Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/7.7:7.7 SER-advies nr. 95/36 voor verruiming van het begrip passende arbeid en Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici 1996
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/7.7
7.7 SER-advies nr. 95/36 voor verruiming van het begrip passende arbeid en Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici 1996
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258946:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
SER-advies Verruiming van het begrip passende arbeid 1995, p. 7.
SER-advies Verruiming van het begrip passende arbeid 1995, p. 8.
Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici, Stb. 1995, 604.
Toet e.a., Passende arbeid 1997, p. 38-40.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na de invoering van de eerste richtlijn in 1992 is aan de SER in 1995 advies gevraagd over het voorstel van het kabinet om het begrip passende arbeid voor schoolverlaters en academici te verruimen. Het kabinet vond dat schoolverlaters elk soort werk qua aard en niveau dienden te accepteren en dat academici (ook met werkervaring) reeds bij aanvang van de werkloosheid verplicht moesten zijn niet alleen werk op academisch niveau, maar ook op hbo-niveau te zoeken en te accepteren.
De verruiming van passende arbeid voor academici was sterk ingegeven door de arbeidsmarktsituatie van dat moment: er waren weinig vacatures op academisch niveau en veel meer op hbo-niveau. De eerste zes maanden van de werkloosheid is de kans op het vinden van een baan het grootst, en daarnaast was het idee dat vanuit een functie op hbo-niveau gemakkelijk doorgestroomd kon worden naar een baan op academisch niveau.1
Het werknemersdeel van de SER en de leden op voordracht van de VNG hadden bezwaren tegen het verruimen van het begrip, omdat het geen voordeel voor de arbeidsmarkt zou opleveren. Als schoolverlaters direct na de beëindiging van de opleiding elk soort werk moesten accepteren dan zou dit leiden tot verdringing aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Dit zou in strijd zijn met het beleid van het kabinet destijds. Ook voor academici met werkervaring zou ongelijkheid ontstaan op de arbeidsmarkt. Het gevaar werd gesignaleerd dat sommige categorieën werklozen, zoals vrouwen en allochtonen, meer dan evenredig door de maatregel zouden worden getroffen.2
Het ondernemersdeel van de commissie en de onafhankelijke leden waren het wél eens met het voorstel voor verruiming van het begrip vanwege de activerende werking die het zou gaan opleveren. Actieve inschakeling op de arbeidsmarkt zou een nuttige bijdrage leveren aan het tegengaan van langdurige werkloosheid, ook al zou het gaan om inschakeling op een lager niveau. Vooral voor schoolverlaters zou het goed zijn om werkervaring op te doen. Het geconstateerde risico op verdringing op de arbeidsmarkt zou onvermijdelijk zijn, maar wel aanvaardbaar als langdurig werkloosheid en uitkeringsafhankelijkheid onder die groep kon worden verminderd.3
In 1996 is het Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici4 aangenomen op basis van die activeringsargumenten. In de Richtlijn passende arbeid 1992 gold nog het uitgangspunt dat academici zich gedurende het eerste half jaar van hun werkloosheid mochten beperken tot het zoeken naar en accepteren van werk op academisch niveau. Deze situatie vond het kabinet ongewenst, omdat de kans op het vinden van werk op hbo-niveau direct benut moest worden voor doorgroeimogelijkheden naar het eigen academische niveau.
De kans op verdringing en de meer dan evenredige gevolgen voor werkzoekenden aan de onderkant van de arbeidsmarkt (vrouwen en allochtonen) werden gerechtvaardigd door de activerende werking die aan de verruiming van het begrip werd toegedicht.5