Sfeerovergangen in de winstsfeer
Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/4.6.2.3:4.6.2.3 Verplichte of vrijwillige herwaardering bij een sfeerovergang
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/4.6.2.3
4.6.2.3 Verplichte of vrijwillige herwaardering bij een sfeerovergang
Documentgegevens:
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630591:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Hoge Raad overwoog: ‘Goed koopmansgebruik dwingt niet tot de aanpassing van de boekwaarde van een activum, als het resultaat van die aanpassing niet in aanmerking dient te worden genomen bij het bepalen van de belastbare winst van het jaar waarin de aanpassing zou moeten plaatsvinden.’
Zie ook Tydeman-Yousef en Snel.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals hiervoor beschreven, wordt bij een feitenwijziging (en inmiddels door de invoering van artikel 28c Wet Vpb 1969 bij regelwijzigingen ook) uitgegaan van brutocompartimentering. In dat geval wordt gekeken in welke periode de waardestijging (of-daling) is ontstaan. Afhankelijk van het toen geldende regime is de waardestijging al dan niet belast. Hierbij komt vervolgens de vraag op of bij een sfeerovergang op basis van een feitenwijziging sprake is van een verplichte herwaardering. Inmiddels is in de wet opgenomen dat een dergelijke herwaardering moet plaatsvinden.
Wij zagen dat uit BNB 2014/119 volgt dat, omdat de inkomsten uit een deelneming vrijgesteld zijn, de deelneming bij een sfeerovergang als gevolg van een regelwijziging niet verplicht hoeft te worden geherwaardeerd (zie uitgebreid paragraaf 2.7).1 Hierdoor heeft het moment waarop een waardemutatie tot uitdrukking wordt gebracht invloed op de verschuldigde belasting. Bij een feitenwijziging ligt dit genuanceerder, omdat er dan wel compartimentering plaatsvindt. Aan het moment van de feitelijke winstverantwoording op basis van goed koopmansgebruik wordt dan minder waarde toegekend. Er moet immers worden beoordeeld uit welke periode het voordeel stamt en het regime uit die periode is van toepassing. Uit BNB 1997/101 blijkt dat compartimentering ertoe leidt dat de fiscale waarde van aandelen die voorheen een deelneming vormden bij verlies van de deelnemingsstatus opnieuw mag worden vastgesteld op de lagere beurskoers. Er is dus geen verplichte herwaardering. De Hoge Raad overwoog:
‘3.3. Vervolgens verzet goed koopmansgebruik zich niet ertegen voortaan bedoelde aandelen per balansdatum te waarderen op voormelde kostprijs of lagere beurskoers. De omstandigheid dat deze kostprijs afwijkt van de historische kostprijs van die aandelen, doet hieraan niet af.’
De Hoge Raad heeft dus bepaald dat bij een sfeerovergang de deelneming mag worden gewaardeerd op de kostprijs of de lagere beurskoers. In casu was sprake van een waardedaling, zodat de Hoge Raad zich alleen heeft uitgelaten over de vraag of een afwaardering mag plaatsvinden bij een sfeerovergang. Mijns inziens dient echter hetzelfde te gelden bij een waardevermeerdering, bij een sfeerovergang mag de oude kostprijs of de hogere waarde in het economische verkeer worden gebruikt. In zijn noot bij dit arrest merkt Van der Geld op dat het arrest niet gaat om een vraag van de bepaling van de totale winst, maar om een jaarwinstprobleem. Meer in het bijzonder betreft het de vraag naar de invloed van de compartimenteringsleer op de regels voor de jaarwinstbepaling. Ter wille van een praktisch zo uitvoerbaar mogelijke invulling van de compartimenteringsleer, acht de Hoge Raad het in overeenstemming met goed koopmansgebruik om het resterende aandelenpakket niet te waarderen op zijn 'echte' historische kostprijs, maar op een nieuwe 'kostprijs', zijnde de waarde op het moment van sfeerovergang. Dit is ongetwijfeld de meest praktische aansluiting van de regels voor de totale winst op de jaarwinstbepalingen. Het argument van de inspecteur en de A-G dat belanghebbende zodoende een verlies neemt dat zij nog niet geleden heeft, overtuigt de Hoge Raad terecht niet. Goed koopmansgebruik staat immers wel vaker toe dat verliezen die nog niet daadwerkelijk zijn geleden al wel worden genomen. In de onderhavige casus wordt niet zomaar een nog niet gerealiseerd verlies genomen (een ongerealiseerd verlies), maar gebeurt dit om op een zuivere en praktisch uitvoerbare wijze de compartimenteringsleer toe te passen. Gezien de bestaande invulling van goed koopmansgebruik en de door de Hoge Raad gebezigde formulering (“goed koopmansgebruik verzet zich er niet tegen -'') moet worden aangenomen dat de afsluiting van de onbelaste periode met een herwaardering ter keuze van de belastingplichtige is en dus niet verplicht is. Deze keuze staat volgens Van der Geld los van het gekozen stelsel van waardering. De nuancering van Van der Geld is essentieel voor de vraag hoe moet worden omgegaan met latente winsten en verliezen (door Van der Geld aangeduid als een virtueel verlies) in het kader van de totaalwinstgedachte. Met Van der Geld ben ik van mening dat dit arrest hier niets over zegt. Indien wenselijk mag op grond van goed koopmansgebruik voor een praktisch systeem worden gekozen, maar dit is niet verplicht. Als de belastingplichtige er niet voor kiest om te herwaarderen impliceert dit mijns inziens niet dat er niet meer gecompartimenteerd kan worden.
Uit het (inmiddels ingetrokken) besluit van de staatssecretaris van 3 december 1999, BNB 2000/71 blijkt dat de staatssecretaris het standpunt inneemt dat bij een sfeerovergang belastingplichtigen de oude kostprijs kunnen blijven hanteren. Voorwaarde is wel dat het belastingplichtige schriftelijk verklaart wat de waarde in het economische verkeer op dat moment is en verklaart dat hij zich niet later op het standpunt zal stellen dat de kostprijs had moeten worden herzien bij het einde van het eerstbedoelde tijdvak en dat het resultaat uit dien hoofde eerder in de heffing had moeten worden betrokken. Wanneer er geen herwaardering plaatsvindt en op enig moment dividend wordt uitgekeerd, moet worden beoordeeld uit welke winsten deze dividenden afkomstig zijn. Is winst uitgekeerd die is behaald in een periode waarin de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing was, dan is de winst belast. Wanneer de winst daarentegen is behaald in een periode dat de deelnemingsvrijstelling wel van toepassing was, dan is de winst onbelast.2 Hetzelfde geldt voor een verkoopresultaat. Uit voornoemd besluit blijkt dat de staatssecretaris uitgaat van compartimentering volgens het lifo-systeem.