De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/4.5.6.d:4.5.6.d Het voorontwerp modernisering personenvennootschappen
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/4.5.6.d
4.5.6.d Het voorontwerp modernisering personenvennootschappen
Documentgegevens:
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250189:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 4.5.6.c.
Zie § 4.5.6.c.
Zie § 4.5.6.c.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot slot wijs ik nog op het voorontwerp inzake de modernisering van personenvennootschappen.1 Op grond van het voorgestelde art. 7:801 lid 1 BW blijft een personenvennootschap een overeenkomst tussen de vennoten. Maar in afwijking van het huidige recht krijgt een personenvennootschap uit hoofde van het voorgestelde art. 7:803 lid 1 BW wel rechtspersoonlijkheid. Dit zou tot gevolg hebben dat als er namens de personenvennootschap wordt gehandeld, dit namens de rechtspersoon is en niet meer namens de gezamenlijke vennoten. De vennoten zijn dus niet zelf partij bij een dergelijke handeling. Op grond van het voorgestelde art. 7:809 lid 1 BW zijn de vennoten wel subsidiair hoofdelijk verbonden voor de schulden van de personenvennootschap.
Hierboven heb ik betoogd dat naar huidig recht de externe aansprakelijkheid van de 403-maatschappij voor de schulden van de personenvennootschap jegens derden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die namens de vennootschap zijn verricht, onder de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid valt omdat de 403-maatschappij zelf partij is bij deze rechtshandelingen.2 Aangezien de vennoten van een personenvennootschap volgens de voorgestelde regeling geen partij meer zijn bij dergelijke rechtshandelingen, vallen de schulden die daaruit voortvloeien niet onder de 403-aansprakelijkheid. Ook de redenering dat de subsidiaire hoofdelijke aansprakelijkheid van de 403-maatschappij op grond van het voorgestelde art. 7:809 lid 1 BW voor de schulden van de personenvennootschap jegens derden voortvloeit uit de vennootschapsovereenkomst en uit dien hoofde onder de 403-aansprakelijkheid valt, houdt naar mijn mening geen stand. Evenals naar huidig recht vloeit deze externe aansprakelijkheid mijns inziens niet voort uit de vennootschapsovereenkomst omdat het een aansprakelijkheid betreft van de 403-maatschappij tegenover een partij die niet betrokken is bij deze overeenkomst.
Resumerend leidt de voorgestelde regeling voor de modernisering van personenvennootschappen er naar mijn mening toe dat slechts de interne aansprakelijkheid van een 403-maatschappij jegens de personenvennootschap, onder de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid valt. Dit zou mijns inziens een ongewenste verandering zijn ten opzichte van het huidige recht. Ik heb er eerder op gewezen dat de crediteuren van wie de vordering voortvloeit uit een rechtshandeling van de personenvennootschap er belang bij kunnen hebben om de jaarrekening van de 403-maatschappij in te zien, om (mede) aan de hand daarvan te schatten hoe groot het risico is dat de 403-maatschappij niet (volledig) aan haar verplichtingen zal voldoen.3 Als deze mogelijkheid ontbreekt, moet een crediteur daarvoor naar mijn mening worden gecompenseerd met een aanvullende vordering op de moedermaatschappij van wie hij de geconsolideerde jaarrekening wel kan inzien. Een mogelijkheid is om het voorgestelde art. 7:809 lid 1 BW te wijzigen zodat de aansprakelijkheid van een 403-maatschappij voor de schulden van de personenvennootschap jegens derden onder de 403-aansprakelijkheid valt. Dit kan worden bereikt door deze bepaling zo aan te passen dat de vennoten niet extern aansprakelijk zijn tegenover de crediteuren, maar dat het een interne aansprakelijkheid betreft tegenover de personenvennootschap indien deze een schuld aan een crediteur niet kan voldoen.4 Deze aanpassing zou er overigens toe leiden dat de moedermaatschappij niet alleen aansprakelijk wordt voor de schulden van de personenvennootschap jegens derden die voortvloeien uit een rechtshandeling die namens de vennootschap is verricht, maar ook voor de schulden van de personenvennootschap uit de wet. Ik heb eerder opgemerkt dat de crediteuren van de personenvennootschap van wie de vordering uit de wet voortvloeit niet gecompenseerd hoeven te worden voor het niet kunnen inzien van de jaarrekening van de 403-maatschappij als vennoot.5
Ik ben mij ervan bewust dat bovengenoemde aanpassing van art. 7:809 lid 1 BW een fundamentele wijziging meebrengt ten opzichte van de voorgestelde regeling in het voorontwerp. Dit zou onder meer tot gevolg hebben dat een crediteur niet zelf de vennoten aansprakelijk kan stellen. Hij kan zich slechts op de personenvennootschap verhalen en het faillissement aanvragen als deze de vordering niet kan voldoen. Het is dan aan de curator om een beroep te doen op de interne aansprakelijkheid van de vennoten ex art. 7:809 lid 1 BW.
Hoewel het volgens het door mij bepleite uitgangspunt voor compensatie wenselijk is dat de externe aansprakelijkheid van de 403-maatschappij voor de schulden van de personenvennootschap jegens derden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die namens de vennootschap zijn verricht onder de 403-aansprakelijkheid valt, zou ik kunnen begrijpen dat de wetgever het voorgestelde art. 7:809 lid 1 BW ongemoeid laat in verband met de gevolgen voor het personenvennootschapsrecht, en het feit dat een moedermaatschappij dan ook aansprakelijk wordt voor de schulden van de personenvennootschap uit de wet.