Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.8.6
6.8.6 Kritiek op de grenzen aan overheidsfinanciën
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS452859:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: De Grauwe 1994, p. 159.
Buiter, Corsetti & Roubini 1993, p. 63; Gros & Thygesen 1998, 339-340; De Grauwe 2009, p. 148; Baldwin & Wyplosz 2015, p. 394.
Begg e.a. 1991, p. 24; Buiter, Corsetti & Roubini 1993, p. 62; Wyplosz 1997, p. 13; De Grauwe 2009, p. 149; Baldwin & Wyplosz 2015, p. 394.
Wyplosz 1997, p. 13; Baldwin & Wyplosz 2015, p. 393.
Wyplosz 1997, p. 13.
Begg e.a. 1991, p. 24; Buiter, Corsetti & Roubini 1993, p. 75; Wyplosz 1997, p. 13.
Begg e.a. 1991, p. 24-25; De Grauwe 1996b, p. 1095.
Szász 1999, p. 159-160.
Afgezien van het feit dat de convergentiecriteria niet gebaseerd zijn op de OCA-theorie, zijn ook de criteria zelf onder vuur komen te liggen. Met name de grenzen die gesteld werden aan de overheidsfinanciën (een overheidstekort van maximaal drie procent en een schuld van maximaal zestig procent in verhouding tot het bbp) hebben tot discussie geleid, zowel ten tijde van de eurocrisis, als al bij de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht.1
Deze kritiek richtte zich in de eerste plaats op de willekeurigheid van de grenzen. Hoewel de koppeling van deze limieten economisch te verklaren valt (een tekort van drie procent komt onder bepaalde voorwaarden overeen met een schuld van zestig procent), hadden de precieze maxima ook anders uit kunnen vallen.2 Achter de schuldgrens van zestig procent zat geen enkel economisch idee. Dit was slechts toevalligerwijs rond de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht het gemiddelde schuldniveau van de landen die zouden gaan deelnemen aan de EMU.3 De drieprocentsnorm kende op zichzelf wel een economische rechtvaardiging. Deze is terug te leiden tot de zogeheten ‘gouden regel’ zoals die in Duitsland voor de oprichting van de EMU gold.4 Deze regel houdt in dat staten alleen mogen lenen voor investeringsuitgaven, zoals de kosten voor het aanleggen van wegen. Aangezien deze uitgaven gemiddeld ongeveer drie procent van het bbp bleken te omvatten, was de tekortgrens geboren. Er werd echter in twijfel getrokken of dit percentage wel de wenselijke hoeveelheid was om aan dergelijke uitgaven uit te geven.5 Daarnaast hebben economen erop gewezen dat sommige uitgaven, zoals aan onderwijs, volgens deze regel niet onder investeringsuitgaven vallen, maar onder consumptie. Dit zou ertoe leiden dat voor dit type uitgaven niet meer geleend zou mogen worden, wat in hun ogen bijvoorbeeld in het geval van onderwijs onwenselijk zou zijn.6 Bovendien werd gesteld dat beide grenzen gemakkelijk omzeild kunnen worden en dat een land de teugels kan laten vieren, als het eenmaal onderdeel is van de EMU.7
Hoewel het arbitraire karakter van deze percentages niet werd ontkend, vormde de buitensporigtekortprocedure zoals die in het Verdrag van Maastricht terecht is gekomen, een verklaarbaar compromis. Enerzijds werden harde percentages opgenomen, terwijl anderzijds de start van de buitensporigtekortprocedure afhankelijk werd gemaakt van een politiek besluit van de Raad. Hierdoor konden zowel de voorstanders van automatisch ingrijpen bij buitensporige overheidsfinanciën, als diegenen die vonden dat de Raad volledig vrij zou moeten beslissen of er sprake is van een zodanig tekort, zich in de bepaling vinden.8