Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/6.5:6.5 Afgeleide onwaardigheid en de redelijkheid en billijkheid
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/6.5
6.5 Afgeleide onwaardigheid en de redelijkheid en billijkheid
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859161:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Tempelaar, WPNR 2010/6865, p. 864-865.
Hof Amsterdam 15 augustus 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AF5771, NJ 2003/53. Zie over deze uitspraak nader par. 2.7.4.
Zie over de redelijkheid en billijkheid nader par. 2.7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Sinds de hervorming in 2012 kent België de zogeheten ‘afgeleide onwaardigheid’. De onwaardigheid blijft volgens de Belgische wet in bepaalde situaties op de goederen rusten. Het Nederlandse recht kent geen gelijkluidende regel. Door Tempelaar wordt in 2010 een soortgelijke regeling voor het Nederlandse recht reeds bepleit.1
Aan de Belgische regeling van de afgeleide onwaardigheid kleven zowel voor- als nadelen. Het strookt met het idee dat de onwaardige geen voordeel mag verkrijgen door zijn eigen misdraging. Bij het ombrengen van zijn slachtoffer is dit nadrukkelijk aan de orde. De onwaardige kan zonder de afgeleide onwaardigheid indirect voordeel verkrijgen als hij later alsnog goederen van zijn slachtoffer verkrijgt in een andere nalatenschap. In andere Nederlandse onwaardigheidsgevallen is de afgeleide onwaardigheid eveneens goed te rijmen met de ratio van onwaardigheid. De onwaardige heeft zich dermate ernstig gedragen dat hij op grond van artikel 4:3 BW geen voordeel mag verkrijgen uit de nalatenschap van zijn slachtoffer. Het is in lijn daarmee als de onwaardige vervolgens deze goederen evenmin verkrijgt via een latere vererving. Zijn slachtoffer zal naar alle waarschijnlijkheid dan nog altijd niet wensen dat de onwaardige alsnog goederen van hem verkrijgt.
Een belangrijk nadeel aan de afgeleide onwaardigheid betreft de bewijsproblemen die het in zich bergt. De goederen moeten bij de eerste vererving goed geadministreerd worden evenals de goederen die wegens zaaksvervanging daarvoor in de plaats zijn gekomen, hetgeen in de praktijk vaak niet zal gebeuren. Bij de tweetrapsmaking, waar de afgeleide onwaardigheid parallellen mee vertoont, is deze bewijsproblematiek eveneens een heikel punt. De afgeleide onwaardigheid kan daarmee een soepele afwikkeling van de nalatenschap behoorlijk in de weg staan. Vanuit de bewijskant bezien, zou nog gedacht kunnen worden aan een gulden middenweg inhoudende dat de afgeleide onwaardigheid enkel geldt voor registergoederen. Het gedrag is niet minder verwerpelijk bij roerende zaken, maar het praktische argument zou hier wel zwaarder kunnen wegen. Bewijsproblemen zijn bij registergoederen in veel mindere mate aanwezig.
Uiteindelijk is het aan de Nederlandse wetgever om hierin een keuze te maken. Gelet op een soepel verloop van het rechtsverkeer zou het wat mij betreft niet de voorkeur hebben een afgeleide onwaardigheid in te voeren zoals onze zuiderburen die kennen. Indien de wetgever overgaat tot invoering van een afgeleide onwaardigheid, lijkt mij een beperking tot registergoederen om praktische redenen aangewezen. In theorie is een volledige afgeleide onwaardigheid een mooi en rechtvaardig systeem, maar in de praktijk stuit het op teveel met name praktische bezwaren. Te meer nu de afgeleide onwaardigheid niet geldt voor enkel de eerstvolgende vererving, maar voor alle verervingen die volgen waarbij nog goederen van het slachtoffer betrokken zijn.
Afgeleide onwaardigheid is in Nederland dus onbekend. Wel kan de rechter in Nederland corrigeren op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid waarmee eenzelfde resultaat bereikt zou kunnen worden. Deze correctie kan echter ook verderstrekkend zijn. In het geval van de moordende kleinzoon heeft het Hof Amsterdam de kleinzoon de legitieme portie ontzegd in de nalatenschap van zijn grootmoeder.2 De kleinzoon verkrijgt niets uit haar nalatenschap. Dat gaat verder dan het oordeel dat hij geen goederen mag ontvangen die afkomstig zijn uit zijn vaders nalatenschap waaraan de onwaardigheid nog kleeft.3 De toepassing van de eisen van redelijkheid en billijkheid kennen geen wettelijke beperking in die zin dat het bij onwaardigheidsvraagstukken enkel betrekking kan hebben op goederen die afkomstig zijn van het slachtoffer. Daarmee kan de Nederlandse rechter meer omvattend ingrijpen dan bij de Belgische afgeleide onwaardigheid mogelijk is. Corrigeren op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid maakt maatwerk mogelijk. De kwalificatie onwaardigheid ontbreekt. Het voorgestelde, gewijzigde artikel 4:3 BW komt daaraan tegemoet door gedeeltelijk te werken met een open norm. Het geval van de moordende kleinzoon zou dan tot de conclusie onwaardigheid kunnen leiden. Niet van rechtswege, maar omdat de rechter daar – gelet op alle omstandigheden van het geval – aanleiding toe ziet. In dat geval maakt de gedeeltelijk open norm maatwerk mogelijk.