Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving (SteR nr. 1) 2010/II.3.2.5.5
II.3.2.5.5 Kritiek
Joost Sillen, datum 01-07-2010
- Datum
01-07-2010
- Auteur
Joost Sillen
- JCDI
JCDI:ADS589513:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 3.2.5.1.
Bijv. Meier 2005, p. 143-150.
Meier 2005, p. 115.
U.S. Supreme Court 12 juni 1992, 504 U.S. 555 (Lujan v. Defenders of Wildlife), 573-574: ‘We have consistently held that a plaintiff raising only a generally available grievance about government – claiming only harm to his and every citizen’s interest in proper application of the Constitution and laws, and seeking relief that no more directly and tangibly benefits him than it does the public at large – does not state an Article III case or controversy.’
Idem, p. 576. Zie reeds Scalia 1983, p. 881-899.
Zie de tekst bij nt. 231 e.v..
U.S. Supreme Court 16 juni 2003, 539 U.S. 113 (Virginia v. Hicks), 119 (cursivering van mij, JS).
Meier 2005, p. 115.
De overbreadth-doctrine is in de literatuur niet zonder kritiek gebleven. Ik beperk de bespreking van die kritiek tot de overbreadth-doctrine die van toepassing is op de vrijheid van meningsuiting.1 Dat toepassingsgebied is voor de praktijk veruit het belangrijkst.
Ten eerste kritiseren sommigen de feitelijke veronderstellingen van de overbreadth-doctrine.2 Betwijfeld wordt dat wettelijke voorschriften die deels op onrechtmatige wijze de vrijheid van meningsuiting beperken, daadwerkelijk een chilling effect hebben op die vrijheid. Zo’n effect vereist, dat burgers kennis hebben van de toepasselijke wetgeving én hun gedrag door die wetgeving laten bepalen. Of het aantal burgers dat aan beide voorwaarden voldoet groot is, acht ik met die critici twijfelachtig.
Als zo’n chilling effect feitelijk al bestaat, rijst de vraag of de overbreadth-doctrine dat effect tegengaat. De overbreadth-doctrine neemt het chilling effect alleen weg als burgers kennis hebben van rechterlijke uitspraken waarin deze voorschriften zijn getoetst en zij zich, na zich eerst te hebben onthouden van de beweerdelijk verboden uiting, vervolgens alsnog zo uiten. Al met al lijkt de groep personen waarvoor de doctrine werkelijk een oplossing biedt, klein te zijn.
Ten tweede wordt de grondwettigheid van de overbreadth-doctrine in twijfel getrokken. Zo betoogt Meier, dat zij in strijd is met artikel III Constitutie, dat de bevoegdheid van de federale rechter beperkt tot het beslechten van concrete geschillen. Hij adstrueert die stelling nauwelijks.3 Een mogelijke onderbouwing van die stelling zou echter als volgt kunnen luiden:
Het is, zoals gezegd, vaste jurisprudentie van het Hof dat justitiabelen slechts dan ontvankelijk zijn in een vordering waarmee zij de rechtmatigheid van (de toepassing) van een wettelijk voorschrift betwisten als zij door toepassing van dat voorschrift rechtstreeks in hun belangen zijn geraakt. De enkele omstandigheid dat een voorschrift onrechtmatig is, is daarvoor onvoldoende.4 Deze ontvankelijkheidsregel vloeit voort uit de trias, en in het bijzonder uit artikel III Constitutie, zo meent het Hof. In Lujan v. Defenders of Wildlife onderstreept het Hof het absolute karakter van die regel als het uitspreekt, dat ook het Congres de bevoegdheid mist om die ontvankelijkheidsregel af te schaffen:
‘Whether the courts were to act on their own, or at the invitation of Congress, in ignoring the concrete injury requirement described in our cases, they would be discarding a principle fundamental to the separate and distinct constitutional role of the Third Branch – one of the essential elements that identifies those ‘Cases’ and ‘Controversies’ that are the business of the courts rather than of the political branches. ‘The province of the court,’ as Chief Justice Marshall said in Marbury v. Madison [...] ‘is, solely, to decide on the rights of individuals.’ Vindicating the public interest (including the public interest in government observance of the Constitution and laws) is the function of Congress and the Chief Executive.’5
Volgens het Hof vloeit het absolute karakter van die concrete injury-regel voort uit de trias en meer in het bijzonder uit de van de trias afgeleide regel, dat het niet de taak van de rechter is om het algemeen belang te behartigen.
De overbreadth-doctrine – waarmee het Hof afwijkt van die absolute ontvankelijkheidsregel6 – blijkt het Hof later juist te rechtvaardigen met een beroep op het algemeen belang:
‘We have provided this expansive remedy out of concern that the threat of enforcement of an overbroad law may deter or ‘chill’ constitutionally protected speech – especially when the overbroad statute imposes criminal sanctions. [...] Many persons, rather than undertake the considerable burden (and sometimes risk) of vindicating their rights through case-by-case litigation, will choose simply to abstain from protected speech [...] – harming not only themselves but society as a whole, which is deprived of an uninhibited marketplace of ideas. Overbreadth adjudication, by suspending all enforcement of an overinclusive law, reduces these social costs caused by the withholding of protected speech.’7
De indruk ontstaat, dat het Hof marchandeert met zijn eigen interpretatie van de trias bij de toepassing van de overbreadth-doctrine. ‘However,’zo schrijft Meier nuchter,
‘approximately sixty years of jurisprudence recognizing the overbreadth doctrine dictates that the time for those arguments has passed. There is simply too much water under the bridge for the Supreme Court to now consider the constitutionality of the doctrine’.8