Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.9.1
7.3.9.1 Inleiding
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940655:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 7.3.5.1.
Happé e.a. 2010, p. 399.
Zie Koopman 1996, par. 1.4.2, Adriani 1949, p. 184.
Pechler 2009, p. 152.
Zie het oordeel van de rechtbank en het daarvan afwijkende oordeel van het Hof in de zaak die heeft geleid tot HR 11 april 2014, V-N 2014/19.6, BNB 2014/167.
Happé e.a. 2010, p. 399.
Ook wel bewijswaarde of overtuigingskracht genoemd, vgl. Embregts 2005, par 3.2.
Zie Feteris 2007, p. 303, en de door hem aldaar aangehaalde voorbeelden uit de jurisprudentie. Zie voorts HR 13 augustus 2010, BNB 2010/323, V-N 2010/38.12, r.o. 5.1.3.
HR 24 maart 1971, BNB 1971/84, HR 7 januari 1976, BNB 1976/42, HR 14 augustus 2015, V-N 2015/52.6, BNB 2015/221. Zie ook Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 105.
Happé e.a. 2010, p. 399.
HR 22 juni 1921, B. 2843. Zie voorts Adriani 1949, p. 184. Hij wijst op (onder meer) HR 6 juni 1923, B. 3253. In dezelfde zin: HR 21 mei 1924, B. 3410.
Zie bijvoorbeeld HR 13 augustus 2010, BNB 2010/323, V-N 2010/38.12, r.o. 5.1.3 en HR 12 juli 2013, V-N 2013/34.7, BNB 2013/228, r.o. 3.5.3.
Uit de relevante inhoud van de bewijsmiddelen komen bewijsgronden voort. Die bewijsgronden behelzen hetgeen uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.1 De rechter moet vervolgens uit die bewijsgronden de overtuiging verkrijgen dat het gestelde feit aannemelijk is of overtuigend is aangetoond.2 Het oordeel over de geloofwaardigheid van de gepresenteerde bewijsmiddelen is exclusief overgelaten aan de feitenrechter. Bij dit proces heeft de rechter, opnieuw als uitvloeisel van de vrije bewijsleer, in beginsel een onbeperkte vrijheid. Het gaat dan om twee onderdelen: het afleiden van de bewijsgronden (door een keuze te maken uit de aangeboden bewijsmiddelen), en het beoordelen daarvan door zich al dan niet te laten overtuigen door die bewijsgronden (door aan elk van de bewijsgronden een bepaald gewicht toe te kennen).3
Pechler heeft in dit verband opgemerkt, dat zowel de vaststelling van de inhoud als de waarde van bijvoorbeeld een getuigenverklaring geheel is overgelaten aan de feitenrechter.4 Verschillende rechters kunnen dan ook verschillend over die waarde denken.5 Ook de vraag wát een getuige precies heeft verklaard, valt dus onder de vrije bewijsleer.
De rechter is allereerst vrij om een bepaald bewijsmiddel te aanvaarden of af te wijzen.6 Dit betreft de keuze (ook wel selectie) van bewijsmiddelen. Hij bepaalt zelfstandig op welke bewijsmiddelen hij zijn oordeel baseert en kan een bewijsmiddel dus volledig negeren als hem dat juist voorkomt. In de tweede plaats bepaalt de rechter geheel zelfstandig welke bewijskracht7 hij aan elk van de bewijsmiddelen toekent, dat wil zeggen hoeveel gewicht zij in de schaal leggen (dit betreft de weging of waardering van bewijsmiddelen).8 Zowel de keuze als de weging van het bewijs is voorbehouden aan de feitenrechter.9 De Hoge Raad zal in cassatie dus niet snel ingrijpen.10 Al vóór de Tweede Wereldoorlog was dit vaste jurisprudentie11 en dat is niet veranderd.12
In het navolgende ga ik achtereenvolgens in op de keuze (paragraaf 7.3.9.2) en de waardering (paragraaf 7.3.9.3). Ten slotte sta ik in paragraaf 7.3.9.4 stil bij de gevolgen van de vrije keuze en waardering.