Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/4.6.2.1
4.6.2.1 De compartimenteringsleer zoals ontwikkeld door de Hoge Raad (vóór invoering van artikel 28c Wet Vpb 1969)
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630520:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 juli 1986, nr. 23 444, BNB 1986/305.
Essers merkte in zijn noot bij het arrest op dat het nog maar een kleine stap is aan te nemen dat de compartimenteringsgedachte ook zal gelden ten aanzien van dividenden. Zijns inziens is er geen aanleiding om een onderscheid te maken tussen koersresultaten en liquidatie-uitkering enerzijds en dividenduitkeringen anderzijds. Ook Albert merkt in zijn noot bij het arrest op dat het hem dunkt dat de compartimenteringsarresten evenzeer van toepassing zijn op dividenden. Ik deel de mening van Essers en Albert en zie geen reden waarom de compartimenteringsleer niet van toepassing zou zijn op dividenden in geval van een feitenwijziging.
NV, Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 3, p. 39.: 'De leden van de CDA-fractie constateren dat in de memorie van toelichting andermaal wordt bevestigd dat het compartimenteringsleerstuk in de deelnemingsvrijstelling ook betrekking heeft op dividenden. Zij stellen dat deze lijn nog niet expliciet is bevestigd door de rechter. Deze leden vragen daarom of in de wet kan worden vastgelegd dat compartimentering ook geldt voor dividenden. ‘
In 1986 heeft de Hoge Raad zich voor het eerst uitgelaten over de compartimenteringsleer in verhouding tot de deelnemingsvrijstelling. In geschil was of de deelnemingsvrijstelling van toepassing was op een koersresultaat dat was ontstaan in de periode dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing was, maar werd gerealiseerd in een periode dat de deelnemingsvrijstelling niet gold. De Hoge Raad was van mening dat de koerswinst was vrijgesteld en overwoog:1
‘Een redelijke wetstoepassing van artikel 13, eerste lid, Wet Vpb. 1969 brengt met zich mee de vrijstelling te doen gelden voor voordelen ontstaan in een periode dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing was, doch in een periode nadien gerealiseerd’
Ook vervreemdingsvoordelen moeten worden gecompartimenteerd. In HR 19 juni 1991, nr. 26 102, BNB 1991/268, ging het over de vraag of de deelnemingsvrijstelling van toepassing was op een verlies op een deelneming die sinds kort geen deelneming meer was, omdat door gedeeltelijke verkoop het aandelenbelang was gedaald tot onder de 5%. De Hoge Raad overwoog dat er moest worden gecompartimenteerd, zodat een deel van het verlies aan de periode waarin de deelnemingsvrijstelling wel van toepassing was geweest moest worden toegerekend:
‘In een stelstel waarin de deelnemingsvrijstelling toepassing vindt voor, en tevens wordt beperkt tot de voordelen die zijn ontstaan in het tijdvak waarin de vrijstelling heeft bestaan, komt de strekking van de deelnemingsvrijstelling – het voorkomen dat in deelnemingsverhoudingen dezelfde winst twee maal in de belastingheffing wordt betrokken – beter tot haar recht dan in een stelsel, waarin de vrijstelling afhankelijk wordt van het bestaan van de deelnemingsverhouding op het tijdstip waarop het voordeel tot uitdrukking wordt gebracht.’
In HR 17 mei 1995, nr. 30 268, BNB 1995/250 heeft de Hoge Raad overwogen dat de compartimenteringsleer ook geldt bij liquidatie-uitkeringen. Ondanks dat de Hoge Raad nog niet expliciet heeft overwogen dat de compartimenteringsleer ook van toepassing is op dividenduitkeringen, gaat de wetgever hier wel vanuit. Ook in de literatuur is men het erover eens dat de compartimenteringsleer ook geldt voor dividenden.234 Er is naar mijn mening ook geen reden waarom de compartimenteringsleer niet zou gelden voor dividenden. Inmiddels is dat ook zo in artikel 28c Wet Vpb 1969 geregeld.