Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.2.3
2.2.3 Onherroepelijke veroordeling
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859043:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1168-1169, 1172 en 1174-1175. Vgl. ook KvN Amsterdam 14 november 2019, ECLI:NL:TNORAMS:2019:23, Rb. Gelderland 26 januari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:498, Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4522. Zie ook De Vries, TE 2021/01, p. 14-15, De Vries, TE 2021/06, p. 115, De Vries & Leire, TE 2022/03, p. 65 en De Vries, JERF 2022 16-12-2022/afl. 8, p. 920 (nr. 160).
Vgl. ook De Vries, JERF 2022 16-12-2022/afl. 8, p. 920 (nr. 160) en par. 2.2.3.6.1.
Keulen & Knigge 2020, p. 110.
De term ‘ontoerekeningsvatbaarheid’ is eigenlijk niet juist. De vraag die voorligt is of het gepleegde feit de dader kan worden toegerekend. Zie hierover nader Lindenberg & Wolswijk 2021, p. 176-177.
Lindenberg & Wolswijk 2021, p. 220 e.v. en 225 e.v.
Bleichrodt & Vegter 2021, p. 59-60.
In paragraaf 1.6.1.1 is naar voren gekomen dat artikel 885 lid 1 OBW een strafrechtelijke veroordeling vereist. Onder artikel 4:3 lid 1 sub a BW is dit niet anders. De wetgever heeft deze eis welbewust gehandhaafd. Bij artikel 4:3 lid 1 sub a en b BW leidt slechts een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling tot onwaardigheid, zo volgt nadrukkelijk uit de parlementaire geschiedenis.1 Dat betekent dat de wetgever met de term ‘veroordeling’ in deze bepaling geen afwijkende civiele invulling beoogt, maar de strafrechtelijke betekenis.2
Zoals hiervoor ook duidelijk is geworden, spreekt de strafrechter alleen een veroordeling uit als hij het ten laste gelegde bewezen en strafbaar acht alsmede de verdachte strafbaar.3 Bij vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging is van een veroordeling dus geen sprake.4 De rechter komt tot ontslag van alle rechtsvervolging als sprake is van een strafuitsluitingsgrond. Het Wetboek van Strafrecht kent meerdere strafuitsluitingsgronden, te weten: ontoerekeningsvatbaarheid (art. 39 Sr),5 overmacht (art. 40 Sr), noodweer(exces) (art. 41 Sr), wettelijk voorschrift (art. 42 Sr) en een (on)bevoegd ambtelijk bevel (art. 43 Sr). Daarnaast zijn twee strafuitsluitingsgronden in de jurisprudentie erkend: afwezigheid van alle schuld en het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.6
Indien de strafrechter toepassing geeft aan artikel 9a Sr (het zogeheten ‘rechterlijk pardon’), bepaalt hij in het vonnis dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Artikel 9a Sr noemt als redenen daarvoor de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel die zich nadien hebben voorgedaan. De geringe ernst van het feit zal bij de gedragingen die onder artikel 4:3 lid 1 sub a BW vallen niet snel aanleiding geven tot toepassing van deze bepaling. Wel kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een rechterlijk pardon vanwege een ongeneeslijke ziekte bij de dader.7 Het feit dat de rechter ervoor kiest geen straf of maatregel op te leggen, neemt niet weg dat bij de toepassing van artikel 9a Sr sprake is van een veroordeling en dus van onwaardigheid.8
De eis van een (onherroepelijke) veroordeling kan in sommige situaties tot onrechtvaardige uitkomsten leiden. Daarbij heeft het EHRM een belangrijke uitspraak gedaan over deze voorwaarde voor onwaardigheid. Nadien is hierover ook relevante nationale rechtspraak verschenen. In paragraaf 2.2.3.5 en 2.2.3.6 komt dit nader aan de orde. Eerst wordt aandacht besteed aan een buitenlandse veroordeling (par. 2.2.3.1), buitengerechtelijke afdoeningsmodaliteiten (par. 2.2.3.2), gratie, verjaring en herziening (par. 2.2.3.3) en de onherroepelijkheid van een veroordeling (par. 2.2.3.4).
2.2.3.1 Buitenlandse veroordeling2.2.3.2 Buitengerechtelijke afdoening2.2.3.3 Gratie, verjaring en herziening2.2.3.4 Eis van onherroepelijkheid2.2.3.5 Invloed jurisprudentie EHRM op eis onherroepelijke veroordeling2.2.3.6 Invloed nationale jurisprudentie op eis onherroepelijke veroordeling