De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.4.12.3:II.4.12.3 De democratische functie
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.4.12.3
II.4.12.3 De democratische functie
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS284961:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De democratische functie van de Grondwet vindt haar oorsprong in de Grondwet vanaf 1848, gelet op de directe verkiezing van de Tweede Kamer. Daarna ontwikkelde het kiesrecht zich verder, na de grondwetsherzieningen van 1887 en 1917. De grondwetsherziening van 1917 legde het algemeen mannenkiesrecht vast. De grondwetsherziening van 1922 deed dat voor vrouwen. De Grondwet bevat zogezegd belangrijke waarborgen voor een democratie. De herziening van 1848 bracht tevens een aantal nieuwe grondrechten van burgers én een versterkte controlerende positie van het parlement. Essentiële noties zoals de politieke ministeriële verantwoordelijkheid werden in 1848 vastgelegd. De Tweede Kamer verkreeg het amendementsrecht en de Staten-Generaal kregen ieder jaar het recht de begroting mede vast te stellen.
Deze drie functies sluiten bovendien naadloos aan bij het interpretatieve kader van de algemene bepaling, welke naar verwachting in de Grondwet zal komen te staan als de tweede lezing is afgerond.
Hoewel informele constitutionele ontwikkelingen plaatsvinden, blijkt dat de harde kaders van de Grondwet in veel gevallen gewoonweg worden gerespecteerd. Een relativering van de functies van de Grondwet en de grondwetsherzieningsprocedure is daarmee niet aan de orde.