Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.5.4.5:II.5.5.4.5 Beperking
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.5.4.5
II.5.5.4.5 Beperking
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624152:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Perrick 2013 (4), nr. 680.
Deze weg naar de rechter kan natuurlijk ook worden bewandeld zonder expliciete wettelijke bepaling. Wordt er bijvoorbeeld door de gedelegeerde niet binnen een bepaalde of redelijke termijn gehandeld, doordat de gedelegeerde geen opvolgend of vervangende executeur benoemt, dan kan mijns inziens op verzoek van een belanghebbende, al dan niet naar analogie met art. 3:300 BW, eveneens de rechter worden opgezocht.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten aanzien van de in art. 4:142 lid 1 BW beschreven bevoegdheidsverleningen bij uiterste wil om een of meer executeurs toe te voegen, of in de plaats te stellen resp. te vervangen, geldt, zoals in de paragrafen 5.5.4.3 en 5.5.4.4 naar voren kwam, een beperking. Enkel de ‘primaire’ executeur of de kantonrechter is hiertoe immers bevoegd. Perrick merkt op dat deze beperking onwenselijk is:
‘De erflater kan er een goede reden voor hebben een bepaalde (rechts)persoon, die hij niet tot executeur wenst te benoemen, bevoegd te verklaren een opvolgende of een vervangende executeur te benoemen. Deze kan daartoe beter geschikt zijn dan de kantonrechter. Art. 4:157 lid 1 BW staat de erflater wel toe op een dergelijke wijze in de benoeming van een (opvolgend) bewindvoerder te voorzien (curs. NB).’1
Op art. 4:157 lid 1 BW ga ik hierna, in paragraaf 5.6.4, nader in. Ten aanzien hiervan kan evenwel reeds worden aangetekend dat het instellen van testamentair bewind ziet op een of meer door erflater nagelaten of vermaakte goederen (art. 4:153 BW) en niet op de persoon van de bewindvoerder. Hetgeen kan verklaren waarom art. 4:157 lid 1 BW minder strak omlijnd is. Dit neemt echter Perricks kritiek over de onwenselijkheid van de beperking niet weg. De vraag kan worden gesteld waarom erflater een dergelijke bevoegdheidsverlening in zijn uiterste wil niet aan een andere persoon dan de primaire executeur of de kantonrechter zou kunnen geven. Wanneer erflater in zijn uiterste wil de ‘primaire’ executeur heeft benoemd (ofwel bepaald) en de bevoegdheidsverlening om een ander (op het moment van overlijden nog onbepaalde persoon) in de plaats te stellen resp. als vervanger te laten benoemen of toe te voegen, eveneens in zijn uiterste wil heeft neergelegd, wordt door erflater dan niet conform het verbintenisrechtelijke bepaaldheidsvereiste als bedoeld in art. 6:227 BW gehandeld? Enerzijds ben ik geneigd om deze vraag bevestigend te beantwoorden, gelet op mijn bevindingen in paragraaf 4.3.4.2 met betrekking tot de verbintenisscheppende overeenkomst (zoals ook de lastgeving). Hierin kwam naar voren dat voor verbintenissen bepaalbaarheid voldoet. Van bepaalbaarheid is sprake indien een vaststelling kan geschieden naar van tevoren vaststaande criteria, die een subjectief element kunnen inhouden, zoals het oordeel van derden. Indien erflater in zijn uiterste wil heeft neergelegd hoe de indeplaatsstelling resp. vervanging of toevoeging geschiedt, bijvoorbeeld door een van de erfgenamen, is er dan geen sprake van een dergelijke bepaalbaarheid? Gelet op mijn bevindingen in paragraaf 4.3.8.1 en 4.3.8.2 omtrent de mogelijkheid om een bepaalde schuldeiser resp. schuldenaar door een nog onbepaald persoon te laten vervangen, kan evenwel worden opgemerkt dat het hier ging om een indeplaatsstelling, ofwel een vervanging door de primaire schuldeiser resp. schuldenaar (zoals in art. 4:142 lid 1 BW ook is bepaald voor de primaire executeur) en niet door derden. Bovendien realiseer ik me dat de rechtszekerheid in het geding kan komen wanneer een derde (niet zijnde de primaire executeur of de kantonrechter) bijvoorbeeld geen opvolgend of vervangende executeur benoemt. Of indien de derde een lange tijd laat verstrijken voordat hij een opvolger of vervanger benoemt. Vanuit dit oogpunt bekeken, komt de bepaling dat de kantonrechter op verzoek van een belanghebbende een vervanger kan benoemen, mij als vangnetbepaling wenselijk voor.2