Eigendomsvoorbehoud
Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.9:4.9 Conclusie
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.9
4.9 Conclusie
Documentgegevens:
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS402005:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is de constructie van het eigendomsvoorbehoud onderzocht. Artikel 3:92 lid 1 BW begrijpt het bedingen van een eigendomsvoorbehoud bij wijze van vermoeden als een overdracht onder opschortende voorwaarde.
Geconcludeerd is dat de voorwaardelijkheid van de titel de beste verklaring vormt voor de voorwaardelijkheid van de overdracht. Aan de verbintenis tot overdracht die de titel vormt, is een opschortende voorwaarde verbonden. Op grond van het causale stelsel van overdracht bewerkstelligt een levering ter uitvoering van een zodanige verbintenis dat de opschortende voorwaarde doorwerkt in de overdracht, zodat een overdracht onder dezelfde voorwaarde wordt gerealiseerd. De opgeschorte werking van de verbintenis staat niet aan een directe levering ter uitvoering van die verbintenis in de weg. Een vergelijkbare constructie laat zich ook denken door middel van een voorwaardelijke levering, voor zover de voorwaardelijkheid van de levering betrekking zou hebben op de op overdracht gerichte wilsovereenstemming die zich manifesteert in de goedererenrechtelijke overeenkomst. Aldus werkt de aan de goederenrechtelijke overeenkomst verbonden opschortende voorwaarde op vergelijkbare wijze door in de overdracht.
In ieder geval geldt dat de leveringshandeling, dat wil zeggen de uitvoeringshandeling die nodig is om een overdracht te bewerkstelligen, onvoorwaardelijk is. De voorwaardelijkheid van de leveringshandeling zou namelijk beletten dat reeds voor vervulling van de voorwaarde een overdracht tot stand zou komen. Met artikel 3:91 BW heeft de wetgever ook duidelijk gemaakt dat de leveringshandeling meteen onvoorwaardelijk kan worden verricht door de koper de macht over de zaak te verschaffen. Bij gebreke van die bepaling zou dat op moeilijkheden kunnen stuiten, omdat de zaak dan door bezitsverschaffing zou moeten worden geleverd, terwijl de koper gedurende de periode van onzekerheid nog geen bezitter is. Hoewel de mogelijkheid van een levering door machtsverschaffing ook voor de hand zou liggen bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling, heeft de wetgever er goed aan gedaan dit uitdrukkelijk te bepalen. Tegen deze achtergrond is geconcludeerd dat artikel 3:91 BW er uitsluitend toe strekt een levering voor vervulling van de voorwaarde mogelijk te maken, zodat de bepaling ook niet in de weg staat aan consensuele wijzen van machtsverschaffing.