Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.3.4:4.3.3.4 Verhouding tot het rechtskarakter
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.3.4
4.3.3.4 Verhouding tot het rechtskarakter
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS492938:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De herzieningsverplichting van art. 29 lid 5 Wet OB 1968 doet mijns inziens recht aan het rechtskarakter van de btw. Het is ook niet voor niets dat in diverse publicaties het gebrek aan een wettelijk verankerde herzieningsmogelijkheid tot een van de grootste manco’s van de oude regeling werd betiteld.1 Van Zadelhoff wist het in zijn noot bij HR 11 juli 2008, BNB 2008/283 – weliswaar in het kader van art. 29 lid 2 Wet OB (tot 2017) en in navolging van A-G De Wit – het meest pakkend te verwoorden:
“De wetgeving bepaalt overigens niets voor het geval er uiteindelijk (na twee jaar) alsnog (onverwacht) wordt betaald. De afnemer krijgt niet wederom recht op aftrek, en de presterende ondernemer wordt eventueel eerder terugontvangen belasting niet alsnog verschuldigd. Dit kan onder omstandigheden onbelast verbruik tot gevolg hebben of bij een ondernemer tot een onbedoelde BTW-druk leiden. (...) Hier zou een initiatief van de wetgever naar mijn mening niet misstaan. Daarbij dient (...) te worden voorzien in het wederom verschuldigd en aftrekbaar zijn indien en voor zover alsnog wordt betaald.”
Het ontbreken van een correctiemogelijkheid zou daarmee indruisen tegen het rechtskarakter, in het bijzonder het neutraliteitsbeginsel, met name als tot uitgangspunt moet worden genomen dat de maatstaf van heffing gelijk is aan de werkelijk ontvangen tegenprestatie. Het omgekeerde heeft uiteraard te gelden voor de positie van de afnemer (art. 29 lid 8 Wet OB 1968).2 Dit verklaart ook waarom er een breed draagvlak is voor onderhavige herzieningsverplichting. De reacties op de internetconsultatie zijn alleszeggend. De respondenten achten art. 29 lid 5 Wet OB 1968 unaniem als ‘een redelijke tegenhanger’, ‘een logisch onderdeel’, ‘logisch’, een ‘prima zaak’, ‘dat is terecht’, ‘uiteraard, dat is een logisch gevolg’, ‘vanzelfsprekend’, ‘heel goed’, ‘een verbetering’ en ‘rechtvaardig’. Ik sluit mij graag bij deze reacties aan.