Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving (SteR nr. 1) 2010/II.3.2.5.1
II.3.2.5.1 De vrijheid van meningsuiting
Joost Sillen, datum 01-07-2010
- Datum
01-07-2010
- Auteur
Joost Sillen
- JCDI
JCDI:ADS589511:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 22 april 1940, 310 U.S 88 (Thornhill v. Alabama). Zie Cummins 1996, p. 1671-1699.
U.S. Supreme Court 25 juni 1973, 413 U.S. 601 (Broadrick v. Oklahoma), 615: ‘[...] the overbreadth of a statute must not only be real, but substantial as well, judged in relation to the statute’s plainly legitimate sweep.’
U.S. Supreme Court 1 juni 1981, 452 U.S. 61 (Schad v. Borough of Mount Ephraim).
Idem, p. 86 (Burger, C.J., dissenting).
Idem, p. 65-66.
Fallon 1991, p. 867.
Monaghan 1981, p. 14-23; Tribe 1988, p. 1023-1024 en Rotunda & Nowak 2008, p. 47.
Aldus Metzger 2005, p. 887.
Fallon 1991, p. 872.
Paragraaf 3.2.3.2.
Vgl. U.S. Supreme Court 17 juni 1996, 518 U.S. 137 (Leavitt v. Jane L.), 139.
U.S. Supreme Court 20 februari 1980, 444 U.S. 620 (Schaumburg v. Citizens for a Better Environment), 634 ‘Given a case or controversy, a litigant whose own activities are unprotected may nevertheless challenge a statute by showing that it substantially abridges the First Amendment rights of other parties not before the court. [...] In these First Amendment contexts, the courts are inclined to disregard the normal rule against permitting one whose conduct may validly be prohibited to challenge the proscription as it applies to others because of the possibility that protected speech or associative activities may be inhibited by the overly broad reach of the statute.’U.S. Supreme Court 28 juni 1993, 509 U.S. 544 (Alexander v. United States), 555: ‘The ‘overbreadth’ doctrine [...] is a departure from traditional rules of standing’.
Zie paragraaf 3.2.1 en, hierna, paragraaf 3.2.5.5.
U.S. Supreme Court 17 mei 2004, 541 U.S. 600 (Sabri v. United States), 609.
Met de overbreadth-doctrine poogt de rechter daarnaast de wetgever ‘scherp te houden’. Zo schrijft Scalia: ‘The overbreadth doctrine serves to protect constitutionally legitimate speech not merely ex post, that is, after the offending statute is enacted, but also ex ante, that is, when the legislature is contemplating what sort of statute to enact’(U.S. Supreme Court 21 juni 1989, 491 U.S. 576 (Oakes v. Massachusetts), 586 (Scalia, J., concurring in part, dissenting in part).
U.S. Supreme Court 25 juni 1973, 413 U.S. 601 (Broadrick v. Oklahoma), 612.
U.S. Supreme Court 16 juni 2003, 539 U.S. 113 (Virginia v. Hicks), 119.
U.S. Supreme Court 25 juni 1973, 413 U.S. 601 (Broadrick v. Oklahoma), 613: ‘Application of the overbreadth doctrine in this manner is, manifestly, strong medicine.’
De eerste keer dat het Hof de overbreadth-doctrine aanvaardde, was bij toetsing van wettelijke voorschriften aan de door het First Amemdement beschermde vrijheid van meningsuiting.1 Volgens die doctrine is een wettelijk voorschrift on its face onrechtmatig als, zoals gezegd, een substantieel aantal toepassingen van het wettelijk voorschrift in strijd is met de vrijheid van meningsuiting.2 Heeft een voorschrift zo’n substantieel aantal onrechtmatige toepassingen, dan is daardoor ook de toepassing van het voorschrift in andere, ‘rechtmatige’ gevallen onrechtmatig.
De gevolgen van de toepassing van de overbreadth-doctrine worden geïllustreerd door Schad v. Borough of Mount Ephraim.3 Een verordening van de gemeente Mount Ephraim bepaalt, dat het commercieel aanbieden van ‘live entertainment’verboden is. Een peepshoweigenaar wordt wegens overtreding van dit voorschrift veroordeeld. Voor het Hooggerechtshof stelt hij, dat het overtreden voorschrift on its face onrechtmatig is en dus niet jegens hem kan worden toegepast.
Chief Justice Burger meent, dat de toepassing van het gewraakte voorschrift jegens eiser niet onrechtmatig is, zodat de veroordeling in stand kan blijven.
‘The Court depicts Mount Ephraim’s ordinance as a ban on live entertainment. [...]As applied, it operates as a ban on nude dancing in appellants’ ‘adult’ bookstore, and for that reason alone it is here. Thus, the issue in the case that we have before us is not whether Mount Ephraim may ban traditional live entertainment, but whether it may ban nude dancing [...]. When, and if, this ordinance is used to prevent a high school performance of ‘The Sound of Music,’ for example, the Court can deal with that problem.’4
De meerderheid van de rechters in het Hof is echter van oordeel, dat de veroordeling geen stand kan houden. Onder ‘live entertainment’, welk vermaak de gewraakte verordening verbiedt, vallen veel gedragingen die de vrijheid van meningsuiting beschermt. De verordening moet daarom niet worden getoetst op de gebruikelijke wijze, zoals Burger meent, maar met toepassing van de overbreadth-doctrine. Niet de vraag of toepassing van het voorschrift jegens verdachte onrechtmatig is, maar de vraag of het voorschrift de vrijheid van meningsuiting in een substantieel aantal gevallen op onrechtmatige wijze beperkt, is beslissend.5 Omdat de verordening zo’n substantieel aantal onrechtmatige toepassingen heeft, is haar toepassing ook jegens verdachte onrechtmatig. Daaraan doet niet af, dat de vrijheid van meningsuiting niet het aanbieden van peepshows beschermt.
Deze doctrine of overbreadth wordt op twee verschillende wijzen getypeerd.6
Veel schrijvers zien de overbreadth-doctrine als een bijzondere nietsplitsingsregel. Volgens hen geldt bij toetsing van wettelijke voorschriften aan de vrijheid van meningsuiting niet het beginsel dat onrechtmatige delen en toepassingen afsplitsbaar zijn van de rest van een voorschrift, maar de regel, dat als een voorschrift een substantieel aantal onrechtmatige toepassingen heeft, deze onsplitsbaar zijn van het rechtmatige deel van het voorschrift.7
Hoewel deze theorie in de literatuur de meeste aanhangers lijkt te hebben,8 overtuigt zij niet.9 Splitsing is, zoals gezegd, een vorm van interpretatie.10 De federale rechter is bevoegd federale wettelijke voorschriften te interpreteren, terwijl de statelijke rechter exlusief bevoegd is statelijke voorschriften te interpreteren. De vraag of statelijke wettelijke voorschriften kunnen worden gesplitst, moet daarom worden beantwoord door de statelijke rechter op grond van zijn eigen, statelijke interpretatieregels.11 Het hiervóór besproken arrest Schad v. Borough of Mount Ephraim laat echter zien, dat bij toetsing van statelijke regelgeving aan de vrijheid van meningsuiting het federale Hooggerechtshof zelf beslist of de onrechtmatige toepassingen van het voorschrift van de rechtmatige kunnen worden afgesplitst. Als de overbreadth-doctrine een bijzondere vorm van splitsing was – en dus een vorm van interpretatie – zou het Hof die beoordeling niet zelf hebben mogen maken, maar hebben moeten overlaten aan de statelijke rechter. De doctrine of overbreadth is dus geen bijzondere vorm van splitsing.
Het Hof zelf hangt dan ook een andere theorie aan. De doctrine of overbreadth is volgens hem een uitzondering op ontvankelijkheidsregels. Volgens de gewone regels is eiser slechts ontvankelijk in een vordering waarmee hij de rechtmatigheid van een toepassing van een wettelijk voorschrift jegens hem betwist. Toepassing van de doctrine of overbreadth zegt nu, dat eiser ook ontvankelijk is in een vordering waaraan de onrechtmatigheid van de toepassing van een voorschrift jegens een ander ten grondslag ligt.12
De gewone ontvankelijkheidsregel – waarvan het Hof dus afwijkt als het de doctrine of overbreadth toepast – acht het Hof een zeer belangrijke regel; hij geeft uitdrukking aan de trias.13 Het aanvaarden van een uitzondering op die regel kan volgens het Hof daarom alleen op zwaarwegende gronden worden aanvaard:
‘Facial challenges of this sort are especially to be discouraged. Not only do they invite judgement on fact-poor records, but they entail a further departure from the norms of adjudication in federal courts: overbreadth call for relaxing familiar requirements of standing, to allow a determination that the law would be unconstitutionally applied to different parties and different circumstances from those at hand. [...] Accordingly, we have recognized the validity of facial attacks alleging overbreadth (though not necessarily using that term) in relatively few settings, and, generally, on the strength of specific reasons weighty enough to overcome our well-founded reticence.’14
Het Hof meent, dat voorschriften die deels op onrechtmatige wijze de vrijheid van meningsuiting beperken een zogenoemd chilling effect kunnen hebben op de (rechtmatige) uitoefening van de vrijheid van meningsuiting.15
‘Litigants [...] are permitted to challenge a statute not because their own right of free expression are violated, but because of a judicial prediction or assumption that the statute’s very existence may cause others not before the court to refrain from constitutionally protected speech or expression.’16
Het enkele bestaan van een wettelijk voorschrift dat de vrijheid van meningsuiting beperkt, heeft tot gevolg dat burgers zich van allerlei uitingen onthouden, ook van uitingen die op onrechtmatig wijze zijn verboden, omdat zij niet het risico willen lopen te worden veroordeeld. Die feitelijke gevolgen van zulke, deels onrechtmatige, wettelijke voorschriften voor de vrijheid van meningsuiting acht het Hof zó ernstig,17 dat het grijpt naar het zware middel van facial invalidation van een voorschrift, terwijl niet alle toepassingen daarvan onrechtmatig zijn.18