Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/9.3.2
9.3.2 Positieve verplichting godsdienstvrijheid
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS456419:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2009/10, 29 614, nr. 15. Voor de motie stemden CDA, VVD, PVV, CU, SGP en het lid Verdonk.
B. Rijlaarsdam, ‘Zo waarlijke helpe mij God/Allah almachtig’, NRC Handelsblad 12 november 2009.
In het artikel ‘Zo waarlijke helpe mij God/Allah almachtig’, NRC Handelsblad 12 november 2009 komen verschillende kritische (rechts)geleerden aan het woord (Kortmann, Oldenhuis, Kinneging, Peters, Berger) die unaniem van mening zijn dat het monopolie van de christelijke eed in strijd is met de vrijheid van godsdienst en het gelijkheidsbeginsel.
De Vries, TvRRB 2012-1, p. 5.
Zie hierover Cliteur 2010, p. 286.
Uit de wetsgeschiedenis kunnen we afleiden dat minister Donner het voorkomen van ‘… de ernstige krenking van de gevoelens van de groote meerderheid der bevolking …’ zag als een ‘... algemeene taak van de Overheid tot bescherming van de vrijheid, ook van de godsdienstvrijheid…’.1 Volgens minister Donner was:
‘Godsdienstvrijheid in den ruimsten zin […] een vrucht van onze historische ontwikkeling, waarop wij trotsch mogen zijn. Maar juist mede ter bescherming van die geestelijke vrijheid als een van onze hoogste nationale goederen, moet hier worden opgetreden. Geen goed kan op den duur blijven bestaan, welks misbruik ongeboet wordt toegelaten.’2
Uit deze citaten blijkt dat Donner het beschermen van religieuze gevoelens zag als positieve verplichting voor de staat die voortvloeit uit de godsdienstvrijheid. Duidelijk wordt ook dat het niet gaat om de godsdienstige gevoelens van de enkeling maar om de godsdienstige gevoelens van de meerderheid van de bevolking, met andere woorden: de godsdienstvrijheid levert voor de staat niet de positieve plicht op om elk subjectief godsdienstig gevoel te beschermen maar alleen de gevoelens die breed in de samenleving worden gedeeld. Zoals in de vorige paragraaf gesteld richtte het godslasteringsverbod zich dan specifiek op de godsdienstige gevoelens die betrekking hadden op de ‘concrete vormen, waarin de Godsidee leeft’.
De opvatting dat de godsdienstvrijheid voor een staat de positieve verplichting inhoudt om de religieuze gevoelens van de meerderheid te beschermen vinden we ook terug in de jurisprudentie van het EHRM.3 In het Otto-Preminger-Institut-arrest stond de vertoning van de film ‘Das Liebeskonzil’ door het Otto-Preminger-Institut centraal. Deze vereniging wilde een satirische film uitzenden waarin God als een oude imbeciel, kussend met de duivel, wordt uitgebeeld en Jezus als een dom moederskindje.
Het EHRM overwoog dat:
‘… the manner in which religious beliefs and doctrines are opposed or denied is a matter which may engage the responsibility of the State, notably its responsibility to ensure the peaceful enjoyment of the right guaranteed under Article 9 to the holders of those beliefs and doctrines.’4
Het EHRM oordeelde dat Oostenrijk op basis van artikel 9 lid 1 EHRM het recht had om de vertoning van de film te verbieden om daarmee de religieuze gevoelens van de meerderheid van de bevolking te beschermen. Verder oordeelde het dat de oplegging van censuur door het verbieden van de film door Oostenrijk het doel had de belangen van anderen te beschermen (artikel 10 lid 2 EVRM) en Oostenrijk daarom niet de vrijheid van meningsuiting had geschonden (artikel 10 lid 1 EVRM).
Het EHRM ging in zijn oordeel uit van godsdienstige gevoelens in algemene zin, in dit geval de religieuze gevoelens van de meerderheid van de (rooms-katholieke) bevolking.5 In die zin verlangt het EHRM, net zoals Donner in 1932 betoogde, niet zozeer dat de subjectieve gevoelens van de enkeling worden beschermd maar de godsdienstige gevoelens zoals die leven onder de plaatselijke en tijdgebonden bevolking. Nieuwenhuis stelt naar aanleiding van deze zaak dat de bescherming van godsdienstige gevoelens, juist ook van de meerderheid, bij uitstek een volgens het EHRM te beschermen belang vormen.6