van een bruto maandsalaris verschuldigd aan de werknemer, gerekend vanaf een maand na de dag waarop de aanzegverplichting is ontstaan. De werknemer kan deze vergoeding van de werkgever vorderen binnen drie maanden na de dag waarop de aanzegverplichting voor de werkgever is ontstaan (art. 7:668 lid 3 jo. 7:686a lid 4 sub e BW).
4.14
Wanneer de werkgever het einde van de arbeidsovereenkomst wel heeft aangezegd maar dit niet tijdig heeft gedaan – dus op een moment waarop minder dan een maand resteert voordat de tijdelijke arbeidsovereenkomst van zes maanden of langer van rechtswege eindigt – dan is de werkgever op grond van art. 7:668 lid 3 BW deze vergoeding naar rato verschuldigd.
Parlementaire geschiedenis
4.15
In de memorie van toelichting is de aanzegplicht als volgt toegelicht:16.
“Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd eindigen in beginsel van rechtswege, tenzij schriftelijk is overeengekomen dat voorafgaande opzegging nodig is. Het is conform huidig recht aan de werkgever of en wanneer hij de werknemer informeert over zijn voornemen om de arbeidsrelatie al dan niet voort te zetten door het aanbieden van een nieuwe overeenkomst. Een werknemer met een tijdelijk contract is echter gebaat bij tijdige informatie van zijn werkgever over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Bij beëindiging van de arbeidsrelatie dient de werknemer immers op zoek te gaan naar ander werk.
Om de werknemer tijdig duidelijkheid te bieden, stelt de regering in dit wetsvoorstel voor om bij afloop van tijdelijke contracten van zes maanden of langer een wettelijke aanzegtermijn van één maand op te nemen. De werkgever dient de werknemer daardoor uiterlijk een maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege, schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst met de werknemer, alsmede over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst eventueel kan worden voortgezet.(…)
Bij niet naleving van de verplichting de werknemer schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst is de werkgever aan de werknemer een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon voor een maand en bij niet tijdige nakoming een vergoeding naar rato. Hierbij is tevens bepaald dat deze vergoeding niet verschuldigd is in de situatie van faillissement, surseance van betaling of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Indien de werkgever heeft aangegeven wel te willen voortzetten, maar niet heeft aangegeven tegen welke voorwaarden, wordt de arbeidsovereenkomst geacht te zijn voortgezet voor dezelfde tijd (maar ten hoogste voor een jaar) op de vroegere voorwaarden.”
4.16
En bij de artikelsgewijze toelichting in de memorie van toelichting:17.
“In het nieuwe eerste lid wordt geregeld dat de werkgever verplicht is de werknemer uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst (de aanzegplicht; onderdeel a).
(…)
In het nieuwe derde lid wordt geregeld dat, indien de werkgever zich niet aan de schriftelijke aanzegplicht, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, houdt, hij een vergoeding verschuldigd is aan de werknemer ter hoogte van het loon van de werknemer voor een maand. Indien de werkgever zijn schriftelijke aanzegplicht te laat is nagekomen, is hij een vergoeding verschuldigd naar rato over de periode dat hij te laat is met aanzeggen. (…)”
4.17
Het nader rapport van de regering naar aanleiding van het advies van de Raad van State houdt ten aanzien van de aanzegplicht het volgende in:18.
“Aangezien werknemers met een tijdelijk contract vaak in onzekerheid verkeren over de vraag of hun contract al dan niet wordt voortgezet, heeft het kabinet ervoor gekozen om voor tijdelijke contracten van zes maanden of langer een wettelijke aanzegtermijn van één maand op te nemen. Door deze maatregel is voor werknemers met een tijdelijk contract eerder duidelijk of zij op zoek moeten naar een andere baan, hetgeen de transitie van werk naar werk kan bevorderen en ertoe leidt dat de werknemer wellicht geen beroep hoeft te doen op een uitkering. Het is niet uit te sluiten, zoals de Afdeling stelt, dat een werkgever in het vervolg een standaardmail aan de werknemer stuurt met de mededeling dat er geen ruimte is voor verlenging van het contract. Ook in dat geval heeft de maatregel het beoogde effect, namelijk dat er tijdig duidelijkheid is voor de werknemer. Het valt overigens nog te bezien of werkgevers hiertoe standaard zullen overgaan omdat zij daarmee ook werknemers verliezen over wie tevredenheid bestaat en een nieuwe werknemer zal moeten worden aangetrokken (met de kosten van dien) als de desbetreffende werkzaamheden niet ook komen te vervallen. (…)
Als het gaat om de door de Afdeling gesuggereerde wederkerigheid van deze verplichting, merkt het kabinet op hier geen aanleiding voor te zien. Als de werkgever meer zekerheid wil over het kunnen beschikken over een werknemer dan ligt het in de rede dat hij de werknemer tijdig een vervolgcontract aanbiedt. Het kabinet ziet derhalve geen aanleiding om het wetsvoorstel op dit punt aan te passen.”
4.18
Verder is in de nota naar aanleiding van het verslag het volgende vermeld:19.
“Zowel de leden van de VVD-fractie als de leden van de SGP-fractie vragen of deze aanzegtermijn valt te omzeilen door meteen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst alvast op te zeggen tegen de einddatum en wat de regering van deze mogelijkheid vindt.
Zoals in de memorie van toelichting is toegelicht eindigen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in beginsel van rechtswege, tenzij schriftelijk is overeengekomen dat voorafgaande opzegging nodig is. Het is in beginsel aan de werkgever of en wanneer hij de werknemer informeert over zijn voornemen om de arbeidsrelatie al dan niet voort te zetten door het aanbieden van een nieuwe overeenkomst. Een werknemer met een tijdelijk contract is echter gebaat bij tijdige informatie van zijn werkgever over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. (…) Door de voorgestelde aanzegtermijn is voor werknemers met een tijdelijk contract eerder duidelijk of zij op zoek moeten naar een andere baan, hetgeen de transitie van-werk-naar-werk kan bevorderen en ertoe leidt dat de werknemer wellicht geen beroep hoeft te doen op een uitkering. Om de werknemer tijdig duidelijkheid te bieden, stelt de regering in dit wetsvoorstel voor om bij het eindigen van rechtswege van tijdelijke contracten van zes maanden of langer een wettelijke aanzegtermijn van één maand op te nemen. Er is voor gekozen om de aanzegplicht te beperken tot contracten van zes maanden of langer gezien het feit dat de aanzegtermijn in kortere contracten materieel weinig betekenis zal hebben.
(…)
De regering ziet geen aanleiding voor een wederkerige verplichting voor de werknemer. Als een werkgever meer zekerheid wil over het kunnen beschikken over een werknemer dan ligt het in de rede dat hij de werknemer tijdig een vervolgcontract aanbiedt.
Zoals de leden van de VVD-fractie en SGP-fractie aangeven kan een werkgever, meteen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst aangeven (aanzeggen) dat er geen sprake van een opvolgend contract zal zijn. Ook in dat geval heeft de maatregel het beoogde effect, namelijk dat er (zeer) tijdig duidelijkheid is voor de werknemer waardoor hij weet dat hij zich op tijd op de arbeidsmarkt zal moeten gaan oriënteren. Het valt overigens nog te bezien of werkgevers hiertoe zullen overgaan omdat zij daarmee ook werknemers verliezen over wie tevredenheid bestaat en een nieuwe werknemer zal moeten worden aangetrokken (met de kosten van dien) als de desbetreffende werkzaamheden niet ook komen te vervallen.
De leden van de PVV-fractie en de leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre (organisaties van) werknemers en werkgevers de invoering van een aanzegverplichting van toegevoegde waarde achten. Voorts vragen de leden van de PVV-fractie zich af of het doen van een beroep op de aanzegging geen fricties tussen werkgever en werknemer kan geven, waardoor er nooit meer een overeenkomst tot stand komt. Ook vragen deze leden wat de verjaringstermijn is van een dergelijke vordering en op wie de bewijslast rust dat er wel of niet aangezegd is. Tot slot vragen de leden zich af of deze bepaling wel uitvoerbaar en handhaafbaar zal zijn.
De regering wijst erop dat de aanzegtermijn volgt uit het met sociale partners overeengekomen sociaal akkoord. De aanzegtermijn wordt als meerwaarde beschouwd omdat werknemers met een tijdelijk dienstverband ruim een maand voordat het dienstverband eindigt weten of zij zich (intensiever) moeten gaan oriënteren op de arbeidsmarkt. Zonder deze aanzegplicht kan het voorkomen dat een werkgever zo lang mogelijk wacht met de mededeling dat er geen vervolgcontract zal worden aangeboden. Dit uit angst dat die mededeling ten koste zal gaan van de inzet van de desbetreffende werknemer. Met de introductie van de aanzegplicht in artikel 7:668 BW is dat financieel niet meer aantrekkelijk voor de werkgever, aangezien de werkgever bij niet naleving van de aanzegplicht aan de werknemer een vergoeding is verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon voor een maand en bij niet tijdige nakoming een vergoeding naar rato.
Vanzelfsprekend staat het de werknemer vrij om al dan niet een beroep te doen op het niet (tijdig) nakomen van de aanzegplicht. Op het moment dat de werkgever weliswaar niet tijdig heeft aangezegd, maar er naar ieders tevredenheid wel een volgende arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, dan ligt het wellicht niet voor de hand voor de werknemer om zich op deze ontijdigheid van de aanzegging te beroepen. Met andere woorden het al dan niet «handhaven», de uitvoerbaarheid, ligt in handen van de werknemer zelf. Overigens geldt voor veel bepalingen in het BW die dienen ter bescherming van het werknemersbelang dat de werknemer er zelf een beroep op moet doen.
(…)
Ten aanzien van de bewijslast(verdeling) geldt het volgende. Aangezien de werknemer zich zal moeten beroepen op het niet (tijdig) aangezegd zijn, zal hij dit wel eerst moeten stellen. Vervolgens zal de werkgever, aangezien op hem de plicht rust om aan te zeggen, moeten bewijzen dat hij dat ook daadwerkelijk en tijdig gedaan heeft. Aangezien de aanzegging schriftelijk dient plaats te vinden, doet een werkgever er wijs aan om de aanzegging aangetekend te versturen.”
4.19
De memorie van antwoord vermeldt het volgende:20.
“Zoals in de memorie van toelichting is toegelicht (pagina 20) eindigen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in beginsel van rechtswege, tenzij schriftelijk is overeengekomen dat voorafgaande opzegging nodig is. Het is conform huidig recht aan de werkgever of en wanneer hij dewerknemer informeert over zijn voornemen om de arbeidsrelatie al dan niet voort te zetten door het aanbieden van een nieuwe arbeidsovereenkomst. Een werknemer met een tijdelijk contract is echter gebaat bij tijdige informatie van zijn werkgever over het al dan niet voortzetten van de overeenkomst. Bij beëindiging van de arbeidsrelatie dient de werknemer immers op zoek te gaan naar ander werk.
Om de werknemer tijdig duidelijkheid te bieden, heeft de regering in voorliggend wetsvoorstel voorgesteld om bij afloop van tijdelijke contracten van zes maanden of langer een wettelijke aanzegtermijn van één maand op te nemen. De werkgever dient de werknemer daardoor uiterlijk een maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege, schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst met de werknemer, alsmede over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst eventueel kan worden voortgezet. De regering ziet niet in dat deze regeling verstorend zou werken op de relatie tussen werkgever en werknemer dan dat ze bescherming biedt aan de werknemer. In feite wordt niet meer geregeld dan wat van een goed werkgever mag worden verlangd, namelijk dat hij tijdig duidelijkheid verschaft over het al dan niet voortzetten van een tijdelijke arbeidsovereenkomst en wordt aan het niet nakomen van deze verplichting een sanctie gekoppeld. Werkgevers die dat uit eigen beweging ook nu al doen, ondervinden geen nadeel van de regeling en voor werkgevers bij wie dit thans minder gebruikelijk is, zal de regeling een stimulans zijn om hier in de toekomst wel toe over te gaan. Mocht de arbeidsrelatie worden voortgezet dan zal een werknemer, ook al was de werkgever te laat met de informeren, er omwille van de relatie waarschijnlijk niet snel toe overgaan om bij zijn werkgever, de sanctie op te eisen.”
4.20
En verderop in de memorie van antwoord:21.
“Het lid van de fractie van de SGP vraagt of de regering kan bevestigen dat van de werknemer verwacht mag worden dat hij naar de voornemens van de werkgever heeft gevraagd en zich daadwerkelijk op zijn rechten heeft beroepen. Tevens vraagt dit lid of de regering van mening is dat het onwenselijk is dat werknemers aanspraak kunnen maken op de vergoeding wanneer de werknemer niet voor het eindigen van de overeenkomst naar de voornemens van de werkgever heeft gevraagd en wanneer zelfs geen behoefte bestaat aan het voortduren van de overeenkomst.
De regering heeft niet beoogd in de wet een plicht op te nemen die pas effect sorteert als degene die door die plicht wordt beschermd daar eerst zelf een beroep op moet doen. Wel staat het een werknemer uiteraard te allen tijde vrij om bij zijn werkgever te informeren naar diens intenties over het al dan niet voortzetten van het contract voor bepaalde tijd. Om de positie van de werknemer te versterken, wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat de mondelinge toezegging van de werkgever op dit punt wordt geformaliseerd via een schriftelijke aanzegplicht. Zo wordt voorkomen dat een werkgever weliswaar aan een werknemer toezegt om de arbeidsovereenkomst voort te zetten, maar deze toezegging vervolgens niet nakomt. Zonder deze aanzegplicht kan het ook voorkomen dat een werkgever zo lang mogelijk wacht met de mededeling dat er geen vervolgcontract zal worden aangeboden. Dit, veelal uit angst dat een dergelijke mededeling ten koste zal gaan van de inzet van de desbetreffende werknemer. Met de introductie van de aanzegplicht in artikel 7:668 BW is dat financieel niet meer aantrekkelijk voor de werkgever, aangezien de werkgever bij niet naleving van de aanzegplicht aan de werknemer een vergoeding verschuldigd is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon voor een maand en bij niet tijdige nakoming een vergoeding naar rato. Ten slotte merkt de regering op dat ook deze maatregel past in het streven de werkzekerheid van werknemers te bevorderen. Als zij op de hoogte zijn van het feit dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd, kunnen zij tijdig omzien naar een andere baan.”
4.21
Voor de volledigheid vermeld ik nog de vraag die het SGP-lid had gesteld:22.
“De werkgever is verplicht een maand voor het eindigen van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd de werknemer te informeren over zijn voornemens aangaande de overeenkomst. Kan de regering bevestigen dat van de werknemer verwacht mag worden dat hij naar de voornemens van de werkgever heeft gevraagd en zich daadwerkelijk op zijn rechten heeft beroepen? Is de regering eveneens van mening dat het onwenselijk is dat werknemers aanspraak kunnen maken op de vergoeding wanneer de werknemer niet voor het eindigen van de overeenkomst naar de voornemens van de werkgever heeft gevraagd en wanneer zelfs geen behoefte bestaat aan het voortduren van de overeenkomst?”
4.22
Uit de hiervoor geciteerde passages uit de wetsgeschiedenis is af te leiden dat bewust is gekozen voor een schriftelijke aanzegplicht. Met de schriftelijke aanzegplicht is beoogd dat de werknemer tijdig duidelijkheid verkrijgt over het al dan niet voortzetten van de arbeidsrelatie na het beëindigen van zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst, zodat hij tijdig op zoek kan gaan naar ander werk. Dat bevordert “de transitie van werk naar werk”.
4.23
Verder komt naar voren dat nadrukkelijk beoogd is om met het schriftelijkheidsvereiste de positie van de werknemer te versterken. Het voorschrift dat de aanzegging schriftelijk moet plaatsvinden, is dan ook niet los te zien van de beschermingsgedachte die aan veel arbeidsrechtelijke bepalingen ten grondslag ligt. Dat de schriftelijke aanzegplicht verband houdt met de bescherming van de werknemer, blijkt ook uit het antwoord van de regering op de vraag of er niet een wederzijdse aanzegplicht moet gelden, dus ook voor de werknemer, namelijk dat daar geen aanleiding voor is. Dat impliceert immers dat de aanzegplicht niet los te zien is van het feit dat het de werkgever is die het in zijn macht heeft om te bepalen of de arbeidsrelatie al dan niet wordt voorgezet, waarvan de werknemer afhankelijk is.
4.24
Uit het antwoord van de regering op de vraag vanuit de SGP-fractie blijkt bovendien dat de aanzegplicht altijd geldt en dat niet vereist is dat de werknemer eerst om duidelijkheid heeft verzocht of dat de werknemer zich daadwerkelijk op zijn rechten heeft beroepen (namelijk, zo begrijp ik, dat de werknemer zich beroept op voortzetting van de arbeidsrelatie). Ook doet het er niet toe (vergelijk de onder 4.21 geciteerde vraag) of er “behoefte bestaat aan het voortduren van de overeenkomst”. Hieruit volgt m.i. dat niet ter zake doet of de werknemer al dan niet al ander werk heeft gevonden, aansluitend aan de tijdelijke arbeidsovereenkomst. Hiermee ligt in de parlementaire geschiedenis besloten dat geen nadeel van de werknemer is vereist voor het kunnen inroepen van de gevolgen van het niet hebben voldaan aan de wettelijke aanzegplicht.
4.25
Ten slotte blijkt uit de opmerkingen over de bewijslastverdeling in het geval de werknemer vergoeding verzoekt wegens het niet hebben voldaan aan de aanzegplicht (zie onder 4.18), dat het eerst aan de werknemer is om te stellen dat niet (tijdig) is aangezegd, en dat het vervolgens aan de werkgever is om te bewijzen dat hij dat wel daadwerkelijk en tijdig heeft gedaan. Uit de toevoeging dat de werkgever er daarom wijs aan doet om de aanzegging aangetekend te versturen, komt wederom naar voren dat het er (uitsluitend) om gaat of schriftelijk is aangezegd. En dus niet, zo voeg ik toe, of de werknemer bekend was of had kunnen zijn met de beëindiging.
4.26
Het moeten voldoen aan de aanzegplicht hoeft overigens niet belastend te zijn voor de werkgever. Volgens de parlementaire geschiedenis kan een werkgever “meteen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst aangeven (aanzeggen) dat er geen sprake van een opvolgend contract zal zijn” (zie hiervoor onder 4.18). Ook kan een werkgever een standaardmail aan de werknemer sturen met de mededeling dat er geen ruimte is voor verlenging van het contract (zie onder 4.17).
4.27
In de feitenrechtspraak is aangenomen dat de werkgever ook per WhatsApp,23.LinkedIn24.en e-mail25.het einde van de tijdelijke arbeidsovereenkomst van rechtswege kan aanzeggen. Aanzegging per Twitter,26.SMS27.of Messenger zou ook mogelijk zijn.28.
Tussenconclusie
4.28
Gelet op de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis lijdt het geen twijfel dat de aanzegplicht schriftelijk moet worden nagekomen. Een mondelinge aanzegging is niet voldoende, ook niet wanneer vast zou staan dat voor de werknemer duidelijk was dat de arbeidsrelatie niet wordt voortgezet en de werknemer geen nadeel heeft geleden door het niet-naleven van de schriftelijke aanzegplicht.
Literatuur
4.29
Dat de aanzegplicht alleen schriftelijk kan worden vervuld, is ook de heersende opvatting in de literatuur. Zo schrijven Van Drongelen, Fase en Jellinghaus dat er door de werkgever alleen schriftelijk kan worden aangezegd, omdat art. 7:668 lid 1 BW een regel van dwingend recht is.29.Ook volgens Verhulp en De Wolff is er wettelijk geen enkele ruimte voor het betrachten van enige soepelheid met betrekking tot de eis dat de aanzegging schriftelijk dient te geschieden, ook niet als de werknemer wel wist dat de overeenkomst niet zou (kunnen) worden voortgezet.30.Faber stelt dat de wettekst kraakhelder is over de verplichting van de werkgever om schriftelijk aan te zeggen, dat uit de parlementaire geschiedenis duidelijk blijkt dat de wetgever dit zo heeft gewild en dat een andere uitleg van de rechter contra legem is.31.Ook Pennings en Sprengers stellen zich op het standpunt dat aan de mondelinge aanzegging geen betekenis toekomt, nu de wetgever uitdrukkelijk verlangt dat de aanzegging schriftelijk geschiedt.32.
4.30
Slechts een enkele auteur meent – doorgaans als commentaar bij uitspraken van feitenrechters die een mondelinge aanzegging toelaatbaar hebben geacht, zie hierna onder 4.32 – dat onder (bijzondere) omstandigheden ook voldaan is aan de aanzegplicht als mondeling is meegedeeld dat de arbeidsrelatie niet wordt voortgezet.33.Houweling schrijft dat men zich kan afvragen of zo’n strenge en formele toetsing in dit geval aan de ratio van de aanzegging (tijdig duidelijkheid verschaffen over wel of niet voortzetting) wel juist is, en dat men daarom in de rechtspraak ook een wat meer genuanceerde benadering aantreft.34.
Feitenrechtspraak
4.31
Ook in de feitenrechtspraak is de heersende lijn dat een mondelinge aanzegging niet is toegelaten. Alle appelcolleges hebben zich op het standpunt gesteld dat er in beginsel geen ruimte is om – aan de hand van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid – aan te nemen dat ook volstaan kan worden met een mondelinge aanzegging, ook als vaststaat dat de werknemer bekend was met de beëindiging en geen nadeel heeft geleden.35.Ook kantonrechters volgen grotendeels deze lijn.36.
4.32
Sommige kantonrechters hebben echter geoordeeld dat een mondelinge aanzegging volstaat, in het geval de mededeling van de werkgever duidelijk is geweest en er dus geen onzekerheid voor de werknemer heeft bestaan.37.Ook in de voorliggende zaak heeft de kantonrechter in die lijn geoordeeld. In deze uitspraken is geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om in een dergelijk geval van de werkgever te verlangen dat zij het einde van de arbeidsovereenkomst ook tijdig schriftelijk moet aanzeggen, op straffe van een veroordeling tot betaling van een aanzegvergoeding (al dan niet naar rato).
4.33
De vraag is of die opvatting juist is, en er inderdaad ruimte is om aan de hand van de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW te beslissen dat voldaan is aan de aanzegplicht van art. 7:668 lid 1 BW, ondanks dat de aanzegging niet schriftelijk heeft plaatsgevonden.
Art. 6:248 lid 2 BW
4.34
Volgens art. 6:2 lid 2 BW is een tussen partijen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit wordt de beperkende of derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid genoemd, omdat de redelijkheid en billijkheid de rechtsgevolgen van wet, gewoonte of rechtshandeling beperken. Via de schakelbepaling van art. 6:216 BW is dit artikel tevens van toepassing op alle meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen. Specifiek voor overeenkomsten bevat art. 6:248 lid 2 BW eenzelfde bepaling: een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
4.35
Uit de tekst van art. 6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 BW volgt dat de rechter terughoudend moet zijn met de toepassing ervan. De toepassing van de regel moet immers naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Dat betekent dat het er niet om gaat of de bepaling in strijd is met de redelijkheid en billijkheid of dat een bepaald gevolg ‘niet redelijk’ is; er moet sprake zijn van onaanvaardbare gevolgen.38.Uit de term ‘onaanvaardbaar’ kan bovendien worden afgeleid dat de gevolgen objectief gezien onaanvaardbaar moeten zijn, in die zin dat ‘geen redelijk mens er anders over kan denken’.39.
4.36
De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan ook een wettelijke bepaling corrigeren. In de parlementaire geschiedenis NBW is daarover het volgende te lezen:40.
“De commissie zegt nog steeds moeite te hebben met het aanvaarden van de mogelijkheid dat dwingend recht, bijvoorbeeld het arbeidsrecht, opzijgezet wordt door redelijkheid en billijkheid. (…)
De regeringscommissaris antwoordt dat in het gegeven voorbeeld van het arbeidsrecht een grote terughoudendheid past. Dit is begrijpelijk: het gaat hier om een terrein dat de voortdurende aandacht van de wetgever heeft, en het arbeidsrecht is het resultaat van een maatschappelijke afweging. Naarmate de redelijkheid en billijkheid geacht kunnen worden in de regeling te zijn verdisconteerd, zal men terughoudender moeten zijn; in zeer extreme omstandigheden zal echter wel een beroep op de redelijkheid en billijkheid gedaan kunnen worden, waarbij te denken valt aan gevallen van rechtsverwerking.”
4.37
In lijn met de hier verwoorde gedachte heeft de Hoge Raad verschillende malen geoordeeld dat afwijking van een dwingende wetsbepaling omdat de toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, weliswaar mogelijk is, maar dat hieraan wel zware eisen gesteld moeten worden.41.Reeds in het algemeen moet de rechter terughoudend zijn bij de toepassing van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid, maar als het gaat om afwijking van een regel van dwingend recht, bestaat voor honorering van een zodanig beroep nog minder ruimte.42.Verder moet de motivering van een dergelijk oordeel aan hoge eisen voldoen.43.
4.38
Bij de beantwoording van de vraag of het beroep op een bepaalde regel onaanvaardbaar is, moet de aard van de regel worden meegewogen.44.Daarbij is ook de aard van het door de wetsbepaling beschermde belang van belang.45.Uit de aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis is verder af te leiden dat hoe meer in de regel al een (belangen)afweging besloten ligt, des te minder aanleiding is er voor afwijking van die regel op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
4.39
Uit het voorgaande volgt dat het op zichzelf mogelijk is dat de wettelijke bepaling over het schriftelijkheidsvereiste van de aanzegplicht buiten toepassing wordt gelaten, omdat een beroep op die bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Nu het echter gaat om een voorschrift van dwingend recht, zal de rechter daarbij een terughoudendheid moeten betrachten die nog groter is dan de terughoudendheid die in het algemeen al geldt voor de beoordeling van het beroep op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid.
4.40
Die terughoudendheid wordt verder versterkt door het feit dat het gaat om een beschermende bepaling. Zoals hiervoor uiteen is gezet, beoogt de bepaling immers de positie van de werknemer met een tijdelijk arbeidscontract te versterken (zie onder 4.20 en 4.23).
4.41
En de terughoudendheid geldt nog meer nu in de bepaling reeds een belangenafweging besloten ligt. Zoals hiervoor uiteen is gezet, ligt aan de bepaling ten grondslag dat een beter evenwicht moet worden getroffen tussen flexibiliteit en zekerheid (zie onder 4.7). De bepaling is dus de resultante van een afweging tussen enerzijds het belang van de werkgever bij het aangaan van flexibele arbeidsrelaties, en anderzijds het belang van de werknemer om zekerheid te hebben. De bepaling beoogt dan ook om een doorgeschoten gebruik van legale vormen van flexibele arbeid tegen te gaan (zie onder 4.6). Meer specifiek ligt in de parlementaire geschiedenis besloten dat afgewogen is enerzijds het belang van de werknemer om tijdig te weten waar hij aan toe is, en anderzijds het belang van de werkgever om flexibele arbeidsrelaties aan te gaan en daarbij niet onevenredig belast te worden met formaliteiten. Die afweging volgt uit het feit dat in de memorie van toelichting is opgemerkt dat het door de werkgevers nagestreefde belang van flexibiliteit niet wordt geschaad door de aan hen opgedragen plicht om minstens een maand van tevoren het van rechtswege eindigen van de tijdelijke arbeidsovereenkomst voor een periode van zes maanden of langer schriftelijk aan te zeggen aan de werknemer, en dat de aanzegging ook reeds in de arbeidsovereenkomst kan worden gedaan of per standaardmail.
4.42
Het voorgaande betekent dat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden een beroep op de redelijkheid en billijkheid het schriftelijkheidsvereiste terzijde zal kunnen stellen. De omstandigheid dat vast staat dat aan een medewerker mondeling is medegedeeld dat zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst van rechtswege zal eindigen, dat een medewerker aansluitend vervangend werk heeft gevonden of dat is gesteld dat bij hem geen onduidelijkheid heeft bestaan over het al dan niet verlengen van de arbeidsrelatie, zullen daarbij niet voldoende zijn.
4.43
In dit verband is ook nog een parallel te trekken met de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad over het schriftelijkheidsvereiste bij het aangaan van een concurrentiebeding, waarin is overwogen dat aan art. 7:653 lid 1 BW, voor zover inhoudende dat een concurrentiebeding schriftelijk moet worden overeengekomen, de gedachte ten grondslag ligt dat in het vereiste van geschrift een bijzondere waarborg is gelegen dat de werknemer de consequenties van dit voor hem bezwarende beding goed heeft overwogen.46.
De cassatieklachten
4.44
Tegen de achtergrond van het voorgaande kunnen de cassatieklachten als volgt worden beoordeeld.
4.45
De eerste rechtsklacht en motiveringsklacht (p. 3, onder 2.1) houdt in dat het hof bij zijn oordeel dat het schriftelijkheidsvereiste niet opzij kan worden gezet op grond van art. 6:248 lid 2 BW, heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Vast staat in deze zaak immers dat werknemer uit de (mondelinge) mededelingen van [betrokkene 1] voldoende duidelijk had begrepen dat zijn arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd, hij vervolgens is gaan zoeken naar een andere baan en deze ook heeft gevonden, direct aansluitend aan het dienstverband waardoor hij geen nadeel heeft geleden doordat de aanzegging niet schriftelijk, maar mondeling is gedaan.
4.46
Deze klacht kan niet slagen. Zoals hiervoor uiteen is gezet zal de rechter zeer terughoudend moeten zijn met zijn oordeel dat op grond van art. 6:248 lid 2 BW het schriftelijkheidsvereiste uit art. 7:668 lid 1 BW niet geldt. Het oordeel van het hof berust op zo’n zeer terughoudende opvatting en is dus rechtens juist. Het oordeel van het hof is ook niet onvoldoende gemotiveerd, nu alle genoemde feitelijke omstandigheden door het hof onder ogen zijn gezien.
4.47
Volledigheidshalve is nog op te merken dat niet gemotiveerd is aangevoerd dat het gevolg van de toepassing van de regel van art. 7:668 lid 1 BW, namelijk dat Maxs een vergoeding ter hoogte van een maandloon aan werknemer dient te betalen, voor Maxs onaanvaardbaar bezwarend zou zijn.
4.48
In de tweede rechtsklacht (p. 10, 2.1-Ia, onder a) klaagt Maxs dat het hof miskent dat de aard en strekking van de aanzegging van art. 7:668 lid 1 en 3 BW voor de onderhavige situatie (dus in het geval waarbij de tijdelijke arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd) ziet op het bevorderen van de werkzekerheid van werknemers, zodat werknemers op de hoogte zijn van het feit dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd en zij aldus tijdig kunnen omzien naar een andere baan, waarbij het volgens de wetgever van goed werkgeverschap getuigt wanneer een werkgever tijdig duidelijkheid over het al dan niet voortzetten verschaft.
4.49
Ook deze klacht faalt. Het hof heeft de strekking van de aanzeggingsplicht namelijk zowel in rov. 4.5 als in rov. 4.6 uitdrukkelijk benoemd en in zijn overwegingen betrokken. Vervolgens heeft het in rov. 4.6 uitgelegd waarom de aard en de strekking van de aanzeggingsplicht voor het onderhavige geval er niet toe kunnen leiden dat het schriftelijkheidsvereiste terzijde kan worden gezet op grond van de redelijkheid en billijkheid.
4.50
In haar derde rechtsklacht en motiveringsklacht (p. 10, 2.1-Ia, onder b) klaagt Maxs dat het hof miskent dat voor de vraag of een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid ter zake van een regel van dwingend recht kan slagen, de aard van die regel moet worden meegewogen en het door die regel beschermde belang.
4.51
Ook deze klacht kan niet slagen. Het hof heeft de aard van de regel, de aard van het door de dwingende regel beschermde belang en de omstandigheden die in de afwegingen van de wetgever zijn verdisconteerd wel in zijn overwegingen betrokken.
4.52
In haar vierde rechtsklacht en motiveringsklacht (p. 10-11, 2.1-Ia, onder c) klaagt Maxs dat het oordeel in rov. 4.5 en 4.6 dat er hier niet sprake is van een rechtsgevolg dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat aan deze zware eis, volgens het hof, onder de gegeven omstandigheden niet is voldaan, mede omdat de wetgever de belangen in kwestie al heeft meegewogen, onjuist is althans onbegrijpelijk is gemotiveerd.
4.53
Deze klacht kan niet slagen, omdat het oordeel van het hof juist is. De wetgever heeft de betrokken belangen immers wel meegewogen (zie onder 4.41).
4.54
Met haar vijfde rechtsklacht en motiveringsklacht (p. 15-16, onder 2.1-Ib) klaagt Maxs dat het oordeel dat de aanzegging schriftelijk dient te geschieden des te meer onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd is, nu het hof in rov. 4.5 en 4.6 van de bestreden tussenbeschikking heeft overwogen, kort samengevat, dat het redelijk lijkt dat de vergoeding niet hoeft te worden betaald omdat werknemer voldoende duidelijk begrepen had dat de arbeidsrelatie niet zou worden voortgezet, dat hij ander werk is gaan zoeken en dat ook heeft gevonden, direct aansluitend aan het dienstverband bij Maxs.
4.55
Ook deze klacht ook niet slagen. Het bestreden oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft zijn overwegingen juist extra inzichtelijk gemaakt, door eerst in rov. 4.5 te overwegen dat het redelijk lijkt om in dit geval door de vingers te zien dat Maxs de mededeling niet schriftelijk heeft gedaan, maar vervolgens in rov. 4.6 uit te leggen dat een wettelijke bepaling niet al terzijde mag worden gesteld wanneer dit redelijk is; daarvoor moet zijn voldaan aan de zware eis dat een rechtsgevolg naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Aan de hand van de strekking van art. 7:668 lid 1 BW en de daaraan ten grondslag liggende belangenafweging beargumenteert het hof dan dat in het onderhavige geval niet voldaan is aan deze zware eis.
4.56
Nu de klachten onder 2.1 falen, kan ook de voortbouwklacht onder 2.2 niet slagen.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑04‑2022
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9078, AR-Updates.nl 2020-1312.
Zie het verzoekschrift in eerste aanleg, petitum en onder 7.
Ktr. Gelderland (Apeldoorn) 12 maart 2020, zaaknummer 8289742 HA VERZ 20-5 (ongepubliceerd), AR-Updates.nl 2021-1121.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9078, AR-Updates.nl 2020-1312.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 mei 2021, zaaknummer 200.278.332 (ongepubliceerd), AR-Updates.nl 2021-1122.
Het Hof verwijst hier naar HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:729 en HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1845.
Het Hof verwijst hier naar Kamerstukken I 2013/14, 33 818, C, p. 79.
Vgl. J. van Drongelen, A. van Drongelen, S. Klingeman & A.D.M. van Rijs, Het ontslagrecht in de praktijk, Zutphen: Uitgeverij Paris 2019/3.5.1. Zie in die zin ook J. van Drongelen, W.J.P.M. Fase & S.F.H. Jellinghaus, Individueel arbeidsrecht, Zutphen: Uitgeverij Paris 2021/3.5.2.
Zie Stichting van de Arbeid, Perspectief voor een sociaal én ondernemend land: uit de crisis, met goed werk, op weg naar 2020. Den Haag, 11 april 2013, onder 2.5.2. (Ad 4. Tegengaan van het doorgeschoten gebruik van legale vormen van flexibele arbeid): “Aanzegtermijn van een maand bij beëindiging van tijdelijke contracten met een duur van zes maanden of langer”. Vgl. ook Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 7, p. 35 (NV II).
Stb. 2014, 216.
Stichting van de Arbeid, Perspectief voor een sociaal én ondernemend land: uit de crisis, met goed werk, op weg naar 2020. Den Haag, 11 april 2013, p. 24.
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 4 (MvT).
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 94 (MvT).
Zie ook Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 20-21 (MvT); Kamerstukken I 2013/14, 33 818, C, p. 7 en 53 (MvA).
Zie ook Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 21 (MvT).
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 20-21 (MvT).
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 94 (MvT).
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 4, p. 25 (Nader rapport).
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 7, p. 35-36 (NV II).
Kamerstukken I 2013/14, 33 818, C, p. 53 (MvA).
Kamerstukken I 2013/14, 33 818, C, p. 79 (MvA).
Kamerstukken I 2013/14, 33 818, B, p. 20 (Voorlopig verslag).
Zie bijv. Ktr. Rotterdam (vzr.) 25 september 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:7519, JAR 2019/286, m.nt. M. Faber; Ktr. Limburg (Maastricht) 21 december 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:12356; Ktr. Amsterdam (vzr.) 10 juni 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3968.
Ktr. Rotterdam 10 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3687.
Ktr. Rotterdam 21 juli 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:5606.
M. Faber, annotatie bij Ktr. Rotterdam 25 september 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:7519, JAR 2019/286, p. 2787.
H.J.W. Alt, Stelplicht en bewijslast in het nieuwe arbeidsrecht (Monografieën Sociaal Recht nr. 71), Deventer: 2017/12.2.4; D. van Deventer, ‘De aanzegplicht’, TvO 2017, p. 192.
D. van Deventer, ‘De aanzegplicht’, TvO 2017, p. 192.
J. van Drongelen, W.J.P.M. Fase & S.F.H. Jellinghaus, Individueel arbeidsrecht: Zutphen 2021, p. 72.
E. Verhulp & D.J.B. de Wolf (red.), Flexibele arbeidsrelaties (Monografieën Sociaal Recht nr. 25), Deventer 2017/3.3.5.2.
M. Faber, annotatie bij Ktr Limburg 23 oktober 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:10269, JAR 2017/300.
F.J.L. Pennings & L.C.J. Sprengers (red.), Ontslagrecht in hoofdlijnen (Monografieën Sociaal Recht nr. 72), Deventer 2020/8.3.2.
D.A.D. Mees, annotatie bij Ktr. Rotterdam 13 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4415, JIN 2016/167, pars. 3-5; D. van Deventer, ‘De aanzegplicht’, TvO 2017, p. 192-193 en 197; S.M. van der Meer, ‘Niet tijdig aangezegd, maar toch geen aanzegvergoeding verschuldigd’, Tijdschrift voor de Procespraktijk 2018/2, p. 63.
A.R. Houweling, Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch (2022), art. 668 aant. 1.
Gerechtshof Den Haag 13 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1847, AR-Updates.nl 2020-1225; Gerechtshof 's-Hertogenbosch 8 oktober 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3115, AR-Updates.nl 2020-1220; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 mei 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4783, AR-Updates.nl 2018-0614; Gerechtshof Den Haag 21 februari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:312, AR-Updates.nl 2018-0436.
Zie bijv. Ktr. Rotterdam 21 juli 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:7492, AR-Updates.nl 2021-0998; Ktr. Rotterdam 16 april 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3842, AR-Updates.nl 2021-0553; Ktr. Limburg (Roermond) 23 oktober 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:10269, JAR 2017/300 m.nt. M. Faber; Ktr. Midden-Nederland (Lelystad) 1 juni 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:2679, AR-Updates.nl 2017-0699; Ktr. Noord-Holland (Alkmaar) 18 maart 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:4074, AR-Updates.nl 2016-0517; Ktr. Rotterdam 23 december 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:9222, JIN 2016/74, m.nt. I. van Marrewijk; Ktr. Rotterdam 5 juni 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:3883, AR-Updates.nl 2015-0521.
Zie bijv. Ktr. Limburg (Maastricht) 26 mei 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:4974, AR-Updates.nl 2020-0857; Ktr. Amsterdam 17 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:549. AR-Updates.nl 2019-0176; Ktr. Oost-Brabant (’s-Hertogenbosch) 11 april 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:1834, AR-Updates.nl 2018-0499; Ktr. Den Haag (’s-Gravenhage) 14 februari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:978, AR-Updates.nl 2018-0243; Ktr. Overijssel (Almelo) 19 januari 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:212, AR-Updates.nl 2018-0129; Ktr. Overijssel (Zwolle) 16 januari 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:164, AR-Updates.nl 2018-0108; Ktr. Noord-Holland (Alkmaar) 15 november 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:9592, AR-Updates.nl 2017-1416; Ktr. Zeeland-West-Brabant (Tilburg) 28 juli 2017 ECLI:NL:RBZWB:2017:5811, AR-updates.nl 2017-1011; Ktr. Den Haag (’s-Gravenhage) 30 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:12927, AR-Updates.nl 2017-1498; Ktr. Rotterdam 13 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4415, AR-Updates.nl 2016-0640.
Zie onder meer HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2540, NJ 1998/363, m.nt. A.R. Bloembergen (Apeldoorn/Duisterhof); HR 25 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4942, NJ 2000/471 (FNV/ […]).
H.N. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid(Monografieën BW nr. A5), Deventer 2017/33.2.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 73 (Eindverslag I).
Meest recent, zie HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1845, JAR 2018/275, m.nt. H.H.M.A. Foesenek, rov. 3.4.2. Zie daarnaast onder meer HR 20 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0580, NJ 1989/322 (Wesselingh/Weisz); HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7122, NJ 2011/167 (Staalbankiers/ […]). Zie verder Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2018/417; W.L. Valk, T&C Burgerlijk Wetboek, aant. 4 bij art. 6:2 BW; H.N. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid(Monografieën BW nr. A5), Deventer 2017/5.36.1.
HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5695, RAR 2012/122(ABN AMRO/werknemer). Herhaald in HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1845, JAR 2018/275, m.nt. H.H.M.A. Foesenek, rov. 3.4.2.
HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5695, RAR 2012/122(ABN AMRO/werknemer); HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7122, NJ 2011/167 (Staalbankiers/ […]).
HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0384, NJ 2008/503 m.nt. E. Verhulp (…] / [….), rov. 3.4, herhaald in HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:364, JAR 2017/92, m.nt. C.F.J. van Tuyll van Serooskerken, rov. 3.4.2. Zie eerder, HR 31 maart 1978, ECLI:NL:HR:1978:AE1065, NJ 1978/325 m.nt. PZ (Goedegebuure/Dental Post); HR 9 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC0770, NJ 1979/467 m.nt. P.A. Stein; HR 1 juli 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4633, NJ 1984/88; HR 23 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0013, NJ 1988/234.
Beroepschrift 31‑08‑2021
PROCESINLEIDING IN EEN VERZOEKSCHRIFTPROCEDURE
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MAXS NL B.V., statutair gevestigd en kantoorhoudende te (3853 EC) Ermelo aan de Korte Haeg 71, verder te noemen: ‘Maxs’, in deze zaak te Den Haag woonplaats kiezende aan de Statenlaan 28 ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. H.J.W. Alt, die door haar ten deze tot haar advocaat wordt gesteld en als zodanig dit verzoekschrift ondertekent en indient;
dat gerequestreerde te dezen is [werknemer], hierna te noemen: ‘[werknemer]’, wonende aan [adres] te ([postcode]) [woonplaats], voor wie in hoger beroep als advocaat heeft opgetreden mr. J. van Overdam van FNV Advocaten, kantoorhoudende te (3543 AS) Utrecht aan de Hertogswetering 159 (postadres: postbus 9126, 3506 GC Utrecht);
dat dit verzoekschrift strekt tot het instellen van cassatie tegen de beschikkingen van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 12 oktober 2020 en 31 mei 2021, gewezen onder nummer 200.278.332, waarvan afschriften aan dit verzoekschrift worden gehecht, tussen [werknemer] als appellant en Maxs als geïntimeerde.
dat Maxs daartoe aanvoert aan het navolgende:
Middel van cassatie:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het Hof in de aangevallen beschikking heeft overwogen en beslist zoals hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd.
1. Kern van de zaak
1.1
Onderhavige zaak betreft de vraag of een werkgever een aanzegvergoeding verschuldigd is wanneer de betreffende werknemer uit de tijdig gedane mededelingen van werkgever voldoende duidelijk heeft begrepen dat zijn arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd, maar deze mededeling door werkgever niet schriftelijk is gedaan.
1.2
Bij verzoekschrift van 24 januari 2020 heeft [werknemer] de kantonrechter te Apeldoorn verzocht om Maxs te veroordelen om een vergoeding ter hoogte van één maandsalaris te betalen in verband met schending van de aanzegverplichting ex artikel 7:668 lid 3 BW.
1.3
Bij verweerschrift van 14 februari 2020 heeft Maxs aangegeven dat er op 30 oktober 2019 een gesprek tussen werknemer en werkgever heeft plaatsgevonden, waarin [werknemer] is medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst op 1 december 2019 niet zal worden verlengd. Dit is bij brief van 31 oktober 2020 bevestigd. Deze brief is per post verzonden en persoonlijk overhandigd. Er is dus voldaan aan artikel 7:668 lid 1 BW.
1.4
Op 20 februari 2020 heeft de zitting plaatsgevonden. Blijkens het pv van die zitting heeft [werknemer] erkend dat het gesprek waarin is gesproken over beëindigen of voortzetten dienstverband heeft plaatsgevonden. Ook is ter zitting aangegeven dat [werknemer] aansluitend werk heeft gevonden.
1.5
Bij beschikking van 12 maart 2020 heeft de rechtbank Gelderland locatie Apeldoorn het verzoek van [werknemer] afgewezen. Volgens de rechtbank staat vast dat de directeur van Maxs tijdens een gesprek op kantoor op 30 oktober 2019 [werknemer] helder en ondubbelzinnig heeft medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst vanaf en na 1 december 2019 niet zou worden voortgezet. Dit heeft [werknemer] ook zo begrepen en hij is daarna gaan solliciteren naar een andere baan, en is daarin ook aansluitend per 1 december 2019 geslaagd. Doordat er geen enkele onduidelijkheid heeft bestaan over het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst en deze mededeling tijdig is geschied zodat werknemer in de gelegenheid is geweest om te solliciteren en zo zijn inkomen veilig te stellen, heeft hij volgens de rechtbank door deze gang van zaken geen enkel nadeel ondervonden. In deze situatie is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [werknemer] met een beroep op het bepaalde in artikel 7:668 lid 3 BW aanspraak maakt op een door Maxs te betalen vergoeding wegens het niet schriftelijk alsnog informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst.
1.6
Tegen voormelde beschikking heeft [werknemer] op 15 mei 2020 hoger beroep ingesteld.
1.7
Op 29 juli 2020 heeft Maxs een verweerschrift ingediend.
1.8
Op 2 september 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden.
1.9
Bij beschikking van 12 oktober 2020, hierna de tussenbeschikking, heeft het hof Arnhem-Leeuwarden overwogen dat volgens de wetgever het uitgangspunt dat een werkgever zich goed moet gedragen met zich brengt dat de aanzegging schriftelijk moet worden gedaan. Het hof heeft Maxs toegelaten te bewijzen dat de brief is overhandigd en/of per post heeft verzonden en dat deze door [werknemer] is ontvangen.
1.10
Op 3 december 2020 heeft het getuigenverhoor plaatsgevonden, en daarna zijn memories genomen.
1.11
Bij beschikking van 31 mei 2021, hierna de eindbeschikking, heeft het hof geoordeeld dat Maxs niet in voormelde bewijsopdracht is geslaagd, de beschikking van de rechtbank vernietigd en Maxs veroordeeld tot betaling van de aanzegvergoeding.
1.12
Dit alles leidt tot de navolgende klachten.
2. Klachten
2.1
Het hof overweegt in rov. 4.4 t/m 4.6 van de tussenbeschikking dat, hoewel [werknemer] op 30 oktober 2019 uit de (mondelinge) mededelingen van [betrokkene 1] voldoende duidelijk had begrepen dat zijn arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd, hij vervolgens is gaan zoeken naar een andere baan en deze ook heeft gevonden, direct aansluitend aan het dienstverband waardoor hij geen nadeel heeft geleden doordat de aanzegging niet schriftelijk, maar mondeling is gedaan, het hof toch van oordeel is dat de aanzegging schriftelijk diende te geschieden, omdat het een rechtsregel van dwingend recht betreft en een rechtsgevolg in zo'n geval slechts onder bijzondere omstandigheden terzijde mag worden gesteld.
In rov. 3.10 van de eindbeschikking bouwt het hof daarop voort en ziet het geen aanleiding om op deze bindende eindbeslissing terug te komen.
Aldus oordelend geeft het hof hetzij blijk van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij is het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Dit om navolgende, ook in onderling verband te lezen redenen.
2.1.1
Artikel 7:668 BW luidt, voor zover van belang, als volgt:
- ‘1.
De werkgever informeert de werknemer schriftelijk uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt:
- a.
over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst; en
- b.
bij voortzetting, over de voorwaarden waaronder hij de arbeidsovereenkomst wil voortzetten.
- 2.
(…)
- 3.
Indien de werkgever de verplichting, bedoeld in lid 1, aanhef en onderdeel a, in het geheel niet is nagekomen, is hij aan de werknemer een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand. Indien de werkgever die verplichting niet tijdig is nagekomen, is hij aan de werknemer een vergoeding naar rato verschuldigd. De vergoeding is verschuldigd vanaf een maand na de dag waarop de verplichting op grond van lid 1 is ontstaan. De vergoeding is niet langer verschuldigd, indien de werkgever in staat van faillissement is verklaard, aan hem surseance van betaling is verleend of op hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is.
- 3.
(…)
- 4.
(…)
- 5.
(…)’
Het doel van de met de Wwz voor de werkgever ingevoerde verplichting om uiterlijk een maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst de werknemer te laten weten of hij de arbeidsovereenkomst zal voortzetten of niet, is om de werknemer meer zekerheid te bieden en hem tijdig in de gelegenheid te stellen om te zien naar ander werk.1. De regering ziet deze verplichting als een concretisering van het goed werkgeverschap.2. In de kamerstukken is hierover te lezen (onderstreept door mij, HJWA):
‘6. Aanzegtermijn3.
Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd eindigen in beginsel van rechtswege, tenzij schriftelijk is overeengekomen dat voorafgaande opzegging nodig is. Het is conform huidig recht aan de werkgever of en wanneer hij de werknemer informeert over zijn voornemen om de arbeidsrelatie al dan niet voort te zetten door het aanbieden van een nieuwe overeenkomst. Een werknemer met een tijdelijk contract is echter gebaat bij tijdige informatie van zijn werkgever over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Bij beëindiging van de arbeidsrelatie dient de werknemer immers op zoek te gaan naar ander werk.
Om de werknemer tijdig duidelijkheid te bieden, stelt de regering in dit wetsvoorstel voor om bij afloop van tijdelijke contracten van zes maanden of langer een wettelijke aanzegtermijn van één maand op te nemen. De werkgever dient de werknemer daardoor uiterlijk een maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege, schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst met de werknemer, alsmede over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst eventueel kan worden voortgezet. (…)
Bij niet naleving van de verplichting de werknemer schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst is de werkgever aan de werknemer een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon voor een maand en bij niet tijdige nakoming een vergoeding naar rato.(…)4.’
Zoals wel vaker bij de WWZ herhaalt de MvT telkens de wettekst zoals hierboven blijkt, maar ook uit de artikelsgewijze toelichting5. blijkt dat slechts de wet wordt herhaald. De zaak krijgt pas bij behandeling in de Eerste Kamer wat reliëf:
‘Het lid van de fractie van de SGP vraagt of de regering kan bevestigen dat van de werknemer verwacht mag worden dat hij naar de voornemens van de werkgever heeft gevraagd en zich daadwerkelijk op zijn rechten heeft beroepen. Tevens vraagt dit lid of de regering van mening is dat het onwenselijk is dat werknemers aanspraak kunnen maken op de vergoeding wanneer de werknemer niet voor het eindigen van de overeenkomst naar de voornemens van de werkgever heeft gevraagd en wanneer zelfs geen behoefte bestaat aan het voortduren van de overeenkomst. De regering heeft niet beoogd in de wet een plicht op te nemen die pas effect sorteert als degene die door die plicht wordt beschermd daar eerst zelf een beroep op moet doen. Wel staat het een werknemer uiteraard te allen tijde vrij om bij zijn werkgever te informeren naar diens intenties over het al dan niet voortzetten van het contract voor bepaalde tijd. Om de positie van de werknemer te versterken, wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat de mondelinge toezegging van de werkgever op dit punt wordt geformaliseerd via een schriftelijke aanzegplicht. Zo wordt voorkomen dat een werkgever weliswaar aan een werknemer toezegt om de arbeidsovereenkomst voort te zetten, maar deze toezegging vervolgens niet nakomt. Zonder deze aanzegplicht kan het ook voorkomen dat een werkgever zo lang mogelijk wacht met de mededeling dat er geen vervolgcontract zal worden aangeboden. Dit, veelal uit angst dat een dergelijke mededeling ten koste zal gaan van de inzet van de desbetreffende werknemer. Met de introductie van de aanzegplicht in artikel 7:668 BW is dat financieel niet meer aantrekkelijk voor de werkgever, aangezien de werkgever bij niet naleving van de aanzegplicht aan de werknemer een vergoeding verschuldigd is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon voor een maand en bij niet tijdige nakoming een vergoeding naar rato. Ten slotte merkt de regering op dat ook deze maatregel past in het streven de werkzekerheid van werknemers te bevorderen. Als zij op de hoogte zijn van het feit dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd, kunnen zij tijdig omzien naar een andere baan. 6.’
Het belang van de schriftelijkheid ziet de werkgever onder meer in de situatie dat een werkgever aangeeft met elkaar te willen doorgaan, zodat die werknemer de werkgever daaraan kan houden. Wordt wèl beëindigd dan gaat het erom dat de werknemer dat tijdig te horen krijgt, zodat de werknemer tijdig naar een andere baan kan omkijken7.:
‘De leden van de fractie van D66 vragen welk probleem wordt opgelost met de introductie van de aanzegtermijn in contracten voor bepaalde tijd en of het niet zo zou kunnen zijn dat de casusposities die hiermee in het leven worden geroepen eerder verstorend werken op de relatie dan dat ze bescherming bieden aan de werknemer. Deze leden vragen om bespreking van de voor- en nadelen. Zoals in de memorie van toelichting is toegelicht (pagina 20) eindigen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in beginsel van rechtswege, tenzij schriftelijk is overeengekomen dat voorafgaande opzegging nodig is. Het is conform huidig recht aan de werkgever of en wanneer hij de werknemer informeert over zijn voornemen om de arbeidsrelatie al dan niet voort te zetten door het aanbieden van een nieuwe arbeidsovereenkomst. Een werknemer met een tijdelijk contract is echter gebaat bij tijdige informatie van zijn werkgever over het al dan niet voortzetten van de overeenkomst. Bij beëindiging van de arbeidsrelatie dient de werknemer immers op zoek te gaan naar ander werk. Om de werknemer tijdig duidelijkheid te bieden, heeft de regering in voorliggend wetsvoorstel voorgesteld om bij afloop van tijdelijke contracten van zes maanden of langer een wettelijke aanzegtermijn van één maand op te nemen. De werkgever dient de werknemer daardoor uiterlijk een maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege, schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst met de werknemer, alsmede over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst eventueel kan worden voortgezet. De regering ziet niet in dat deze regeling verstorend zou werken op de relatie tussen werkgever en werknemer dan dat ze bescherming biedt aan de werknemer. In feite wordt niet meer geregeld dan wat van een goed werkgever mag worden verlangd, namelijk dat hij tijdig duidelijkheid verschaft over het al dan niet voortzetten van een tijdelijke arbeidsovereenkomst en wordt aan het niet nakomen van deze verplichting een sanctie gekoppeld. Werkgevers die dat uit eigen beweging ook nu al doen, ondervinden geen nadeel van de regeling en voor werkgevers bij wie dit thans minder gebruikelijk is, zal de regeling een stimulans zijn om hier in de toekomst wel toe over te gaan. Mocht de arbeidsrelatie worden voortgezet dan zal een werknemer, ook al was de werkgever te laat met de informeren, er omwille van de relatie waarschijnlijk niet snel toe overgaan om bij zijn werkgever, de sanctie op te eisen.’
Kortom: het gaat om het bevorderen van de werkzekerheid van werknemers. Letterlijk wordt dit aangegeven alsmede dat wanneer werknemers op de hoogte zijn van het feit dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd, zij tijdig kunnen omzien naar een andere baan. Het getuigt van goed werkgeverschap wanneer hij tijdig duidelijkheid over het al dan niet voortzetten verschaft en dat is in artikel 7:688 BW vastgelegd. De vraag is dan of een vergoeding ook verschuldigd is indien, zoals in de onderhavige zaak, de werkgever niet kan bewijzen dat hij de mededeling (ook) schriftelijk heeft gedaan, maar vaststaat dat aan [werknemer] op 30 oktober 2019 in een gesprek is gezegd dat de arbeidsovereenkomst met hem niet zou worden verlengd zodat het dienstverband met ingang van 1 december 2019 zou eindigen.8. Evenmin is in geschil dat [werknemer] tijdig naar ander werk is gaan zoeken en dat ook heeft gevonden.9. Van enig belang of schade, anders dan het ‘cashen’ van één maand omdat het geven van een schriftelijke mededeling niet is komen vast te staan, is geen sprake. Maxs heeft dan ook in feitelijke instanties zich erop beroepen dat een beroep op het schriftelijkheidsvereiste en het claimen van de maand salaris naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.10.
Deze stelling kan in de lagere rechtspraak op bijval rekenen. In Rb. Amsterdam 17 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:549, achtte de rechter een veroordeling van de werkgever tot betaling van de aanzegvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De werknemer had erkend dat hij in een gesprek op 20 augustus 2018 van het niet-voortzetten van de arbeidsovereenkomst op de hoogte was gesteld. Bovendien had hij in zijn e-mails van 20 en 30 augustus 2018 zelf met zoveel woorden bevestigd dat zijn arbeidsovereenkomst per 9 oktober 2018 niet zou worden verlengd. Ook in Ktr. Rotterdam 13 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4415, achtte de rechter een veroordeling van de werkgever tot betaling van de aanzegvergoeding namelijk naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het was voor de werknemer, over wiens functioneren kritiek was geuit en die al langdurig was ontheven van de verplichting om de werkzaamheden te verrichten, voldoende duidelijk geweest dat de werkgever het contract niet wilde verlengen. Toen een werkgever in een andere zaak mondeling een voortzetting had aangeboden van de arbeidsovereenkomst en de werknemer deze afwees omdat hij al ander werk had gevonden, wees de rechter het verzoek tot betaling van een maandsalaris wegens het niet nakomen van de aanzegverplichting af. Het beroep van de werknemer werd ook hier naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geacht, zie Rb. Zeeland-West-Brabant 17 augustus 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:5811. Een vergelijkbaar oordeel is te vinden in Rb. Limburg 26 mei 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:4974, Rb. Oost-Brabant 11 april 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:1834 en in Rb. Den Haag 14 februari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:978. In Hof Den Haag 27 februari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:314 wordt overwogen dat als het voor de werknemer ‘van meet af aan en voortdurend glashelder’ moet zijn geweest dat de arbeidsovereenkomst op de einddatum zou eindigen, de schriftelijkheidseis geen waarborgfunctie heeft en niet meer is dan het voldoen aan een formaliteit. Dan is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de werknemer recht heeft op de aanzegvergoeding.11.
2.1.2
Artikel 6:2 lid 2 BW luidt:
‘Een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.’
Door deze bepaling kunnen, volgens de wetgever, op grond van de redelijkheid en billijkheid niet alleen aanvullende wetsbepalingen terzijde worden gelaten, maar ook bevoegdheden van schuldeiser of schuldenaar die berusten op dwingende wetsbepalingen. Dit volgt volgens de GS12. duidelijk uit: Eindverslag I, Parl. Gesch., p. 72–73. Vergelijk verder: Asser/Sieburgh 6-III 2018/416 e.v.; H.N. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/5.36.1.
Wel dient de rechter daarbij terughoudendheid te betrachten: HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1845, JAR 2018/275, m.nt. H.H.M.A. Foesenek:
‘De rechter dient bij de beoordeling of de toepassing van een wettelijke regel in een bepaald geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:2 lid 2 BW of art. 6:248 lid 2 BW), terughoudendheid te betrachten. Dit geldt te meer indien het gaat om een regel van dwingend recht (zie onder meer HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7122, NJ 2011/167, rov. 3.8 en HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5695, NJ 2012/396, rov. 4.2.1). Als in de wettelijke regel al een afweging van belangen door de wetgever besloten ligt, zal een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ten aanzien van die belangen alleen in uitzonderlijke gevallen kunnen slagen (vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 73 en HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:729, rov. 3.8.1).’
In casu ligt er geen afweging van belangen door de wetgever besloten, dus die beperking is in casu niet aan de orde. Asser 6-III Algemeen overeenkomstenrecht, 417 (onderstreept door mij-HJWA):
‘(…) Bij het oordeel of het beroep op een regel onaanvaardbaar is, moet derhalve de aard van die regel worden meegewogen. Hierbij valt in dit verband niet slechts te denken aan de vraag of een wetsbepaling van dwingend recht is, doch ook aan de aard van het door de dwingende regel beschermde belang en aan omstandigheden die in de afwegingen van de wetgever zijn verdisconteerd. De geciteerde rechtspraak laat zien dat de beperkende werking in stelling gebracht pleegt te worden tegen een beroep op beschermingsbepalingen, maar zij is ook denkbaar ten aanzien van dwingende regels die algemene belangen of de rechtszekerheid beogen te bevorderen; men zie bijvoorbeeld HR 5 november 1982, NJ 1984/125; alsmede HR 17 september 1982, NJ 1983/195, waarin de Hoge Raad de mogelijkheid openlaat dat in een vennootschappelijke rechtsbetrekking de redelijkheid en billijkheid in de weg staan aan een beroep op de nietigheid van de overdracht van aandelen in een BV. Vgl. ook Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 72 e.v.; Abas, WPNR 1984/5692, p. 215; De Graaff, RMThemis 2016, p. 202 (die pleit voor invulling van de redelijkheid en billijkheid aan de hand van door het EVRM beschermde rechten). Zie voor een beroep op redelijkheid en billijkheid in verband met verjarings- en vervaltermijnen Asser/Sieburgh6-II 2017/365, 380a, 398, 401, 414, 426, 436 en 438 met verdere verwijzingen.’
2.1.3
De door partijen ter zake aangevoerde relevante stellingen zijn de volgende. In het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 3 december 2020 is in de verklaring van [werknemer] te lezen:
‘Op 30 oktober 2019 heeft er een gesprek plaatsgevonden waarin is gezegd dat mijn contract niet werd verlengd.’
In het verzoekschrift eerste aanleg13.:
‘Op 30 oktober 2019 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [werknemer] en Maxs NL waarin door Maxs NL is aangegeven dat de arbeidsovereenkomst met [werknemer] niet zou worden verlengd.’
In de zittingsaantekeningen14.:
‘Rechter: U heeft aansluitend werk gevonden?
[werknemer]: Ja, ik heb 1 dag vrij gehad voor het solliciteren. Of misschien 2 dagen.’
In het beroepschrift15.:
‘1.7.
[werknemer] erkent dat [betrokkene 1] hem in een gesprek op 30 oktober 2019 heeft laten weten dat zijn arbeidsovereenkomst in principe niet zou worden verlengd vanwege de stikstofcrisis en de daarmee verband houdende onzekerheid over het behoud van enkele grote opdrachtgevers c.q. het aantal opdrachten in 2020 (…).
3.8
(…) Anders gesteld: de aanzegplicht is in de wet opgenomen om de werknemer met een tijdelijk contract niet tot het einde toe in onzekerheid te laten over het wel of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst na ommekomst van de (overeengekomen) duur.’
In het verweerschrift16.:
- ‘2.
Ondanks het feit dat het onomstotelijk vaststaat dat [werknemer] in het gesprek van 30 oktober 2019 mondeling is medegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd ([werknemer] is naar aanleiding van dat gesprek ook op zoek gegaan naar een andere dienstbetrekking, die hij met ingang van 1 december 2020 ook heeft gevonden) heeft [werknemer] om hem moverende redenen zich op het standpunt gesteld dat hij recht zou hebben op de aanzegvergoeding als bedoeld in art. 7:668 lid 3 BW, omdat Maxs NL hem niet schriftelijk heeft medegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst niet zou voortzetten.’
In het P-V van de comparitie bij het Hof17.:
‘Mr. Chel: (…) De conclusie is dat als aan alle voorwaarden is voldaan, zodat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat Maxs een aanzegvergoeding moet betalen.
[werknemer]: De 30e moest ik bij [betrokkene 1] op kantoor komen. [betrokkene 1] deelde mede dat mijn arbeidscontract voor de functie die ik toen vervulde, niet per 1 december 2019 zou worden voortgezet.’
En in de memorie na enquête18.:
- ‘6.
Wat naar de mening van Maxs NL in casu van groot belang is, is dat zowel [werknemer] als [werknemer] wederom uitdrukkelijk hebben verklaard dat zij op 30 oktober 2019 een gesprek hebben gehad met meneer [betrokkene 1] over het niet verlengen van hun arbeidsovereenkomst. Ook dit sluit aan met hetgeen Maxs NL heeft verklaard. Bij beide heren bestond derhalve geen enkele twijfel over het niet continueren van hun dienstbetrekking bij Max NL, iets dat zij al meerdere malen tijdens de procedure hebben bevestigd.’
Maxs heeft meermaals gesteld dat onder deze feiten en omstandigheden, zoals ook door meerdere rechtbanken is bepaald, de schriftelijkheidseis wel degelijk opzij gezet kan worden. 19.
2.1-Ia
Dit onderdeel is gericht tegen de rovv. 4.4 — 4.6 van de tussenbeschikking, waarin het hof van mening is dat het oordeel van de kantonrechter dat een beroep op het schriftelijkheidsvereiste en het claimen van de maand salaris naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (rov 4.4.)20. en vervolgens in rov 4.5 vaststelt dat in dit geval [werknemer]:
- —
op 30 oktober 2019 uit de (mondelinge) mededelingen van [betrokkene 1] voldoende duidelijk begrepen had dat zijn arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd.
- —
[werknemer] vervolgens is gaan zoeken naar een andere baan, en — hij heeft deze gevonden en
- —
hij direct aansluitend aan het dienstverband met Maxs per 1 december 2019 een andere baan had, zodat
- —
hij met andere woorden geen nadeel heeft geleden doordat de aanzegging niet schriftelijk, maar mondeling is gedaan.
en vervolgens overweegt in rov. 4.5 van de tussenbeschikking dat ‘gezien het voorgaande het redelijk lijkt om in dit geval door de vingers te zien dat Maxs de mededeling niet schriftelijk heeft gedaan’. Om dan te oordelen in rov 4.6:
‘4.6
Waarom kiest het hof dan toch een andere weg? In dit verband moet allereerst goed voor ogen worden gehouden dat de rechter het (rechts)gevolg van een regel, zoals in dit geval het verschuldigd worden van de aanzegvergoeding door Maxs omdat zij geen schriftelijke mededeling heeft gedaan, niet al terzijde mag stellen wanneer dit redelijk is. Een rechtsgevolg mag enkel aan de kant worden geschoven wanneer het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Aan deze zware eis is volgens het hof onder de gegeven omstandigheden niet voldaan. Het rechtsgevolg in kwestie vloeit niet voort uit zomaar een (contractuele) regel, maar uit een wettelijke bepaling van dwingend recht (dat wil zeggen een bepaling waarbij niet ten nadele van de werknemer in het arbeidscontract kan worden afgeweken). In zo'n geval mag een rechtgevolg slechts onder bijzondere omstandigheden terzijde worden gesteld (dat heeft de hoogste rechter in Nederland op dit terrein, de Hoge Raad, een aantal keren bepaald21.). Die ruimte wordt helemaal klein wanneer de wetgever bij het opstellen van de wettelijke regel waaruit het rechtsgevolg voortvloeit, de belangen in kwestie al heeft meegewogen. Dit is bij artikel 7:668 BW het geval. Zoals hierboven al wordt overwogen is de aanzegplicht in de wet opgenomen om een werknemer met een tijdelijk contract niet tot het einde toe in onzekerheid te laten over het wel of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst na ommekomst van de (overeengekomen) duur. Volgens de wetgever brengt het uitgangspunt dat een werkgever zich goed moet gedragen (‘goed werkgeverschap’) met zich dat de aanzegging schriftelijk moet worden gedaan. Als dit niet het geval is, dan is volgens de tekst van de wet en de memorie van toelichting het gevolg dat een aanzegvergoeding moet worden betaald. Letterlijk hierover in de memorie van antwoord22.: ‘Om de positie van de werknemer te versterken wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat de mondelinge toezegging van de werkgever op dit punt wordt geformaliseerd via een schriftelijke aanzegplicht‘. De wetgever heeft er met andere woorden expliciet voor gekozen dat een mondelinge aanzegging niet voldoende is. De wettelijke bepaling waarin die keuze is vastgelegd is van recente datum en de invoering van de wet Arbeidsmarkt in Balans is geen aanleiding geweest deze bepaling te wijzigen (zoals wel bij een aantal andere recent ingevoerde bepalingen is gebeurd). Gezien deze argumenten houdt het hof in dit geval toch vast aan de wettelijke ‘hard and fast rule’. Ten overvloede merkt het hof nog op dat de (rechts)praktijk ook gebaat kan zijn bij (in beginsel) onverkorte toepassing van de schriftelijkheidseis omdat daardoor geschillen over de verschuldigdheid van de (vaak betrekkelijke geringe) aanzegvergoeding kunnen worden vermeden.’
En de daarop voortbouwende rov 3.10 van de eindbeschikking waar het hof niet terugkomt op zijn oordeel van de tussenbeschikking, alsmede het dictum van de eindbeschikking.
Hoofdklacht
- a.
Het hof miskent, aldus oordelend in rovv 4.4.- 4.6 van de tussenbeschikking, gelet op het in onderdeel 2.1.3 aangehaalde debat, het gestelde in onderdeel 2.1.1 in samenhang met onderdeel 2.1.2, te weten de aard en strekking van de aanzegging van artikel 7:668 lid 1 en 3 BW die immers voor de onderhavige situatie (dus in het geval waarbij de tijdelijke arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd) ziet op het bevorderen van de werkzekerheid van werknemers, zodat werknemers op de hoogte zijn van het feit dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd en zij aldus tijdig kunnen omzien naar een andere baan, waarbij het volgens de wetgever van goed werkgeverschap getuigt wanneer een werkgever tijdig duidelijkheid over het al dan niet voortzetten verschaft.
- b.
Het hof miskent aldus in rovv 4.4.- 4.6 van de tussenbeschikking het gestelde in onderdeel 2.1.2, te weten dat voor de vraag of in casu een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid ter zake van een regel van dwingend recht de aard van die regel moet worden meegewogen, waarbij ook valt te denken aan de aard van het door de dwingende regel beschermde belang en aan omstandigheden die in de afwegingen van de wetgever zijn verdisconteerd, dat wil in casu zeggen de strekking van de wet, de gevolgen die de wet heeft willen regelen en of de werknemer door het achterwege gelaten hebben c.q. het niet kunnen bewijzen dat de mededeling ook schriftelijk is gedaan op enigerlei wijze is geschaad of nadeel heeft geleden. Indien het hof dat niet heeft miskend, heeft het zijn beslissing ontoereikend gemotiveerd, althans is het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
- c.
Het oordeel in rovv. 4.5 en 4.6 van de tussenbeschikking dat er hier sprake is van een rechtsgevolg ‘dat niet redelijk is’, maar niet van een rechtsgevolg dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat aan deze zware eis, volgens het hof, onder de gegeven omstandigheden niet is voldaan, omdat, aldus in rov 4.6 van de tussenbeschikking (cijfers door mij, HJWA):
- (1)
Het rechtsgevolg in kwestie niet voortvloeit uit zomaar een (contractuele) regel, maar uit een wettelijke bepaling van dwingend recht (dat wil zeggen een bepaling waarbij niet ten nadele van de werknemer in het arbeidscontract kan worden afgeweken).
- (2)
In zo'n geval mag een rechtgevolg slechts onder bijzondere omstandigheden terzijde worden gesteld (dat heeft de hoogste rechter in Nederland op dit terrein, de Hoge Raad, een aantal keren bepaald).
- (3)
Die ruimte wordt helemaal klein wanneer de wetgever bij het opstellen van de wettelijke regel waaruit het rechtsgevolg voortvloeit, de belangen in kwestie al heeft meegewogen. Dit is bij artikel 7:668 BW het geval. Zoals hierboven al wordt overwogen is de aanzegplicht in de wet opgenomen om een werknemer met een tijdelijk contract niet tot het einde toe in onzekerheid te laten over het wel of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst na ommekomst van de (overeengekomen) duur. Volgens de wetgever brengt het uitgangspunt dat een werkgever zich goed moet gedragen (‘goed werkgeverschap’) met zich dat de aanzegging schriftelijk moet worden gedaan. Als dit niet het geval is, dan is volgens de tekst van de wet en de memorie van toelichting het gevolg dat een aanzegvergoeding moet worden betaald. Letterlijk hierover in de memorie van antwoord: ‘Om de positie van de werknemer te versterken wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat de mondelinge toezegging van de werkgever op dit punt wordt geformaliseerd via een schriftelijke aanzegplicht’. De wetgever heeft er met andere woorden expliciet voor gekozen dat een mondelinge aanzegging niet voldoende is. De wettelijke bepaling waarin die keuze is vastgelegd is van recente datum en de invoering van de wet Arbeidsmarkt in Balans is geen aanleiding geweest deze bepaling te wijzigen (zoals wel bij een aantal andere recent ingevoerde bepalingen is gebeurd). Gezien deze argumenten houdt het hof in dit geval toch vast aan de wettelijke ‘hard and fast rule’.
- (4)
Ten overvloede merkt het hof nog op dat de (rechts)praktijk ook gebaat kan zijn bij (in beginsel) onverkorte toepassing van de schriftelijkheidseis omdat daardoor geschillen over de verschuldigdheid van de (vaak betrekkelijke geringe) aanzegvergoeding kunnen worden vermeden.
is rechtens onjuist, niet alleen om de hierboven sub a en b genoemde redenen, maar onder meer ook omdat de rechter er hier geen sprake is van een extra terughoudende toets omdat de wetgever ‘de belangen in kwestie’ al heeft meegewogen.
Althans heeft het hof geen inzicht, althans onvoldoende gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
Toelichting en verdere uitwerking.
Ad a.
- 1.
Het hof miskent in rovv. 4.4 t/m 4.6 van de tussenbeschikking dat het voor de toetsing ex artikel 6:2 lid 2 BW moet kijken naar de strekking van deze wet en de bedoeling van de wetgever voor de onderhavige situatie. Deze is, zoals blijkt uit onderdeel 2.1.1, in casu niet, althans niet zozeer is dat een werknemer tijdig een brief krijgt en in casu evenmin dat de werknemer met een mondelinge toezegging tot verlenging zonder schriftelijke bevestiging daarvan tot het allerlaatste moment in onzekerheid blijft of er sprake is van een verlenging. In een geval als het onderhavige beoogt de wet (juist) te regelen dat de werknemer er tijdig van op de hoogte wordt gebracht dat hij moet gaan solliciteren omdat zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet wordt verlengd en dus van rechtswege afloopt, zodat hij aansluitend aan het werk kan in een andere betrekking. Het gaat, zoals blijkt uit de in onderdeel 2.1.1 aangehaalde parlementaire geschiedenis, om het bevorderen van werkzekerheid en het stimuleren van de werkgever aan zijn ex artikel 7:611 BW volgende plicht te voldoen de werknemer tijdig te informeren dat zijn arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd en dat hij dus moet gaan solliciteren.23. Daarbij citeert het hof voor de uiteindelijke beoordeling in rov 4.6 slechts een klein, in casu niet relevant c.q. van toepassing zijnde, gedeelte uit de kamerstukken (memorie van antwoord), terwijl het hof het wèl relevante gedeelte in rov 4.5 wel lijkt aan te stippen, maar kennelijk uiteindelijk niet, althans niet kenbaar in zijn beoordeling in rov 4.6 betrekt. Het in rov 4.6 verwoorde ‘versterken van de positie van werknemer’ ziet, blijkens de rest van de tekst in de memorie van antwoord, op een andere situatie, namelijk wanneer een werkgever weliswaar aan een werknemer aanvankelijk toezegt om de arbeidsovereenkomst voort te zetten, maar deze toezegging vervolgens niet nakomt. In dat geval is inderdaad de werkzekerheid in gevaar, omdat een werknemer dan niets zwart op wit heeft ten aanzien van die verlenging. In een geval van (tijdige) aanzegging dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd, is die schriftelijkheid voor de mededeling irrelevant, nu een werknemer voor het einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege niet afhankelijk is van de werkgever: hij kan indien de werkgever alsnog aangeeft te willen verlengen daarmee hetzij alsnog instemmen, hetzij aangeven dat te weigeren, waardoor de verlenging niet tot stand komt.
- 2.
De onder 1 genoemde bedoeling waar het in de onderhavige situatie om gaat is dus een andere dan het hof in rov 4.6 van de tussenbeschikking aanhaalt ter toetsing van de vraag of het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid in casu moet worden gehonoreerd. De bedoeling waaraan het hof niet toetst en die hierboven onder 1 is beschreven, betreft dus de invulling aan het beginsel van goed werkgeverschap dat een werknemer tijdig op de hoogte wordt gesteld dat hij een andere betrekking moet zoeken, omdat deze niet wordt verlengd. Deze bedoeling van de wet miskent het hof in rov 4.6, althans laat deze onbesproken, terwijl het deze in rov. 4.5 wel aanstipt, althans neemt het deze bedoeling niet, althans niet, dan wel onvoldoende kenbaar in zijn overweging in rov 4.6 op. Indien het hof het e.e.a. wel heeft meegewogen, is het oordeel in rovv 4.4. t/m 4.6 zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
- 3.
Aan deze onder 1 beschreven, niet getoetste bedoeling, wordt in de onderhavige zaak — zo blijkt uit de door het hof in rov 4.5 vastgestelde feiten — volledig voldaan: [werknemer] was op 30 oktober 2019 volledig op de hoogte van het feit dat zijn arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd, hetgeen hij ook erkent en hetgeen ook blijkt uit het feit dat hij direct is gaan zoeken naar een andere baan en deze ook heeft gevonden, direct aansluitend aan het dienstverband.
- 4.
Aldus miskent het hof dat aan de bedoeling van de wetgever voor deze situatie tijdig is voldaan. In dat verband voegt de schriftelijkheidseis niets toe aan de — reeds bereikte — doelstelling van de wetgever, namelijk bewerkstelligen — in het kader van het goed werkgeverschap — dat de werknemer tijdig wordt geïnformeerd.
Ad b.
- 5.
Het gestelde sub 1 t/m 4 betekent dat (1) nu vast is komen te staan dat een werknemer tijdig van het einde van zijn contract (zoals in casu méér dan één maand tevoren) daadwerkelijk op de hoogte is gebracht en (2) aan de geest van de wet en de bedoeling van de wetgever is voldaan, het, anders dan het hof overweegt, gelet op de in onderdeel 2.1.2 vermelde maatstaf naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien een werknemer dan alsnog een maandsalaris kan claimen vanwege het enkele feit dat die aanzegging mondeling is gebeurd en niet schriftelijk, althans dat de werkgever, na ontkenning door de werkgever, niet kan bewijzen dat hij de brief daadwerkelijk heeft overhandigd en/of naar het huisadres van de werknemer heeft gestuurd. Immers deze bepaling is nu juist bedoeld voor die situatie waarbij aan de wettelijke bedoeling in de gegeven situatie geheel is voldaan, op een formaliteit na die in casu niets bijdraagt.
- 6.
Gesteld noch gebleken in de parlementaire geschiedenis dat sprake is van een ‘hard en fast rule’ en dat de wetgever op het sec niet voldoen aan de schriftelijkheidseis reeds een boete van een maandsalaris heeft willen stellen ongeacht de vraag of aan de strekking van de wet in de gegeven situatie volledig is voldaan (zie hierna ook onder ad. c). Het hof gaat in dat verband in rov 4.6 dus van een onjuiste rechtsopvatting uit. In het geval dat volledig aan de strekking van de wet in het gegeven geval is voldaan en er uitsluitend sprake is van een niet in acht genomen formaliteit, kan juist wel op grond van artikel 6:2 lid 2 BW de wettelijke eis van schriftelijkheid opzij worden gezet. Het gaat immers om het feit dat de werknemer daadwerkelijk en tijdig wordt gewaarschuwd voor het einde van zijn dienstbetrekking. Dit volgt ook uit het feit dat op een te late mededeling een naar rato vergoeding is verschuldigd. Daaruit volgt dat de bedoeling primair is gelegen in het feit dat de mededeling (ook uit hoofde van goed werkgeverschap) tijdig wordt gedaan. De schriftelijkheidseis heeft dan meer het karakter van een bewijsrechtelijk hulpmiddel voor de werknemer die stelt dat hem in het geheel niets is medegedeeld en de werkgever met een aantal werknemers komt die beweren dat dit wel is gebeurd. Wanneer de tijdige mededeling echter heeft plaatsgevonden, dit ziet op het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst, dit geen voorwerp van discussie is en de werknemer daarnaar heeft geacteerd, voegt die schriftelijkheidseis niets toe aan de bedoeling van (de wetgever bij) de bepaling.
- 7.
Zoals het hof Den Haag overwoog, beoogt de schriftelijkheidseis geen waarborgfunctie als het de werknemer duidelijk was dat de arbeidsovereenkomst op de einddatum zou eindigen.24. Dan is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de werknemer recht heeft op de aanzegvergoeding.25. De rechter dient blijkens rechtspraak van Uw Raad weliswaar terughoudendheid toe te passen26., maar de redelijkheid en billijkheid kunnen een dwingende rechtsregel corrigeren.27. Zoals in de Wenk onder de beschikking van het hof 's‑Hertogenbosch van 8 oktober 2020 is aangegeven28.:
‘Slechts wanneer geen enkele twijfel meer zou kunnen bestaan over het niet-voortzetten van de arbeidsovereenkomst, kan rechtsgeldig een beroep worden gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. In veel gevallen zal niet aan die maatstaf worden voldaan, juist omdat de volstrekte helderheid van een mondelinge aanzegging voor een werkgever lastig te bewijzen is.’
- 8.
En zoals het Hof Den Haag overwoog29. dat als het voor de werknemer ‘van meet af aan en voortdurend glashelder’ moet zijn geweest dat de arbeidsovereenkomst op de einddatum zou eindigen, de schriftelijkheidseis geen waarborgfunctie heeft en niet meer is dan het voldoen aan een formaliteit. Dan is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de werknemer recht heeft op de aanzegvergoeding. Verder kan blijkens de jurisprudentie de aanzegging ook de vorm aannemen van de bevestiging van een opzegging door de werknemer30..
Ad c
- 9.
Rechtens onjuist is het oordeel in rov 4.6 sub (3) dat de wetgever bij het opstellen van de wettelijke regel de belangen zoals in casu aan de orde is, al heeft meegewogen, zodat er sprake zou zijn van een nòg verdergaande terughoudende toets. En al in het geheel blijkt niet uit de parlementaire geschiedenis dat de wetgever heeft beoogd dat als door de werkgever tijdig aan de aanzegging bij beëindiging is voldaan, er toch een vergoeding verschuldigd is indien niet vast komt te staan dat dit schriftelijk is gebeurd, zodat dit aan een toepassing van artikel 6:2 tweede lid BW, vanwege de hoge drempel, in de weg zou staan.
- 10.
Het hof oordeelt in rov 4.6 sub (3) dat het feit dat er al een belangenafweging zou hebben plaatsgevonden zou moeten blijken uit het regelen van een andere situatie, te weten dat een werknemer tijdig ‘op schrift heeft’ dat de arbeidsrelatie wordt voortgezet. Dit oordeel is onbegrijpelijk want die belangenafweging volgt daar in het geheel niet uit. De wetgever geeft aan dat een werknemer in die situatie, te weten dat hij te horen krijgt dat de arbeidsovereenkomst wordt verlengd, er belang bij heeft dat hij dit tijdig op schrift krijgt, zodat de werkgever daar niet op het allerlaatste moment op terug kan komen en de werknemer dan geen tijd meer heeft om tijdig iets anders te zoeken en dat een werkgever in het kader van het goed werkgeverschap tijdig moet melden. Een afweging van belangen in het geval dat hier aan de orde is, te weten dat er tijdig is aangezegd dat er niet wordt verlengd en dat dit ook tussen partijen vast staat, blijkt daar er al helemaal niet uit.
- 11.
Nu het dus in de onderhavige zaak gaat om en staat vast dat op 30 oktober 2019 is medegedeeld aan de werknemer dat het contract niet werd verlengd, alsook dat hij daadwerkelijk is gaan solliciteren en tijdig een baan heeft gevonden. Dat is in casu de afweging en gesteld noch gebleken is dat de wetgever voor dat geval een keuze heeft willen maken die gebaseerd is op een belangenafweging. In dat geval getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof, indien slechts een in casu niet ter zake doende formaliteit ontbreekt, maar de doelstellingen — tijdige informatie en werkbevordering — zijn bereikt, desalniettemin van oordeel is dat, gelet op de terughoudende toets van artikel 6:2 lid 2 BW, de vordering niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In dat geval is rechtens onjuist en onbegrijpelijk hetgeen het hof in rov. 4.6 sub (4) overweegt, te weten dat de rechtspraktijk gebaat zou zijn met een onverkorte toepassing van de schriftelijkheidseis om geschillen met een vaak betrekkelijk geringe aanzeggingsvergoeding tegen te gaan.
- 12.
Immers de achterliggende gedachte van deze bepaling in het tweede lid van artikel 6:2 BW is een broodnodig ventiel31. waarbij de rechter een civiele partij kan beschermen tegen een volstrekt onredelijke, onlogische toepassing van een wetsartikel in het geval de redelijkheid en het gezond verstand aangeven dat die regel in de onderhavige situatie volstrekt onredelijk is.
- 13.
Zeker nu de wetgever een werkgever niet heeft willen straffen voor het geval hij niet kan bewijzen dat hij schriftelijk tijdig heeft aangezegd, maar heeft beoogd om de werkgever aan te zetten tijdig te informeren, opdat die werknemer kan gaan solliciteren, getuigt het van een onjuiste, want te zware maatstaf, dat het hof deze situatie als ‘niet zwaar genoeg’ wel minder redelijk' vindt (rov 4.5 en 4.6 van de tussenbeschikking) maar niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, mede omdat het zou gaan om een ‘hard en fast rule’ (rov 4.6 usb (3) in fine). Dat laatste getuigt evenzeer van een onjuiste rechtsopvatting, nu dit niet blijkt uit de wetsgeschiedenis en een ‘hard en fast rule’ nimmer ertoe kan leiden dat daarmee artikel 6:2 lid 2 BW buiten werking kan worden gesteld. De rechter moet zich te allen tijde — ook bij hard en fast rules — afvragen, zeker aan de hand van het daartoe gehouden debat, of onverminderde toepassing van een regeling niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
- 14.
Het hof heeft dit alles in rovv 4.4 t/m 4.6 hetzij miskend, hetzij heeft het hof geen inzicht, althans onvoldoende gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
- 15.
Dit vitiëert ook rov. 3.10 van de eindbeschikking waarin het hof zonder nadere motivering oordeelt dat het de argumenten van Maxs om het hof ertoe te bewegen terug te komen op de verwerping van het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de tussenbeschikking, heeft het hof dit hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven. De motiveringsklacht wordt hieronder nog verder uitgewerkt in onderdeel 2.1-Ib.
2.1-Ib
Het oordeel dat de aanzegging schriftelijk dient te geschieden is des te meer onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, nu het hof in r.o. 4.5 en 4.6 van de tussenbeschikking voormelde doelstelling, zoals vermeld in onderdeel 2.1.1 onderkent door te overwegen:
‘4.5
(…) De gedachte achter het door een werkgever verschuldigd worden van een aanzegvergoeding wanneer hij de werknemer niet een maand voor het verstrijken van de overeenkomst voor bepaalde tijd schriftelijk heeft medegedeeld of deze al dan niet zal worden verlengd, is dat voor de werknemer (tenminste) een maand voor het verstrijken van de overeenkomst duidelijk is of deze zal worden voortgezet. De werknemer kan dan — wanneer dit niet het geval is — maatregelen nemen om zijn inkomen veilig te stellen. In […] dit geval had [werknemer] op 30 oktober 2019 uit de (mondelinge) mededelingen van [betrokkene 1] voldoende duidelijk begrepen dat zijn arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. [werknemer] is vervolgens gaan zoeken naar een andere baan, heeft deze gevonden en had — direct aansluitend aan het dienstverband met Maxs — per 1 december 2019 een andere baan. [werknemer] heeft met andere woorden geen nadeel geleden doordat de aanzegging niet schriftelijk maar mondeling is gedaan. Gezien het voorgaande lijkt het redelijk om in dit geval door de vingers te zien dat Maxs de mededeling niet schriftelijk heeft gedaan.
4.6.
(…) Zoals hierboven al wordt overwogen is de aanzegplicht in de wet opgenomen om een werknemer met een tijdelijk contract niet tot het einde toe in onzekerheid te laten over het wel of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst na ommekomst van de (overeengekomen) duur.’
Door in r.o. 4.6 van de tussenbeschikking te oordelen dat de aanzegging schriftelijk diende te geschieden, omdat het een rechtsregel van dwingend recht betreft en een rechtsgevolg in zo'n geval slechts onder bijzondere omstandigheden terzijde mag worden gesteld, heeft het hof voormelde doelstelling van de regeling miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
2.2
Het slagen van één of meer van de bovengenoemde klachten brengt dus mee dat de bewijsopdracht van rov 4.7 — 4.11 en het dictum van de tussenbeschikking, verder uitgewerkt in de eindbeschikking in rovv 1.1 t/m 3.8 achterwege had kunnen blijven en vitiëert rovv. 3.9 t/m 5.8, waaronder het dictum van de eindbeschikking, die eveneens niet in stand kunnen blijven.
Redenen waarom
Verzoekster tot cassatie zich wendt tot Uw Raad met het eerbiedig verzoek de beschikkingen van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 12 oktober 2020 en 31 mei 2021, gewezen onder nummer 200.278.332, waartegen opgemeld middel is gericht, te vernietigen met zodanige verdere uitspraak als naar het oordeel van Uw Raad behoort te worden gegeven; Kosten rechtens!
's‑Gravenhage, 31 augustus 2021
advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 31‑08‑2021
Zie o.a. Verhulp, T&C BW, commentaar op art. 7:668 BW
Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 53.
Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 20.
Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 21.
Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3 p. 94–95.
Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 79
Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 53
Zie inleidend verzoekschrift rnr. 6.
Verweerschrift in appel rnr 20 verwijzend naar de beschikking in eerste aanleg.
Zie onder meer verweerschrift in appel rnr. 22.
Overgenomen uit: Arbeidsovereenkomst, art. 7:668 BW, aant. 4.3
GS Verbintenissenrecht, art. 6:2 BW, aant. 3.5 (M. Vriend — bew.).
Verzoekschrift ex art. 7:668 BW d.d. 24 januari 2020
Zittingsaantekeningen bij proces-verbaal rechtbank Gelderland 20 februari 2020, pagina 6
Hoger beroepschrift WWZ 15 mei 2020, pagina 2 en pagina 10
Verweerschrift WWZ 29 juli 2020, pagina 2
P-V comparitie hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 2 september 2020, pagina 4 en 6
Memorie na enquête van 25 februari 2021, pagina 3
Onder meer verweerschrift in appel rnr 22.
[werknemer] beroept zich daarop onder meer in het verweerschrift in appel rnr. 22.
Zie HR 18 mei 2018; ECLI:NL:HR:2018:729 en HR 5 oktober 2018; ECLI:NL:HR:2018:1845
Vindplaats: Kamerstukken I 2013/14, 33 818, C, p. 79.
Zie ook verweerschrift in appel rnr 9.
Hof Den Haag 27 februari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:314
In die situatie helpt de schriftelijkheidseis de werkgever veeleer te bewijzen dat hij tijdig heeft aangezegd dat de arbeidsovereenkomst eindigt.
HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5695, NJ 2012/396, RAR 2012/122:
HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7122, NJ 2011/167, RO 2011/16, RAV 2011/42, RN 2011/24, RF 2011/32:
Hof 's‑Hertogenbosch 08-10-2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3115
Hof Den Haag 27 februari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:314
Aldus Ktr. Alkmaar 9 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:10570.
De noodzaak daarvan hebben we recent gezien bij de Toeslagenaffaire, nu die zich afspeelde in het bestuursrecht waar een dergelijke mogelijkheid kennelijk ontbrak, althans in elk geval in die zaken niet werd toegepast.