Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.3.1
4.3.1 De opgeschorte werking van een voorwaardelijke titel als obstakel
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS399685:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie met verwijzingen hoofdstuk 8, paragraaf 8.2.1.
Zie toegesneden op het eigendomsvoorbehoud Klang/Beclin 2011, § 897 ABGB, Rn. 23: ‘Von der Bedingung kann nach dem Willen der Parteien das ganze Geschäft abhängig gemacht werden oder nur einzelne Rechtswirkungen (vollständige oder teilweise Bedingtheit). So ist etwa beim Kauf unter Eigentumsvorbehalt nur die Pflicht zur Übereignung, nicht aber die Pflicht zur Übergabe der Kaufsache mit der Erfüllung der Gegenleistung bedingt.’
T.M., Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 152-153 en M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 814. Vgl. ook Asser/ Beekhuis 1957, p. 155, Schoordijk 1986, p. 275 en Reehuis 2010, nr. 102. Zie ook Vegter 2002, p. 320 en Mollema 2007, p. 142 en p. 146. Vgl. voorts Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, nr. 420 en Verstappen 2015, p. 276 en p. 287. Aan dit onderscheid wordt voorbijgegaan in de M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 320 ten aanzien van de overdracht onder tijdsbepaling, alwaar namelijk uitsluitend de variant wordt besproken dat de verbintenis slechts verplicht tot overdracht na het verstrijken van de gestelde tijd. Terecht merkt Rank-Berenschot 1998, p. 158-159 op dat ook de situatie denkbaar is dat de tijdsbepaling weliswaar aan de verbintenis is verbonden, maar de levering desondanks direct plaatsvindt. Zoals Rank- Berenschot terecht opmerkt, moet in een dergelijk geval worden aangenomen dat de levering ter uitvoering van een dergelijke verbintenis leidt tot een overdracht onder dezelfde tijdsbepaling, die – ingeval van een opschortende tijdsbepaling – op grond van art. 3:85 lid 2 BW wordt beschouwd als een onvoorwaardelijke overdracht van het goed met een gelijktijdige vestiging van een vruchtgebruik ten behoeve van de vervreemder. Zie ook M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 804.
Vgl. Reehuis 2013, nr. 18-19. Zie ook Rank-Berenschot 1992, p. 230 die het voor mogelijk houdt dat de verkoper ‘op voorhand tot uitvoering van zijn voorwaardelijke verplichting overgaat door de zaak aan de koper ter hand te stellen.’
Reehuis 2013, nr. 18. Anders dan Peter 2007, p. 138 meent, kan de koper de levering dan ook terstond afdwingen.
Vgl. Klang/Beclin 2011, § 897 ABGB, Rn. 23.
Vgl. Reehuis 2013, nr. 14.
Verstijlen 2007, p. 825. Zo ook: Reehuis 2013, nr. 18. Ook bij Scheltema 2003, p. 272 is deze gedachte reeds te vinden, hoewel niet geheel duidelijk wordt of hij daar zijn eigen visie weergeeft.
V.C. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1235.
Vgl. Stolz 2015, p. 940-941.
Zie bijv. M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388, M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 814 en T.M., Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 152.
Wieling 2006, p. 291-302, Baur/Baur & Stürner 2009, p. 42-43, p. 638-644, Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 308 en p. 319, Staudinger/Wiegand 2017, § 929 BGB, Rn. 9 en Rn. 45 en MünchKomm-BGB/Oechsler 2017, § 929 BGB, Rn. 22-26 en Rn. 53. In het geval van een eigendomsvoorbehoud is deze definitie van de Übergabe niet geheel onproblematisch, aangezien de koper gedurende de periode van onzekerheid houder (Fremdbesitzer) is en de zaak dus niet voor zichzelf houdt. Zie daarover nader in paragraaf 4.8.3.1, alwaar zal blijken dat dit uiteindelijk geen probleem is, omdat het Duitse recht uiteindelijk een veel meer feitelijke invulling aan het Übergabe-vereiste geeft.
Soergel/Mühl 1991, § 455 BGB, Rn. 3, Soergel/Henssler 2002, § 929 BGB, Rn. 39, Baur/Baur & Stürner 2009, p. 639, Erman/Michalski 2011, § 929-931, Rn. 7-7a, Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 316 en p. 353-355, Bülow 2012, p. 233, HKK-BGB/Ernst 2013, § 449 BGB, Rn. 11 (Ernst 1992, p. 76 noemt het eigendomsvoorbehoud daarentegen als een voorbeeld van een voorwaardelijke traditio brevi manu), Palandt/Bassenge 2014, § 929 BGB, Rn. 4, Bamberger & Roth/Kindl 2015, § 929 BGB, Rn. 11 en MünchKomm-BGB/Westermann 2016, § 449 BGB, Rn. 13. Door Wolff & Raiser 1957, p. 238 lijkt daarentegen te worden aangenomen dat zowel Einigung als Übergabe voorwaardelijk zijn. In de Nederlandse literatuur wordt deze constructie door sommigen wel getypeerd als een voorwaardelijke levering. Zo bijv. Nieskens-Isphording 1996, p. 65 en Stolz 2015, p. 939, p. 944 en ook p. 993. Daarvan is echter geen sprake. Zo men de Duitse vereisten voor overdracht al zou willen uitleggen in termen van het Nederlandse recht, ligt het bepaald niet voor de hand om de Einigung te beschouwen als de Duitse pendant van de Nederlandse levering. De Einigung vervult in het Duitse recht namelijk de functie die in het Nederlandse recht de titel inneemt: zij rechtvaardigt dat de eigendom overgaat. Het Übergabe-vereiste fungeert als leveringsvereiste. De verwarring wordt mogelijk veroorzaakt door het feit dat in de Nederlandse literatuur de figuur van de goederenrechtelijke overeenkomst, waarvoor niet zelden inspiratie wordt geput uit de Duitse Einigung, wordt beschouwd als onderdeel van het leveringsvereiste van artikel 3:84 lid 1 BW. Bedacht moet echter worden dat de Einigung in de Duitse systematiek geen leveringsvereiste is, maar een vereiste voor overdracht. Anders: Peter 2007, p. 10, die opmerkt dat de zakelijke overeenkomst in het Duitse recht een centrale plaats inneemt bij de levering van roerende zaken.
Serick 1963, p. 411-414, Braun 1980, p. 57, Staudinger/Bork 2015, § 158 BGB, Rn. 18, MünchKomm-BGB/ Westermann 2015, § 161 BGB, Rn. 1 en Staudinger/Bork 2015, § 161 BGB, Rn. 3. Vgl. ook MünchKomm- BGB/Oechsler 2017, § 929 BGB, Rn. 42 die opmerkt dat de Tatbestand van § 929 BGB met de Übergabe ‘vollendet’ is, ook als een voorwaarde is verbonden aan de Einigung.
Zie Klang/Gschnitzer 1968, § 900 ABGB, p. 321-322, Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 374-375, Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 25, Rummel/Spielbüchler 2000, § 357-360 ABGB, Rn. 5, Klang/ Leupold 2011, § 358 ABGB, Rn. 44 en Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063, ABGB. Rn. 18.
Zie ook Klang/Beclin 2011, § 897 ABGB, Rn. 18 die aanneemt dat de overdrachtstitel ‘teilweise bedingt’ is, maar daaraan de conclusie lijkt te verbinden dat de overdracht pas tot stand komt op de moment dat de voorwaarde in vervulling gaat.
Treffend komt deze tegenstrijdigheid tot uitdrukking bij Iro 2016, p. 131: ‘Ist das Titelgeschäft aufschiebend bedingt, so wirkt sich dies auch auf die Übertragung des Eigentums aus. Zu beachten ist, dass beim Kauf unter Eigentumsvorbehalt nicht der Titel, sondern das Verfügungsgeschäft bedingt ist.’
De omstandigheid dat de opschortende voorwaarde bewerkstelligt dat de werking is uitgesteld van de verbintenis die de titel voor overdracht vormt, staat niet aan het terstond realiseren van een overdracht ter uitvoering van die verbintenis in de weg. Daarvoor is van belang dat het verbinden van een opschortende voorwaarde aan een rechtshandeling of verbintenis berust op de partijautonomie.1 Als partijen een opschortende voorwaarde aan een verbintenis verbinden, kunnen zij daarbij ook de strekking van deze opschortende voorwaarde vormgeven.2 In dat verband zijn twee varianten denkbaar.3
In de eerste plaats is voorstelbaar dat partijen met de opgeschorte werking van de verbintenis die tot overdracht verplicht beogen vast te leggen dat de verkoper pas verplicht is tot eigendomsoverdracht indien de voorwaarde in vervulling gaat. Bij een dergelijke partijafspraak komen pas op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat bepaalde verplichtingen op de verkoper te rusten. Tot dat moment is hij nergens toe verplicht. Ten tweede is echter ook denkbaar dat de partijbedoeling ertoe strekt de aan de verbintenis verbonden opschortende voorwaarde te laten doorwerken in de overdracht, die zij terstond ter uitvoering van die verbintenis realiseren. Aldus strekt de verbintenis ertoe dat terstond wordt voldaan aan alle overdrachtsvereisten, zodat de aan de verbintenis tot overdracht verbonden voorwaarde doorwerkt in de overdracht, als gevolg waarvan het rechtsgevolg van de overdracht automatisch en van rechtswege intreedt op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat.4
Door middel van uitleg zal moeten worden vastgesteld waarop de partijbedoeling is gericht indien aan een verbintenis tot overdracht een opschortende voorwaarde wordt verbonden. Bij het eigendomsvoorbehoud zoals dat door de wet bij wijze van vermoeden wordt begrepen (art. 3:92 lid 1 BW), is, behoudens een afwijkende partijafspraak, de tweede variant aan de orde. Met het eigendomsvoorbehoud beogen partijen namelijk dat de zaak reeds aan de koper wordt geleverd, alvorens hij de verschuldigde tegenprestatie voldoet. Als gevolg daarvan kan de koper reeds voor voldoening van die tegenprestatie profiteren van de voordelen die zijn verbonden aan het feit dat hij de zaak reeds in zijn macht heeft. Zoals hiervoor aan de orde kwam, volgt uit de tweeledige doelstelling van het eigendomsvoorbehoud ook dat partijen niet alleen beogen te bewerkstelligen dat de verkoper vooralsnog eigenaar blijft, maar eveneens dat de koper zonder meer en van rechtswege eigenaar wordt, zodra hij de verschuldigde tegenprestatie voldoet. In het overeenkomen van het eigendomsvoorbehoud ligt daarmee impliciet besloten dat door de partijen direct de handelingen worden verricht die noodzakelijk zijn om dit rechtsgevolg te laten intreden op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat.
Artikel 3:92 BW geeft rekenschap van het feit dat de partijafspraak bij het eigendomsvoorbehoud gericht is op het terstond verrichten van de voor overdracht benodigde handelingen, doordat het een eigendomsvoorbehoud niet slechts begrijpt als een beding waarbij de verkoper de eigendom voorbehoudt, maar tevens als een beding op grond waarvan de zaak reeds ‘in de macht van de ander wordt gebracht.’ Artikel 3:92 lid 1 BW legt daarmee uitdrukkelijk het verband met de leveringsbepaling van artikel 3:91 BW, terwijl uit het bestaan van die bepaling onmiskenbaar kan worden afgeleid dat beoogd is dat de levering reeds voor vervulling plaatsvindt.5 Uit het samenspel van artikel 3:91 en artikel 3:92 BW – welke bepalingen blijkens de parlementaire geschiedenis in een nauw verband met elkaar staan – volgt derhalve dat de vervreemder terstond verplicht is tot de levering door middel van machtsverschaffing, welke verplichting niet is opgeschort door de voorwaarde.6 Aldus blijkt dat bij het eigendomsvoorbehoud geen sprake is van een situatie waarbij de verkoper gedurende de periode van onzekerheid nog tot niets verplicht is. In een dergelijk geval zou simpelweg sprake zijn van het uitstellen van de nakoming van de verplichting tot levering en eigendomsoverdracht totdat de koper de verschuldigde tegenprestatie voldoet, terwijl met het vermoeden van artikel 3:92 lid 1 BW juist is beoogd een zodanige uitleg van het eigendomsvoorbehoud in beginsel de pas af te snijden.
Dit betekent dat de verkoper, ondanks de opgeschorte werking van de verbintenis die tot overdracht verplicht, terstond verplicht is om een overdracht onder opschortende voorwaarde tot stand te brengen. Of anders gezegd: ook in geval van een verbintenis onder opschortende voorwaarde (in de variant die bij het eigendomsvoorbehoud aan de orde is) rusten op de verkoper terstond verplichtingen teneinde een automatische eigendomsverkrijging mogelijk te maken indien en zodra de koper de verschuldigde prestatie voldoet.7 Deze terstond bestaande verplichtingen strekken er juist toe te bewerkstelligen dat de aan de verbintenis verbonden voorwaarde ook doorwerkt in de overdracht, die meteen tot stand komt. In zoverre heeft de verbintenis onder opschortende voorwaarde al voldoende werking om op de verkoper bepaalde verplichtingen te doen rusten, als gevolg waarvan wordt bewerkstelligd dat alvast een overdracht tot stand komt, zodat de eigendomsverkrijging zich bij vervulling van de voorwaarde ook automatisch voltrekt. Daarmee wordt beantwoord aan de tweeledige doelstelling van het eigendomsvoorbehoud, zoals die hiervoor in paragraaf 4.2 aan de orde kwam.8
Verstijlen heeft er terecht op gewezen dat het eigendomsvoorbehoud door de strekking van de partijafspraak dat terstond uitvoering wordt gegeven aan de verbintenis onder opschortende voorwaarde ook een onvoorwaardelijke component heeft, omdat terstond de handelingen moeten worden verricht die nodig zijn om te realiseren dat de koper door betaling ook automatisch eigenaar wordt.9 De onvoorwaardelijke component ligt daarmee besloten in de omstandigheid dat de verkoper verplicht is de koper direct de macht over de verkochte zaak te verschaffen. Als gevolg daarvan is de levering voltooid, zodat de koper door voldoening van de verschuldigde tegenprestatie zonder meer eigenaar wordt van de zaak. Daarmee behoudt het eigendomsvoorbehoud tegelijkertijd evenwel een voorwaardelijke component, omdat de voorwaarde bewerkstelligt dat de titel vooralsnog niet de (onvoorwaardelijke) eigendomsverkrijging rechtvaardigt.
De voorwaardelijkheid van de titel werkt ingevolge het causale stelsel van overdracht door in de rechtsgevolgen van de overdracht, in die zin dat de titel vooralsnog slechts een voorwaardelijke overdracht rechtvaardigt. Dat wil zeggen: de titel rechtvaardigt wel dat reeds een overdracht tot stand wordt gebracht, maar rechtvaardigt nog niet het daaruit voortvloeiende rechtsgevolg, vanwege de opgeschorte werking van de titel.
Samengevat komt het voorgaande hierop neer. De verkoper is voorwaardelijk verplicht de eigendom over te dragen, maar is tevens onvoorwaardelijk verplicht ter uitvoering van die voorwaardelijke verbintenis terstond de handelingen te verrichten die nodig zijn om meteen een overdracht te bewerkstelligen, als gevolg waarvan de koper door vervulling van de voorwaarde terstond (onvoorwaardelijk) eigenaar wordt van de verkochte zaak. Deze benadering komt ook in de parlementaire geschiedenis tot uitdrukking, waar de doorwerking van een aan de titel verbonden voorwaarde in de rechtsgevolgen van de overdracht wordt uitgelegd:
‘Het causale stelsel van overdracht brengt immers met zich mee dat (…) de overdracht op grond van de voorwaarden van de voorwaardelijke titel slechts onder dezelfde voorwaarden geschiedt. Ik verwijs in dit verband naar artikel 3.4.2.2., vierde lid [art. 3:84 lid 4 BW; toevoeging EFV].’10
Anders dan veelal in de literatuur wordt aangenomen, belet de omstandigheid dat aan de verbintenis die de titel tot overdracht vormt een opschortende voorwaarde is verbonden derhalve niet dat terstond een overdracht wordt gerealiseerd. Dat artikel 3:84 lid 4 BW slechts geschreven zou zijn voor de ontbindende voorwaarde, strookt niet met het feit dat aan het Nederlandse recht een uniforme regeling van de voorwaardelijke beschikking ten grondslag ligt, die geen onderscheid maakt al naar gelang sprake is van een opschortende of ontbindende voorwaarde.11 Bovendien blijkt op geen enkele wijze uit de tekst of toelichting van de bepaling dat artikel 3:84 lid 4 BW slechts een zodanig beperkt toepassingsbereik zou hebben. Integendeel, op verscheidene plaatsen wordt artikel 3:84 lid 4 BW juist nadrukkelijk in verband gebracht met de overdracht onder opschortende voorwaarde, het eigendomsvoorbehoud en de verbintenis onder opschortende voorwaarde.12
Deze systematiek, waarbij de opschortende voorwaarde niet belet dat terstond een overdracht wordt gerealiseerd, ligt mutatis mutandis ook aan het Duitse en Oostenrijkse recht ten grondslag. Hoewel het Duitse recht een abstract stelsel van eigendomsoverdracht kent en het Oostenrijkse recht de voorwaarde verbindt aan de goederenrechtelijke overeenkomst, wordt namelijk in beide rechtsstelsels op vergelijkbare wijze aangenomen dat de opschortende voorwaarde die wordt verbonden aan een van de vereisten voor overdracht, niet belet dat terstond een beschikking wordt gerealiseerd, waarvan de werking is uitgesteld door de opschortende voorwaarde.
De overdracht van roerende zaken vereist naar Duits recht Einigung en Übergabe (§ 929 BGB). De Einigung wordt begrepen als de wilsovereenstemming tussen partijen dat de eigendom zal overgaan, terwijl onder Übergabe de verschaffing van de feitelijke macht wordt verstaan, waarbij de vervreemder ophoudt de zaak voor zichzelf te houden en de verkrijger aanvangt de zaak voor zichzelf te houden.13 Aangezien de körperliche Übergabe door een overwegende meerderheid niet wordt beschouwd als een rechtshandeling en dus niet voorwaardelijk kan worden verricht, resteert de constructie van het eigendomsvoorbehoud als een opschortende voorwaarde die is verbonden aan de Einigung.14 De omstandigheid dat aan dit vereiste voor overdracht een voorwaarde wordt verbonden, heeft echter niet tot gevolg dat vooralsnog geen beschikking (Verfügung) tot stand komt, maar leidt er integendeel juist toe dat de aan de goederenrechtelijke overeenkomst verbonden voorwaarde doorwerkt in de beschikking, in die zin dat de beschikking wel degelijk direct tot stand komt, zij het dat het rechtsgevolg door de opgeschorte werking van de Einigung is uitgesteld. Ook naar Duits recht komt de beschikking, ondanks de opgeschorte werking van een van de overdrachtsvereisten (Einigung) derhalve terstond tot stand.15 Aldus werkt de aan de Einigung verbonden voorwaarde op vergelijkbare wijze als de in het Nederlandse recht aan de verbintenis tot overdracht verbonden voorwaarde door in de overdracht: er wordt terstond een overdracht gerealiseerd onder dezelfde voorwaarde. De opgeschorte werking van de Einigung verzet zich dus geenszins tegen het terstond realiseren van een beschikking onder diezelfde voorwaarde.
Voor het Oostenrijkse recht geldt vergelijkbaars.16 Ook daar belet de opgeschorte werking van de Einigung niet dat terstond een overdracht tot stand komt. Slechts de werking van de overdracht is uitgesteld. Gelet op deze systematiek verwondert de hiervoor gememoreerde opvatting in de Oostenrijkse literatuur dat een aan de titel verbonden voorwaarde zou beletten dat terstond een overdracht tot stand zou komen, omdat de titel nog geen werking heeft.17 Het valt namelijk niet goed in te zien waarom een aan de goederenrechtelijke overeenkomst verbonden voorwaarde niet zou beletten dat terstond een overdracht tot stand komt, terwijl dit bij een voorwaardelijke titel wel het geval zou zijn. Wanneer de overdracht ondanks de opgeschorte werking van de goedererenrechtelijke overeenkomst terstond tot stand komt, zou hetzelfde moeten gelden voor een aan de titel verbonden voorwaarde.18