HR, 21-02-2025, nr. 24/00575, nr. 24/01942
ECLI:NL:HR:2025:311
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-02-2025
- Zaaknummer
24/00575
24/01942
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:311, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑02‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:2277
ECLI:NL:HR:2025:156, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑01‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1141
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:2277
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1118
Beroepschrift, Hoge Raad, 31‑01‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑01‑2025
ECLI:NL:HR:2025:46, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑01‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1140
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:2537
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1141
ECLI:NL:PHR:2024:1118, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑10‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:156
ECLI:NL:PHR:2024:1140, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑10‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:46
ECLI:NL:PHR:2024:1141, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑10‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:46
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:156
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2025/340
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/224
NTFR 2025/367 met annotatie van mr. E.D. Postema
NLF 2025/0460
V-N 2025/10.21 met annotatie van Redactie
NDFR Nieuws 2025/180
Viditax (FutD) 2025013114
FutD 2025-0209
NTFR 2025/247 met annotatie van mr. E.D. Postema
V-N 2025/7.19 met annotatie van Redactie
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/120
NLF 2025/0314 met annotatie van Wendy Nent
Belastingblad 2025/97 met annotatie van A.P. Monsma
BNB 2025/43 met annotatie van R.F.C. SPEK
JB 2025/53
NDFR Nieuws 2025/98
Viditax (FutD) 2025011701
FutD 2025-0104
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/57
NTFR 2025/177 met annotatie van mr. E.D. Postema
V-N 2025/5.27 met annotatie van Redactie
NLF 2025/0204 met annotatie van Wendy Nent
Belastingblad 2025/96 met annotatie van A.P. Monsma
FED 2025/29 met annotatie van P. VAN DER WAL
BNB 2025/41 met annotatie van R.F.C. SPEK
JB 2025/52
AB 2025/172 met annotatie van M. Noordegraaf
NDFR Nieuws 2024/1754
NTFR 2024/1794 met annotatie van mr. E.D. Postema
NLF 2024/2497 met annotatie van Wendy Nent
Belastingblad 2024/400 met annotatie van J.C. Scherff
Viditax (FutD) 2024102506
FutD 2024-2248
NDFR Nieuws 2024/1756
Sdu Nieuws Belastingzaken 2024/1247
NTFR 2024/1793 met annotatie van mr. E.D. Postema
NLF 2024/2496 met annotatie van Wendy Nent
V-N 2024/50.11 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2024/399 met annotatie van J.C. Scherff
Viditax (FutD) 2024102505
FutD 2024-2247
NTFR 2024/1795
NLF 2024/2498 met annotatie van Wendy Nent
Uitspraak 21‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Herstelarrest, ter verbetering van het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2025, nr. 24/01942, ECLI:NL:HR:2025:156
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01942
Datum 21 februari 2025
HERSTELARREST
ter verbetering van het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2025, nr. 24/01942, ECLI:NL:HR:2025:156, gewezen op het beroep in cassatie van het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Hoogheemraadschap Utrecht tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 april 2024, nr. BK-ARN 23/11951..
1. Overwegingen voor herstel
1.1
De Hoge Raad heeft in deze zaak op 31 januari 2025 arrest gewezen (hierna: het arrest). Nadien heeft de Hoge Raad ambtshalve geconstateerd dat het arrest een fout bevat.
1.2
Aan het slot van het arrest is het volgende vermeld:
“Van het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Hoogheemraadschap Utrecht wordt een griffierecht geheven van € 138.”
Waar in deze volzin “€ 138” staat, had, gelet op artikel 29 AWR in samenhang gelezen met artikel 8:109, lid 1, letter c, en lid 2, Awb (tekst 2024), “€ 559” moeten staan.
1.3
Herstel van deze fout brengt mee dat het slot van het arrest als volgt komt te luiden:
“Van het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Hoogheemraadschap Utrecht wordt een griffierecht geheven van € 559.”
2. Beslissing
De Hoge Raad herstelt het arrest van 31 januari 2025, nr. 24/01942, op de hiervoor in onderdeel 1.3 vermelde wijze.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, de vice-president J.A.R. van Eijsden, en de raadsheren E.N. Punt, M.W.C. Feteris en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑02‑2025
Uitspraak 31‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Hersteld arrest, zie ECLI:NL:HR:2025:311 WOZ en onroerendezaakbelastingen; art. 30a Wet WOZ; Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm; belanghebbende in verweerderspositie; verenigbaarheid Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm met hoger recht; Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm niet van toepassing als de belanghebbende verweerder is.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01942
Datum 31 januari 2025
ARREST
in de zaak van
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 april 2024, nr. BK-ARN 23/11951., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 22/4928) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022.
1. Geding in cassatie
1.1
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Oosters, heeft een verweerschrift ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 25 oktober 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar) heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [a-straat 1] in [Z] (hierna: de woning) per waardepeildatum 1 januari 2021 voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 567.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag in de onroerendezaakbelastingen (hierna: de aanslag OZB) vastgesteld voor het jaar 2022, voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte, op € 432,05.
2.2
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar de eerder vastgestelde waarde van de woning verminderd tot € 535.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd tot € 407,67.
2.3
Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld.
3.2
Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord en heeft het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de waarde van de woning in goede justitie vastgesteld op € 500.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd.
4. Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten van het Dagelijks Bestuur over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Proceskosten
5.1
Het Dagelijks Bestuur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5.2.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, rijst de vraag of de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure moet worden vastgesteld met toepassing van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm3.(hierna: de WHpkv), gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet.
5.2.2
Bij de WHpkv is artikel 30a aan de Wet WOZ toegevoegd, waarin de hoogte van proceskostenvergoedingen voor procedures betreffende een besluit genomen op grond van het gestelde bij of krachtens de Wet WOZ of titel IV, hoofdstuk XV, paragraaf 2, van de Gemeentewet of een daarmee verband houdend besluit, is beperkt.
5.2.3
In zijn verweerschrift in cassatie heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat artikel 30a van de Wet WOZ onverbindend is wegens strijd met het verbod van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. De Hoge Raad verwerpt dat standpunt en verwijst daartoe naar onderdeel 3.6 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025).
5.3
Niettemin kan de regeling over de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv, en daarmee artikel 30a, lid 2, van de Wet WOZ in dit geval niet worden toegepast op de vergoeding van kosten van de cassatieprocedure. Die bepaling geldt namelijk, gelet op rechtsoverweging 3.5.3 van het arrest van 17 januari 2025, niet voor proceskosten die de belanghebbende in hogere instantie heeft gemaakt in een geval als dit, waarin die belanghebbende zich in die instantie met succes heeft verweerd tegen een rechtsmiddel dat is ingesteld door het bestuursorgaan.
5.4
In zijn verweerschrift in cassatie heeft belanghebbende de aandacht van de Hoge Raad gevraagd voor artikel 30a, lid 4, van de Wet WOZ, op grond waarvan de uitbetaling van deze proceskostenvergoeding uitsluitend mag plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende. Belanghebbende acht deze bepaling in strijd met het recht op het vrije verkeer van goederen en diensten binnen de Europese Unie. De Hoge Raad als bestuursrechter is echter niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende.4.Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.402 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, de vice-president J.A.R. van Eijsden, en de raadsheren E.N. Punt, M.W.C. Feteris en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2025.
Van het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Hoogheemraadschap Utrecht wordt een griffierecht geheven van € 559.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 31‑01‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1118, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:1141.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
Vgl. HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:324, rechtsoverweging 2.2.
Beroepschrift 31‑01‑2025
Uit het beroepschrift in cassatie van het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht:
onderwerp
Motivering van het beroepschrift in cassatie in
de zaak van [X]
Edelhoogachtbaar college,
Bij bericht van 22 mei 2024 heeft u ons in de gelegenheid gesteld om de gronden van het beroep aan te vullen in de zaak van [X] met nummer 24/01942. Met deze brief maken wij van die mogelijkheid gebruik.
Inleiding
1.
Op 28 februari 2022 is een WOZ-beschikking aan [X] (hierna belanghebbende) gezonden waarbij de waarde voor het belastingjaar 2022 van de onroerende zaak [a-straat 1] is vastgesteld op € 567.000. A. Oosters van WOZ-Consultants B.V. heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen deze beschikking en hierbij een taxatierapport ingediend. Het bezwaar is gegrond verklaard. De waarde is verminderd tot € 535.000 en er is een proceskostenvergoeding toegekend. Gemachtigde heeft beroep aangetekend. Het beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. Gemachtigde heeft vervolgens hoger beroep aangetekend. Dit is gegrond verklaard.
2.
Het Hof heeft mijns inziens met zijn beslissing het recht geschonden en/of verkeerd toegepast en/of zijn beslissing onvoldoende of onbegrijpelijk gemotiveerd. Dat lichten wij hierna toe.
Beroepsgrond 1
3.
Het Hof overweegt in r.o. 4.3:
‘Ve heffingsambtenaar heeft daarnaast referentieobjecten [b-straat 1] en [2] (ook te [Z]) aangevoerd. Dat zijn beide tussenwoningen. Deze objecten zijn naar het oordeel van het Hof reeds daarom geen geschikte referentieobjecten voor de onderbouwing van de waarde van de onroerende zaak, nu dat een hoekwoning betreft.’
4.
Mijns inziens is deze overweging onbegrijpelijk of gaat deze uit van een onjuiste rechtsopvatting. Het lijkt erop dat het hof van oordeel is dat referentiewoningen per definitie van hetzelfde woningtype moeten zijn als de woning waarvan de waarde is geschil is.
5.
In het fiscale recht geldt de vrije bewijsleer. Referentiewoningen dienen voldoende vergelijkbaar te zijn. Hierbij is mijns inziens van belang dat de referentiewoningen wat betreft bouwperiode, gebruiksoppervlakte, kaveloppervlakte en ligging voldoende op elkaar lijken. Bij voorkeur wordt de waarde van een hoekwoning onderbouwd met referentiewoningen van hetzelfde type (hoekwoning) maar in voorkomende gevallen zijn er onvoldoende transacties voorhanden van dergelijke woningen en zijn er wel transacties van tussenwoningen die wat betreft bouwperiode, gebruiksoppervlakte, kaveloppervlakte en ligging erg lijken op de woning waarvan de waarde in geschil is.
6.
Het ligt niet voor de hand om bijvoorbeeld een hoekwoning met een groot stuk perceel aan de zijkant van de woning, al dan niet met een garage of bijgebouw te vergelijken met een tussenwoning met alleen een voor- en achtertuin.
7.
Het is mij niet bekend dat de Waarderingskamer voorschrijft dat een referentiepand per definitie van hetzelfde woningtype moet zijn als de woning waarvan de waarde in geschil is. In het beoordelingsprotocol van de Waarderingskamer van 29 september 2023, pag 5, staan eengezins, rij-, hoek-, tussen-, drive-inwoningen als één categorie vermeld.
8.
Naar mijn mening kan in voorkomende gevallen de waarde van een bepaald type wel worden onderbouwd met gegevens van transacties van een ander woningtype indien de woningen voldoende op elkaar lijken en er voldoende rekening wordt gehouden met de verschillen. De eis die het hof lijkte te hebben geformuleerd dat het woningtype hetzelfde moet zijn is onjuist.
Beroepsgrond 2
9.
In r.o. 4.4. is door het hof het volgende overwogen:
‘Naar het oordeel van het Hof hebben beide partijen ieder voor zich hun standpunten omtrent de waarde van de onroerende zaak en die van de referentieobjecten geloofwaardig onderbouwd met de door hen aangedragen bewijsmiddelen en gebezigde argumenten. Daarbij kent het Hof aan de door partijen aangedragen bewijsmiddelen en argumenten in hun geheel beschouwd evenveel gewicht toe. Dit brengt mee dat partijen tegenover de gemotiveerde betwisting van hun standpunten de door hen over en weer verdedigde waarde niet aannemelijk hebbe_n gemaakt. Het Hof stelt daarom de waarde in goede justitie vast op € 500.000.’
10.
De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting betoogd dat de taxatiekaart van gemachtigde niet inzichtelijk is. Onduidelijk is bijvoorbeeld waarom bepaalde cijfers aan verschillende Koldufactoren van referenties zijn gegeven, de waarde van elementen zoals een dakkapel en waarom er taxatiekaart settings van 3% en 10% worden toegepast.
11.
Gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat de grondwaarde in haar taxatiekaart gelijk is aan de grondwaarde die de heffingsambtenaar heeft gehanteerd.
12.
In het arrest van uw raad met kenmerk ECLl:NL:HR:2024:571 is het volgende overwogen over de verdeling van bewijslast in WOZ-zaken:
‘4.2.2
Bij de beoordeling van dit onderdeel dient te worden vooropgesteld dat bij de vaststelling van de waarde van een onroerende zaak op grond van de Wet WOZ de normale regels met betrekking tot de verdeling van de bewijslast gelden. Die regels brengen mee dat de rechter ten aanzien van de door een partij aangevoerde feiten en omstandigheden moet beoordelen in hoeverre die zijn bestreden en, zoJa, in hoeverre die door deze partij aannemelijk zijn gemaakt. Daarbij moet de rechter acht slaan op al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd.4 Voor zover het onderdeel ervan uitgaat dat in het arrest van 14 oktober 2005, ECLl:NL:HR:2005:AU4300, is afgeweken van deze regels, berust het op een onjuiste veronderstelling. In dat arrest is beslist dat de rechter de waarde van de onroerende zaak alleen op een door hem gekozen grondslag mag vaststellen indien de heffingsambtenaar niet het van hem te verlangen bewijs heeft geleverd en, zo de belanghebbende een lagere waarde heeft bepleit, ook hij zijn daartoe aangevoerde stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt. Een verdergaande betekenis mag aan dit arrest niet worden toegekend.
4.2.3
Indien de belanghebbende beroep doet op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waardering van de onroerende zaak leiden, zoals vervuiling of veroudering, is het derhalve aan hem te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt de belanghebbende daarin, dan brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de heffingsambtenaar aannemelijk dient te maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden.5 Dit geldt ook in een geval als dit, waarin de belanghebbende zich op het standpunt stelt dat bij het vaststellen van de gecorrigeerde vervangingswaarde van een lagere bedrijfswaarde moet worden uitgegaan.’
13.
In de onderhavige zaak is de waarde van de onderhavige zaak gewaardeerd door de heffingsambtenaar en de gemachtigde met behulp van twee verschillende programma's. De uitkomsten zijn verschillend. Een beschrijving van de waardering met behulp van het programma Key2 staat beschreven in overweging 4.2 van de uitspraak met kenmerk ECLI:NL:GHARL:2024:3213. De grondslagen van en de gang van zaken bij het waarderen met het Koldu programma van gemachtigde zijn mij niet bekend.
14.
Mijns inziens heeft het hof, gelet op het arrest onder punt 12, onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd waarom de waardering door de heffingsambtenaar tekort schiet. Van de heffingsambtenaar mag niet worden verwacht dat zij in zaken van gemachtigde Oosters de grondslagen van de Koldumethode hanteert omdat niet duidelijk is wat deze grondslagen zijn en hoe deze grondslagen zijn gebaseerd op marktgegevens. De Koldumethode zoals deze is toegepast in de onderhavige zaak lijkt mijns inziens op een black box.
Conclusie
15.
BghU verzoekt uw Raad te beslissen over de eerste en tweede grief en de zaak te verwijzen naar een ander hof voor behandelen van de tweede grief en aldus het beroep in cassatie gegrond te verklaren.
Beroepschrift 17‑01‑2025
Onderwerp: Beroep in cassatie tegen de uitspraak van het hof Den haag van 30-01-2024 met kenmerk BK-22/1249
Geachte heer, mevrouw,
Bij deze stel ik mij als gemachtigde voor belanghebbende, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V., statutair gevestigd te […], kantoorhoudende te […], aan de […], en dien ik beroep in cassatie in tegen de in de aanhef genoemde uitspraak van het hof, zie bijlage 1.
1. Feiten en procesverloop
Op diverse tijdstippen deed belanghebbende BPM aangifte ter registratie in het kentekenregister van de onderstaande auto's:
Nr | Kenteken | Meldcode |
|---|---|---|
1 | [kenteken 1] | [0001] |
2 | [kenteken 2] | [0002] |
3 | [kenteken 3] | [0003] |
4 | [kenteken 4] | [0004] |
Belanghebbende deed aangifte met gebruikmaking van taxatierapporten, opgesteld door de firma [A].
In opdracht van de inspecteur werden hertaxaties verricht door de Dienst Domeinen.
Bij besluit van 12-11-2019 legde de inspecteur de naheffingsaanslag op.
Bij brief van 20-11-2019 diende ik bezwaar in tegen de naheffingsaanslag.
Op 17-06-2020 vond een hoorgesprek plaats.
Bij besluit van 20-08-2020 verklaarde de inspecteur het bezwaarschrift deels gegrond.
Bij brief van 15-09-2020 diende ik beroep in tegen de uitspraak op bezwaar.
Op 15-09-2022 vond de mondelinge behandeling ter zitting plaats.
Bij uitspraak van 27-10-2022 verklaarde de rechtbank het beroep gegrond.
Bij brief van 28-11-2022 diende de inspecteur van de Belastingdienst hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank.
Bij brief van 09-01-2023 diende ik een verweerschrift in waarbij ik tevens incidenteel hoger beroep instelde.
Bij uitspraak van 30-01-2024 verklaarde het hof het principale hoger beroep ongegrond en het incidentele hoger beroep gegrond.
2. Geschil
In geschil is de vraag of belanghebbende in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding vanwege de gegrondverklaring van het incidentele hoger beroep.
3. Overwegingen
3.1. Inzake de proceskosten
Bij brief van 09-01-2023 diende ik een verweerschrift in. In dat geschrift diende ik tevens incidenteel hoger beroep in. Het hof verklaarde het incidentele hoger beroep gegrond.
Het hof kent voor het incidentele hoger beroep geen procespunt toe, omdat een gecombineerd geschrift is ingediend.
Ik ben van mening dat het hof het recht heeft geschonden. Geen rechtsregel verplicht belanghebbende 2 afzonderlijke geschriften in te dienen (dus een verweerschrift en een apart incidenteel hoger beroepschrift) op straffe van het verlies van zijn recht op een procespunt bij gegrondverklaring van het incidentele hoger beroep.
Het hof oordeelt in rechtsoverweging 6.1. ten overvloede dat het gewicht van het incidentele hoger beroep op 0,25 moet worden gesteld vanwege geringe betekenis en de kennis van de gemachtigde. Tegen dat feitelijke oordeel verzet ik me niet in deze cassatieprocedure.
4. Conclusie
Op grond van het voorgaande verzoek ik uw college:
- —
Dit beroep in cassatie gegrond te verklaren;
- —
De uitspraak van het hof partieel te vernietigen;
- —
De inspecteur te veroordelen in een punt voor het incidentele hoger beroep, wegingsfactor 0,25;
- —
De staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten in deze cassatiefase.
Hoogachtend,
Uitspraak 17‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; artt. 8:75 en 8:108 Awb; art. 2 en bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht; art. 19a Wet bpm; Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm; recht op afzonderlijke vergoeding voor het ingestelde incidentele hoger beroep, ook als dat beroep is ingesteld middels een aanvulling van het verweerschrift; verenigbaarheid Wet herwaardering proceskosten WOZ en bpm met hoger recht.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/00575
Datum 17 januari 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 25 januari 2024, nr. BK-22/1249, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/1128) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend. Hij refereert zich daarin aan het oordeel van de Hoge Raad.
1.2
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 25 oktober 2024 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.1.Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op de conclusie.
2. Beoordeling van het middel
2.1.1
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld vanwege het oordeel van de Rechtbank dat de Inspecteur de naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) te hoog heeft vastgesteld. Belanghebbende heeft daarop incidenteel hoger beroep ingesteld.
2.1.2
Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en het incidentele hoger beroep gegrond verklaard. Het Hof heeft de Inspecteur op de voet van artikel 8:75 Awb veroordeeld in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof is bij de berekening van die vergoeding uitgegaan van twee proceshandelingen (verweerschrift in hoger beroep en verschijnen zitting), een gemiddeld gewicht (factor 1) en van een bedrag van € 875 per punt.
2.1.3
Het Hof heeft belanghebbende voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand die verband houden met het incidentele hoger beroep geen vergoeding toegekend, omdat de gemachtigde van belanghebbende één geschrift had ingediend waarin zowel verweer was gevoerd als incidenteel hoger beroep was ingesteld.
2.1.4
Het Hof heeft ten overvloede geoordeeld dat het gewicht van het incidentele hoger beroep als zeer licht kan worden beschouwd.
2.2
Het middel is gericht tegen het hiervoor in 2.1.3 weergegeven oordeel van het Hof.
2.3
Het middel slaagt. Voor een beroepschrift wordt volgens punt 1 van onderdeel A1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) één punt toegekend. Voor toekenning op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit van een vergoeding van kosten ter zake van rechtsbijstand voor het instellen van incidenteel hoger beroep, maakt het geen verschil of deze proceshandeling in een afzonderlijk geschrift is opgenomen dan wel in één geschrift in combinatie met het verweer tegen het door de andere procespartij ingestelde hoger beroep. Het gaat hier om de inhoud van de proceshandeling, niet om de vorm daarvan. Het hiervoor in 2.1.3 weergegeven oordeel van het Hof geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting.2.
2.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.5
De Inspecteur zal worden veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende voor het hoger beroep, bestaande uit kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De Hoge Raad gaat daarbij uit van (i) drie proceshandelingen (verweerschrift in hoger beroep, beroepschrift in het incidentele hoger beroep en verschijnen ter zitting) en daarmee dus van drie punten, (ii) de door het Hof in aanmerking genomen, in cassatie niet bestreden, factor 1 wegens het gewicht van de zaak in het principale hoger beroep, en (iii) het in cassatie evenmin bestreden oordeel van het Hof dat het gewicht van de zaak in het incidentele hoger beroep als zeer licht kan worden beschouwd (factor 0,25).
3. Proceskosten
3.1
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Met betrekking tot de hoogte van die vergoeding overweegt de Hoge Raad als volgt.
Inleiding
3.2.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm3.(hierna: de WHpkv), gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet.
3.2.2
De WHpkv voorziet voor bepaalde categorieën fiscale procedures in een beperking van de proceskostenvergoedingen, waaronder begrepen vergoedingen van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar (hierna tezamen: proceskostenvergoedingen). Die beperking geldt alleen – kort gezegd – voor procedures over de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) en de bpm. Aangezien proceskostenvergoedingen alleen voor deze categorieën fiscale procedures worden beperkt, en niet voor andere fiscale procedures, ziet de Hoge Raad zich geplaatst voor de vraag of de WHpkv daarmee een onderscheid maakt dat als een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen is aan te merken en daardoor in strijd komt met artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden (hierna: het Twaalfde Protocol bij het EVRM) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR).
3.2.3
Voordat wordt overgegaan tot beantwoording van deze vraag, zal de Hoge Raad hierna ingaan op de inhoud van de regeling met betrekking tot de beperking van proceskostenvergoedingen in de WHpkv (zie onderdeel 3.3), het doel en de motivering daarvan (zie onderdeel 3.4), en de werkingssfeer van die regeling in het licht van de uitzondering voor bijzondere gevallen (zie onderdeel 3.5). Op basis daarvan zal de Hoge Raad vervolgens in onderdeel 3.6 overgaan tot de beantwoording van de hiervoor bedoelde vraag.
Inhoud van de wettelijke regeling
3.3.1
Bij de WHpkv is artikel 19a aan de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet bpm) toegevoegd, waarin de hoogte van proceskostenvergoedingen voor procedures betreffende de bpm is beperkt. Artikel 19a, leden 1 en 2, van de Wet bpm luidt als volgt:
“1. Het bedrag dat strekt tot vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, onder toepassing van de nadere regels gesteld krachtens het vierde lid van dat artikel, wordt, voor zover die kosten betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van het bezwaar tegen een besluit genomen op grond van het gestelde bij of krachtens deze wet of tegen een daarmee verband houdend besluit, vermenigvuldigd met 0,25. De eerste zin vindt geen toepassing in geval van bijzondere omstandigheden in de zin van de nadere regels gesteld krachtens artikel 7:15, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2. In geval van een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, onder toepassing van de nadere regels gesteld krachtens de laatste zin van artikel 8:75, eerste lid, van die wet, of in geval van een veroordeling in de kosten waarbij artikel 8:75 van die wet van overeenkomstige toepassing is verklaard, wordt, voor zover die kosten betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van het beroep, hoger beroep of beroep in cassatie bij de bestuursrechter betreffende een besluit genomen op grond van het gestelde bij of krachtens deze wet of een daarmee verband houdend besluit, het bedrag dat strekt tot de vergoeding van die kosten vermenigvuldigd met:a. 0,25, indien het bestreden besluit wordt vernietigd of gewijzigd;b. 0,10 in alle overige gevallen.De eerste zin vindt geen toepassing in geval van bijzondere omstandigheden in de zin van de nadere regels gesteld krachtens artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.”
3.3.2
Deze artikelleden hebben betrekking op de kosten van procedures, waaronder begrepen bezwaarprocedures, over een besluit dat is genomen op grond van het gestelde bij of krachtens de Wet bpm of een daarmee verband houdend besluit. Daarmee verband houdende besluiten omvatten nevenbeslissingen van het bestuursorgaan, zoals een boete-, dwangsom- of rentebeschikking.4.Naar de kennelijke bedoeling van de wetgever5.zijn deze artikelleden eveneens van toepassing op de kosten van gerechtelijke procedures die betrekking hebben op een nevenbeslissing van de inspecteur en van de bestuursrechter in zo’n procedure, zoals beslissingen over vergoeding van proceskosten, griffierechten, wettelijke rente en materiële en/of immateriële schade.
3.3.3
De hoofdregel van de eerste volzin van het tweede lid van artikel 19a, lid 2, van de Wet bpm geldt in gevallen waarin een veroordeling in de kosten plaatsvindt als bedoeld in artikel 8:75, lid 1, Awb die betrekking heeft op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van het beroep, hoger beroep of beroep in cassatie bij de bestuursrechter betreffende een dergelijk besluit. Die hoofdregel houdt in dat het overeenkomstig het Besluit berekende bedrag dat strekt tot de vergoeding van die kosten van rechtsbijstand, wordt vermenigvuldigd (i) met de factor 0,25, indien het bestreden besluit wordt vernietigd of gewijzigd, en (ii) met de factor 0,10 in alle overige gevallen. De eerste volzin van artikel 19a, lid 1, van de Wet bpm bevat een soortgelijke regeling over de vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van het bezwaar tegen een besluit genomen op grond van het gestelde bij of krachtens de Wet bpm of tegen een daarmee verband houdend besluit. Hetovereenkomstig het Besluit berekende bedrag van de kostenvergoeding wordt dan vermenigvuldigd met 0,25. Op grond van de tweede volzin van lid 1 respectievelijk lid 2 van artikel 19a van de Wet bpm vindt de beperking die is geregeld in de eerste volzin van die artikelleden geen toepassing in geval van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit.
3.3.4
Een met artikel 19a van de Wet bpm overeenstemmende bepaling is bij de WHpkv aan de Wet WOZ toegevoegd (artikel 30a) met betrekking tot de kosten van procedures over een besluit dat is genomen op grond van het gestelde bij of krachtens de Wet WOZ of titel IV, hoofdstuk XV, paragraaf 2, van de Gemeentewet (betreffende de onroerendezaakbelastingen) of een daarmee verband houdend besluit. Vanwege de leesbaarheid zal de Hoge Raad in dit verband hierna alleen de besluiten op grond van de Wet WOZ noemen.
Doel en motivering van de wettelijke regeling
3.4.1
De beperkingen van proceskostenvergoedingen die in de WHpkv zijn aangebracht voor procedures over de Wet WOZ en de bpm, zijn ingegeven door een aanzienlijke toename van het aantal procedures op dit gebied6.en de constatering dat een zeer aanzienlijk en nog toenemend deel van die procedures wordt gevoerd door professionele rechtsbijstandsverleners die daarbij doorgaans optreden op basis van het principe van ‘no cure, no pay’ (hierna: no cure no pay).7.De wetgever is daarbij uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan (i) de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan, en (ii) de belanghebbende eventuele proceskostenvergoedingen afdraagt aan de rechtsbijstandverlener. Tegen die wijze van bijstand bestaat naar het oordeel van de wetgever op zichzelf geen bezwaar.8.
3.4.2
Bij procedures over zowel de Wet WOZ als de bpm bestaat echter volgens de wetgever het beeld dat het verkrijgen van proceskostenvergoedingen een belangrijke oorzaak is van het grote aantal procedures dat hierover wordt gevoerd, waarbij het belang van de betrokkene niet per se leidend is. De wetgever vond dit ongewenst, en wilde daarom de financiële prikkel wegnemen die bij dergelijke afspraken op basis van no cure no pay bestaat om namens de betrokkene een procedure te starten of om door te procederen met als overwegende reden voor de rechtshulpverlener om een beloning te krijgen ter grootte van onder meer proceskostenvergoedingen.9.
3.4.3
De WHpkv strekt ertoe die financiële prikkel weg te nemen door met ingang van 1 januari 2024 een einde te maken aan de overcompensatie die in geval van onverkorte toepassing van het Besluit optreedt bij het toekennen van proceskostenvergoedingen in het kader van procedures op het gebied van de Wet WOZ en de bpm. Met overcompensatie is daarbij bedoeld dat een vergoeding wordt toegekend die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. De wetgever constateert dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan het doel van het Besluit. Dat doel is namelijk dat proceskostenvergoedingen niet méér beogen te zijn dan een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten.10.De wetgever heeft met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv willen bereiken dat meer recht wordt gedaan aan dit doel.11.
3.4.4
In de memorie van toelichting wordt met betrekking tot de aanwezigheid van overcompensatie erop gewezen dat in procedures op het gebied van de Wet WOZ door rechtshulpverleners die werken op basis van no cure no pay (hierna: no-cure-no-paybureaus) vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van standaardteksten.12.De memorie van toelichting verwijst daartoe naar onderzoek door het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden van de Rijksuniversiteit Groningen (hierna: het COELO).13.
3.4.5
Hoewel geen empirisch onderzoek beschikbaar is dat inzicht biedt in de inspanning die gepaard gaat met een procedure op het gebied van de bpm, is de wetgever ervan uitgegaan dat daarvoor vergelijkbare overwegingen kunnen worden gehanteerd. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat no-cure-no-paybureaus die op dit gebied werkzaam zijn, een groot aantal zaken behandelen met een beperkte bezetting. Verder heeft de wetgever zich gebaseerd op de waarneming van de Belastingdienst dat door deze bureaus op het gebied van de bpm in de regel standaardgrieven worden ingebracht, en heeft hij opgemerkt dat dit in gerechtelijke procedures de afgelopen jaren met enige regelmaat is bevestigd.14.
3.4.6
In het jaarverslag over 2022 van de Raad voor de rechtspraak, waarnaar in de memorie van toelichting op enkele plaatsen wordt verwezen, wordt eveneens gewezen op de gewoonte van no-cure-no-paybureaus om gebruik te maken van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de zaak, onder meer op het gebied van de Wet WOZ.15.
3.4.7
De wetgever heeft in de WHpkv ervoor gekozen om proceskostenvergoedingen die op grond van het Besluit kunnen worden toegekend in procedures over de Wet WOZ en de bpm, in een deel van de gevallen (de gevallen waarin het bestreden besluit wordt vernietigd of gewijzigd) te vermenigvuldigen met de factor 0,25. Ter onderbouwing van die factor is een berekening gemaakt die onder meer ervan uitgaat dat de volledige behandeling van een bezwaarprocedure tegen een WOZ-beschikking de rechtshulpverlener die werkt op basis van no cure no pay, hooguit twee uur kost, inclusief toerekening van overheadwerkzaamheden. Met betrekking tot procedures over de bpm is de wetgever uitgegaan van een vergelijkbaar beeld als voor procedures over de Wet WOZ. De tijdsbesteding voor procedures over de Wet WOZ heeft de wetgever ontleend aan het hiervoor in 3.4.4 vermelde rapport van het COELO. Het COELO heeft de daarin opgenomen analyse gebaseerd op een schatting van de uren die aan de behandeling van een bezwaarprocedure worden besteed door de vaste werknemers van de acht bedrijven die landelijk gezien op het gebied van de Wet WOZ de meeste bezwaren indienen op basis van no cure no pay.
3.4.8
De wetgever heeft verder met betrekking tot de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van beroep, hoger beroep of beroep in cassatie, gekozen voor een nog lagere vergoeding in gevallen waarin de bestuursrechter weliswaar een dergelijke vergoeding toekent, maar de bestreden WOZ-beschikking dan wel de voldoening of naheffing van bpm in stand blijft. Daartoe is bepaald dat in deze gevallen een vermenigvuldiging met de factor 0,10 wordt toegepast. In de memorie van toelichting is hierover het volgende opgemerkt:
“Dit [HR: criterium] heeft tot doel om gevallen af te bakenen waarin een belanghebbende op een inhoudelijk punt in het gelijk wordt gesteld. Alleen in een dergelijk geval wordt het op grond van het Besluit vastgestelde bedrag dat strekt tot de vergoeding van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vermenigvuldigd met 0,25.”16.
In de memorie van toelichting is verder hierover opgemerkt:
“Het kabinet wil het minder lonend maken om bijvoorbeeld procedurele foutjes uit te lokken, het proces te vertragen zodat de redelijke termijn wordt overschreden of om door te procederen op procedurele gronden terwijl dat niet in het belang is van de belanghebbende.”17.
Werkingssfeer van de regeling en bijzondere gevallen
3.5.1
Uit hetgeen hiervoor in 3.4.1 tot en met 3.4.6 is overwogen, volgt dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ en de bpm het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak.
3.5.2
Gevallen die kennelijk niet de hiervoor in 3.5.1 bedoelde kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de WHpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van de tweede volzin van artikel 19a, leden 1 en 2, van de Wet bpm en artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. Een dergelijke uitleg van het begrip bijzondere gevallen draagt bij aan de verwezenlijking van het in artikel 17, lid 1, van de Grondwet begrepen recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.
3.5.3
Verder heeft te gelden dat de regeling over de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv niet van toepassing is op de proceskosten die een belanghebbende in hogere instantie heeft gemaakt, als hij zich in die instantie met succes verweert tegen een rechtsmiddel dat is ingesteld door het bestuursorgaan (verzet dan wel principaal of incidenteel hoger beroep of beroep in cassatie). Gelet op doel en strekking van die regeling in de WHpkv, zoals hiervoor in 3.4.1 tot en met 3.4.5 vermeld, kan in zulke gevallen namelijk niet worden gezegd dat de procedure in hogere instantie wordt gevoerd met het oog op het verkrijgen van een proceskostenvergoeding. Daarbij is niet van belang of de procedure in hogere instantie betrekking heeft op een vernietiging of een wijziging van het bestreden besluit.
Toetsing aan het verbod van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling
3.6.1
Met inachtneming van het voorgaande komt de Hoge Raad tot beantwoording van de hiervoor in 3.2.2 vermelde vraag of de regeling over de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv een onderscheid maakt dat als ongerechtvaardigde ongelijke behandeling is aan te merken en daarom in strijd komt met artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 IVBPR. Deze verdragsbepalingen verbieden een ongelijke behandeling van gevallen die als gelijke gevallen zijn te beschouwen, indien een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor dat verschil in behandeling ontbreekt. Een dergelijke rechtvaardiging ontbreekt indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel.18.
3.6.2
Daarbij komt aan de wetgever een zekere vrijheid (“margin of appreciation”) toe bij de beoordeling van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en, zo ja, of dan een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.19.Bij kwesties op het gebied van de heffing en invordering van belastingen is die beoordelingsvrijheid in het algemeen ruim. Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever op die gebieden te worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond is ontbloot.20.Een zo ruime marge komt de wetgever echter niet toe als het gaat om beperkingen van proceskostenvergoedingen in fiscale procedures, aangezien daarbij de toegang tot de rechter aan de orde is. Wel heeft de wetgever daarbij een zekere beoordelingsmarge.21.
3.6.3
Uit hetgeen hiervoor in 3.4.3 is overwogen, volgt dat de regeling over de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv ertoe strekt te voorkomen dat proceskostenvergoedingen in veel gevallen dermate hoog uitvallen dat afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt van het Besluit dat proceskostenvergoedingen niet méér beogen te zijn dan een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten. Dit is een doelstelling die voor de toepassing van de hiervoor in 3.6.1 bedoelde verdragsbepalingen als legitiem doel kan worden aanvaard. Gelet op de hiervoor in 3.5.2 en 3.5.3 bedoelde afbakening van de werkingssfeer van deze regeling, kan niet worden gezegd dat de wetgever daarmee verder is gegaan dan nodig is om dit doel te bereiken, en er daarom geen redelijke verhouding zou bestaan tussen die maatregel en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel.
3.6.4
De wetgever heeft verder voor de vermindering van proceskostenvergoedingen in redelijkheid kunnen besluiten om als regel de toe te kennen vergoedingen te vermenigvuldigen met de factor 0,25. Wel kan de juistheid worden betwijfeld van het uitgangspunt van de wetgever dat hiermee de werkelijke kosten worden benaderd. Dat uitgangspunt berust op de veronderstelling dat de volledige behandeling van een bezwaarprocedure over een WOZ-beschikking voor een no-cure-no-paybureau hooguit twee uur in beslag neemt. Deze veronderstelling is gebruikt in het hiervoor in 3.4.4 vermelde rapport van het COELO, dat daartoe geen schatting heeft gemaakt van de kosten van (hoger)beroepsprocedures en alleen is uitgegaan van de uren van vaste medewerkers van de onderzochte no-cure-no-paybureaus. Datzelfde rapport constateert echter (op blz. 20) dat het voor de hand ligt dat deze rechtshulpverleners tijdelijk personeel inzetten, omdat veel van de werkzaamheden niet gedurende het hele jaar plaatsvinden maar in korte perioden. Dit brengt echter niet mee dat de keuze van de wetgever voor vermenigvuldiging met de factor 0,25 niet is gerechtvaardigd. Het staat de wetgever vrij om proceskostenvergoedingen op een lager bedrag te stellen dan de werkelijke kosten. Dat sluit aan bij het – aanvaardbare – uitgangspunt van de wettelijke regeling dat de vergoeding slechts een tegemoetkoming in de werkelijke kosten vormt. Van deze wettelijke beperking door de vermenigvuldiging met de factor 0,25 kan ook niet worden gezegd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen die maatregel en het daarmee beoogde, hiervoor in 3.6.3 vermelde gerechtvaardigde doel.
3.6.5
Het stond de wetgever ook vrij om een verdere vermindering van proceskostenvergoedingen voor te schrijven voor gevallen waarin de belanghebbende door de bestuursrechter slechts in het gelijk wordt gesteld op een punt dat niet tot het inhoudelijke geschil behoort, zoals het toekennen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en het vaststellen van de vergoeding van proceskosten in de vorige instantie. Gelet op het citaat aan het slot van rechtsoverweging 3.4.8 hiervoor, is de wetgever kennelijk ervan uitgaan dat procedures in het algemeen geen toegevoegde waarde hebben voor de betrokkene uit een oogpunt van rechtsbescherming, indien daarin klachten voorop staan die geen aanleiding kunnen geven tot een lagere belastingschuld, en eventuele proceskostenvergoedingen bovendien worden afgedragen aan de rechtsbijstandverlener. Dat uitgangspunt is als redelijk aan te merken. Dat geldt eveneens voor het kennelijke streven van de wetgever om zulke procedures te ontmoedigen. Ook dit doel van de regeling kan voor de toepassing van de hiervoor in 3.6.1 bedoelde verdragsbepalingen dan ook als legitiem worden aangemerkt. Wat betreft de keuze van de wetgever om daartoe de proceskostenvergoeding in deze categorie gevallen te vermenigvuldigen met de factor 0,10, kan evenmin worden gezegd dat een redelijke verhouding ontbreekt tussen die maatregel en het gerechtvaardigde doel daarvan.
3.6.6
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.6.4 en 3.6.5 is overwogen, en met inachtneming van de beoordelingsmarge voor de wetgever zoals hiervoor bedoeld in 3.6.2, laatste volzin, moet worden aangenomen dat voor de hiervoor in onderdeel 3.3 beschreven beperkingen van proceskostenvergoedingen op het gebied van de Wet WOZ en de bpm, en voor de uitwerking daarvan door middel van vermenigvuldiging met de factor 0,25 of 0,10, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Reeds daarom leiden de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv niet tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling die in strijd komt met de hiervoor in 3.6.1 vermelde verdragsbepalingen.
Toetsing aan het Unierecht
3.7.1
Naar aanleiding van de hiervoor in 1.2 bedoelde reactie van belanghebbende op de conclusie van de Advocaat-Generaal merkt de Hoge Raad op dat de bedoelde beperkingen in procedures over de bpm waarin het Unierecht van toepassing is,22.niet in strijd komen met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.23.Van de regeling met betrekking tot proceskostenvergoedingen in de WHpkv kan niet worden gezegd dat deze de verwezenlijking van de rechten die de belanghebbende aan het Unierecht ontleent, onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. De hiervoor bedoelde beperkingen zijn evenmin strijdig met het beginsel van effectieve rechtsbescherming zoals bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Daarbij is van belang dat de beperkingen van proceskostenvergoedingen op grond van de WHpkv niet van toepassing zijn in de hiervoor in 3.5.2 en 3.5.3 bedoelde gevallen, en dat bovendien op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit de mogelijkheid bestaat proceskostenvergoedingen toe te kennen die hoger zijn dan de in dat besluit voorziene forfaitaire bedragen.24.Die bepaling in het Besluit dient waar nodig in overeenstemming met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel en met artikel 47 van het Handvest te worden uitgelegd.25.
3.7.2
De beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv komen, in procedures over de bpm waarin het Unierecht van toepassing is, evenmin in strijd met het door belanghebbende in haar reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal eveneens genoemde Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel. Die beperkingen zijn immers gelijkelijk van toepassing op procedures over de bpm waarin de klachten van de belanghebbende zijn gebaseerd op schending van het Unierecht en op procedures op dat gebied waarin de klachten zijn gebaseerd op schending van het nationale recht. Voor de overige fiscale procedures waarin de beperkingen van proceskostenvergoedingen op grond van de WHpkv niet van toepassing zijn, waarbij overigens niet van belang is of het Unierecht daarbij in het geding is, geldt dat zij in het kader van het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel met het oog op de berekening van zo’n vergoeding niet zijn aan te merken als gevallen die gelijk zijn aan of vergelijkbaar zijn met de gevallen waarin de regeling in de WHpkv over proceskostenvergoedingen kan worden toegepast. Als gevolg van de hiervoor in 3.5.1 en 3.5.2 beschreven afbakening van de werkingssfeer daarvan is dat een categorie gevallen met afwijkende kenmerken in het licht van het hiervoor in 3.4.3 vermelde doel van proceskostenvergoedingen, die niet zijn bedoeld als volledige vergoeding maar als een tegemoetkoming in de kosten. Met betrekking tot de overige fiscale procedures is de wetgever kennelijk ervan uitgegaan, en mocht hij ook in redelijkheid ervan uitgaan,26.dat daarin niet in noemenswaardige mate wordt geprocedeerd door no-cure-no-paybureaus die – zoals het geval is in de procedures waarop de WHpkv ziet – (i) zodanige afspraken met cliënten maken dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan deze bureaus wordt afgedragen, en die (ii) op zodanige wijze procedures voeren dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Die overige procedures kunnen daarom in het kader van het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel niet worden aangemerkt als procedures die betrekking hebben op vorderingen die wat betreft hun voorwerp, oorzaak en voornaamste kenmerken vergelijkbaar zijn met de vorderingen die aan de orde zijn in procedures over de bpm die vallen onder de reikwijdte van de WHpkv.27.In het kader van het gelijkwaardigheidsbeginsel hoeft daarom geen vergelijking met die overige procedures plaats te vinden.
4. Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad
4.1
De Hoge Raad is in dit stadium van het geding nog niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om te beoordelen of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor in 3.5.2 is bedoeld.
4.2
Totdat dit arrest werd gewezen, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de hiervoor in 3.5.1 en 3.5.2 geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op haar rustende bewijslast. De Staatssecretaris zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.
5. Beslissing
De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 4.2 beschreven procedure is gevolgd.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, de vice-president J.A.R. van Eijsden, en de raadsheren E.N. Punt, M.W.C. Feteris en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑01‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1140, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:1141.
Vgl. HR 7 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:607, rechtsoverweging 2.1.3.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3, blz. 24 en 27.
Zie Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3, blz. 27-28 en 25-26.
Zie de cijfermatige gegevens in de onderdelen 2.1 en 2.2 van de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3, blz. 4-5.
Zie onderdeel 2.3 van de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3, blz. 6.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3, blz. 8, 10 en 19.
De hoogte en de structuur van de kostenvergoeding voor bedrijven die helpen bij het maken van bezwaar tegen woz-beschikkingen, Groningen: COELO, Rijksuniversiteit Groningen 2021. Zie hierover onderdeel 3.1.1 van de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3, blz. 8-11.
Zie over dit een en ander Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3, blz. 10.
Jaarverslag 2022 van de Raad voor de rechtspraak, blz. 5.
Zie EHRM 29 april 2008, nr. 13378/05, Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, paragraaf 60.
Vgl. EHRM 12 april 2006, nrs. 65731/01 en 65900/01, Stec en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, paragraaf 51.
Vgl. HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1211, rechtsoverweging 3.3.1, en de daarin aangehaalde rechtspraak van het EHRM, en HR 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1657, rechtsoverweging 5.3.1.
Vgl. EHRM 2 oktober 2018, nrs. 40575/10 and 67474/10, Mutu en Pechstein tegen Zwitserland, paragraaf 93.
Zie met betrekking tot de procedures over de bpm waarin dat geval is HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1917, rechtsoverweging 4.2.3.
Vgl. HvJ 6 december 2001, Clean Car Autoservice GmbH, C-472/99, ECLI:EU:C:2001:663, punt 29.
Vgl. HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, rechtsoverweging 3.5, en HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, rechtsoverweging 2.4. Zie ook Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3, blz. 21.
Vgl. HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, rechtsoverweging 2.4.
Vgl. paragraaf 4.3.2 van het rapport van het WODC uit 2024, vermeld in onderdeel 8.4 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal.
Vgl. HvJ 27 juni 2013, ET Agrokonsulting-04-Velko Stoyanov, C-93/12, ECLI:EU:C:2013:432, punt 39.
Conclusie 25‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2024:1141 Wet herwaardering proceskostenvergoeding (WHpkv) WOZ en bpm; art. 30a(4) en (5) Wet WOZ; uitbetaalregel en cessieverbod pkv-vordering. Welke rechter gaat daarover? Schenden die regels het discriminatieverbod of het eigendomsrecht? Jegens de gemachtigde of de belastingplichtige? (Proces)belang? Hoe moet de WHpkv worden toegepast als niet de gemachtigde maar de overheid doorprocedeert en de belastingplichtige als verweerder in het gelijk wordt gesteld maar de beschikking niet wijzigt? Factor 0,1 of factor 0,25?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01942
Datum 25 oktober 2024
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Wet WOZ / proceskostenvergoeding 2024
Nr. Gerechtshof 23/1195
Nr. Rechtbank 22/4928
CONCLUSIE
P.J. Wattel
Met bijlage
In de zaak van
B & W gemeente Utrecht
tegen
[X]
Gebruikte afkortingen
Awb | Algemene wet bestuursrecht |
Bpb | |
Bpm | Belasting van personenauto’s en motorrijwielen |
EHRM | Europees Hof voor de Rechten van de Mens |
EVRM | Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens |
HvJ | Hof van Justitie van de Europese Unie |
IVBPR | Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten |
Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn | |
ncnp | No cure, no pay |
OZB | Onroerendezaakbelasting |
pkv | Proceskostenvergoeding |
VNG | Vereniging van Nederlandse Gemeenten |
VwEU | Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
Wet bpm | Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 |
Wet WOZ | Wet waardering onroerende zaken |
WHpkv |
1. Overzicht
1.1
Ik concludeer vandaag ook in de bpm-zaak met nr. 24/00575 die op uw verzoek voor conclusie is geselecteerd omdat het de eerste is waarin u de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv) zult moeten toepassen. Deze WOZ-zaak is daarnaast geselecteerd omdat (i) de gemachtigde niet alleen de houdbaarheid van de verlaging van de proceskostenvergoeding (pkv) in WOZ- en bpm-zaken bestrijdt, maar ook de uitbetaalregel (uitsluitend aan de belastingplichtige) en het verbod op cessie en verpanding van de voorwaardelijke pkv-vordering en omdat (ii) de belastingplichtige in deze cassatieprocedure niet de eiser maar de verweerder is, zodat diens gemachtigde niet verweten kan worden (al heeft hij dat niet aangevoerd) dat hij materieel zinloos en alleen voor de pkv of ISV cassatieberoep heeft ingesteld, en tenslotte omdat (iii) het goed is om naast een bpm-zaak ook een WOZ-zaak te hebben, onder meer omdat in WOZ-zaken ook onderzoek van de Waarderingskamer voorhanden is en de WOZ-procesmarkt (nog) niet helemáál beheerst wordt door no cure no pay (ncnp) gemachtigden (80,6% van de beroepen; 79% van de hogere beroepen) zoals wel de bpm-procesmarkt (97% van de beroepen; 73% van de hogere beroepen).
1.2
De onderdelen 4 t/m 8 van deze conclusie zijn gelijk aan de onderdelen 4 t/m 8 van de conclusie in de genoemde bpm-zaak met rolnr. 24/00575 waarin ik vandaag eveneens concludeer en zijn daarom niet in de conclusies maar in een gemene bijlage bij beide conclusies opgenomen. Waar ik hieronder verwijs naar de onderdelen 4 t/m 8, zijn dat dus verwijzingen naar de bijlage. In die vijf conclusie-onderdelen in de bijlage behandel ik:
4. de algemene regeling van de pkv in het bestuursrecht;
5. twee arresten waarin u het pkv-onderscheid in het Bpb tussen (i) fiscale en andere bestuursrechtelijke zaken en (ii) WOZ/bpm-zaken en andere fiscale zaken heeft getoetst aan het grondwettelijke discriminatieverbod;
6. de Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm (WHpkv) en diens parlementaire geschiedenis;
7. rechtspraak van (i) de Hoge Raad over toetsing van formele belastingwetten aan het volkenrechtelijke discriminatieverbod, (ii) het EHRM over de margin of appreciation van de nationale wetgever in belastingzaken en (iii) feitenrechters over de effecten van ncnp-procesvertegenwoordiging in WOZ- en bpm-zaken; en
8. de bevindingen in onderzoeksrapporten over ncnp-bijstand en oneigenlijk gebruik van pkv en ISV in WOZ- en bpm-zaken, exclusief het kwantitatieve onderzoek van de Waarderingskamer dat behandeld wordt in onderdeel 9 hieronder.
1.3
In deze conclusie behandel ik verder:
10. de uitbetaalregel en het cessieverbod in de WHpkv;
11. het financiële belang van de belanghebbende in WOZ-zaken;
12. rechtspraak over de rol van de belastingrechter bij de bepaling van de adressaat van de pkv-uitbetaling;
13. het cassatieberoep van B&W Utrecht;
14. het verzoek van de gemachtigde om uitbetaling van de pkv aan hem;
15. de door de wetgever (en de gemachtigde) niet-onderkende verweerder-positie van de belanghebbende;
16. Een algemeen ceterum censeo;
alvorens in onderdeel 17 tot een conclusie te geraken.
1.4
De belanghebbende is eigenaar-bewoner van een woning in [Z] . In de bezwaarfase is de WOZ-waarde 2022 van die woning verlaagd van € 567.000 naar € 535.000; de aanslag OZB 2022 is dienovereenkomstig verminderd. De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard, maar het Hof heeft in hoger beroep de WOZ-waarde verder verlaagd en in goede justitie vastgesteld op € 500.000. De zaak heeft voor de belanghebbende een gering financieel belang ondanks de WOZ-waardeverlaging met uiteindelijk € 67.000. Zijn OZB-last is met slechts € 51,05 verlaagd. Ervan uitgaande dat zich dan ook een belastingbesparing in box 1 van de inkomstenbelasting bevindt (het eigenwoningforfait), bedraagt de inkomstenbelastingbesparing maximaal € 149,24. Het totale financiële belang (OZB-, watersysteemheffing- en IB-besparing) van de belanghebbende kan dan op maximaal € 210 geschat worden. Daartegenover is in casu tot nu toe al € 4.166,26 aan pkv uit gemeenschapsgeld betaald aan een verdienmodel van een ncnp-bureau.
1.5
Het college van B&W Utrecht heeft cassatieberoep ingesteld waarin hij ’s Hofs (motivering van de) waardebepaling bestrijdt. De gemachtigde heeft geen (incidenteel) cassatieberoep ingesteld. Met de belanghebbende acht ik het cassatieberoep ongegrond omdat de cassatierechter niet over feitelijke (bewijs)oordelen gaat. De belanghebbende komt dan in aanmerking voor vergoeding van de in cassatie gemaakte rechtsbijstandskosten. Sinds 1 januari 2024 bepaalt de WHpkv (art. 30a(2)(b) Wet WOZ) die vergoeding op 10% van de reguliere pkv volgens het Bpb. Verder wordt die pkv sinds die datum uitsluitend uitbetaald aan de belastingplichtige; niet aan de gemachtigde (art. 30a(4) en (5) Wet WOZ). De gemachtigde bestrijdt beide nieuwe regels en verzoekt om uitbetaling aan hem.
1.6
Ad de uitbetaalregel: de gemachtigde verzoekt uitbetaling van de pkv aan hem kennelijk omdat hij meent dat art. 30a(4) en (5) Wet WOZ rechtstreeks werkend internationaal recht zou schenden. Dit verzoek is identiek aan het verzoek in de zaak HR BNB 2016/105 en er valt nog steeds niets af te dingen van uw constatering dat op geen wettelijke bepaling gebaseerd kan worden dat de bestuursrechter op zo’n verzoek zou moeten beslissen. Het eigendomsrecht of een discriminatie van de gemachtigde kan mijns inziens trouwens überhaupt niet aan de orde gesteld worden in een procedure voor de belastingrechter naar aanleiding van een uitsluitend op naam van de belastingplichtige luidende beschikking van de belastingdienst. Een beweerdelijke schending van WOZ/bpm-gemachtigden of van dier eigendomsrechten zullen die gemachtigden bij de burgerlijke rechter aan de orde moeten stellen. Die schending is er mijns inziens overigens niet: de voorwaardelijke pkv-vordering is ten tijde van de cessie nog geen possession in de zin van het eigendomsrecht (geen legitimate expectation) omdat de voorwaarde niet vervuld is en de structurele overcompensatie van ncnp-gemachtigden in WOZ/bpm-zaken is eerder een privilege voor zowel die gemachtigden als hun klanten dan een discriminatie ten opzichte van gemachtigden die niet structureel overgecompenseerd worden en zelf hun debiteurenrisico moeten betalen en ten opzichte van belastingplichtigen die niet gratis op kosten van de belastingbetaler kunnen procederen om flutbedragen. Ook de belastingplichtige wordt dus niet gediscrimineerd. Hem wordt evenmin een possession afgenomen, want die is er nog niet zolang de voorwaarde niet vervuld is. Zijn pkv-vorderingsrecht wordt overigens feitelijk juist versterkt door het cessie- en verpandingsverbod en dat is ook de bedoeling van de wetgever, en niets belet hem om de hem eventueel toekomende en uitbetaalde pkv door te betalen aan zijn gemachtigde. De term ‘cessieverbod’ lijkt mij ook misplaatst. Het gaat om een cessiedwangverbod: belastingplichtigen worden door de WHpkv juist beschermd tegen de contractuele dwang tot cessie bij voorbaat van alles wat hen kan toekomen, ongeacht hoeveel méér hen blijkt toe te komen dan de waarde van de verleende diensten.
1.7
Zelfs als van enige grondrechtenbeperking zou kunnen worden gesproken, bestaat er een zwaarder wegende dwingende reden van algemeen belang die die – mijns inziens nonexistente – beperking rechtvaardigt en die geschikt en proportioneel is voor het bereiken van het gerechtvaardigde maatschappelijke doel van beëindiging van structurele overcompensatie van proceskosten in WOZ- en bpm-zaken om de woekering van ncnp-verdienmodellen ten koste van de algemene middelen te stoppen die de rechtspraak verstopt en daarmee de rechtsbescherming van anderen schaadt zonder daartegenover significant bij te dragen aan de rechtsbescherming, maar vooral aan het verdienmodel.
1.8
Ad de hoogte van de cassatie-pkv: als u het cassatieberoep van B&W ongegrond verklaart, waar ik van uitga, leidt dat niet tot vernietiging of wijziging van het (nader door de feitenrechter vastgestelde) WOZ-besluit, maar tot geen ander gevolg dan dat de Hofuitspraak blijft staan. Op basis van art. 30a(2) Wet WOZ wordt dan de reguliere cassatie-pkv ex het Bpb verlaagd tot slechts 10% daarvan. Die uitkomst staat haaks op het doel van de WHpkv (tegengaan van nodeloos (door)procederen door gemachtigden om pkv’s en ISV’s uit te lokken). In ons geval zijn het immers eerder B&W die nodeloos doorprocederen. In het licht van het doel van de WHpkv is verlaging tot 10% van de normale pkv in casu onverklaarbaar en mijns inziens onredelijk en onevenredig.
1.9
De parlementaire behandeling van de WHpkv bevat geen aanwijzingen dat de wetgever heeft onderkend dat een (ncnp-)gemachtigde in WOZ- en bpm-zaken in hoger beroep en cassatieberoep niet alleen in eisende positie kan optreden (zoals in bezwaar en beroep), maar ook in verwerende positie. In verwerende positie kan hem niet verweten worden dat hij materieel zinloos en alleen maar voor eigen gewin doorprocedeert en kan de belastingplichtige niet verweten worden dat hij voor een flutbedrag een loterij zonder nieten voortzet op hoge kosten van de gemeenschap. Doordat juist de Inspecteur of de gemeente doorprocedeert, wordt de belanghebbende gedwongen zich te verweren en is het in beginsel niet onredelijk om verweerkosten te maken. Dat de pkv-verlaging naar 10% van het Bpb-bedrag zich ook – en contrarationeel – kan voordoen als niet de gemachtigde maar de overheid vruchteloos doorprocedeert, is kennelijk niet verdisconteerd door de wetgever.
1.10
Ik meen daarom dat de gemachtigde op deze – niet door hem gestelde – grond een punt heeft waar hij betoogt dat het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel worden geschonden. Verlaging tot 10% staat in winnende verweer-posities haaks op het doel van de wet en is daarmee mijns inziens in zijn voor de burger nadelige gevolg per definitie onevenredig aan het op zichzelf honorabele maatschappelijke doel van de WHpkv. Als partij die in vorige instantie (deels) gewonnen heeft en zelf niet doorprocedeert, kan een zich in hogere instantie slechts verwerende belanghebbende met (ncnp-)gemachtigde niet gelijkgesteld worden met een belanghebbende die een ncnp-gemachtigde machtigt om voor kleine bedragen een loterij zonder nieten te beginnen of voort te zetten op hoge kosten voor de gemeenschap. Daarmee zouden twee – in het licht van het doel van de regeling – manifest onvergelijkbare gevallen ongerechtvaardigd over één kam worden geschoren; ook dat is discriminatoir en ik zie er geen rechtvaardiging voor.
1.11
Ik meen dat de rechter deze onrechtmatigheid eenvoudig kan verhelpen, nu het rechtskundig juiste resultaat bereikt kan worden door teleologische interpretatie of desgewenst ‘een redelijke wetstoepassing’ en Verdragsconforme interpretatie van de WHpkv. De wetgever wilde immers, als de belastingplichtige niet uitsluitend op formele gronden, maar materieel in het gelijk wordt gesteld, niet de factor 0,1 toepassen, maar de factor 0,25. Als u het cassatieberoep van B&W ongegrond verklaart, wordt de belanghebbende in cassatie materieel in het gelijk gesteld en moet mijns inziens aangenomen worden dat de wetgever, als hij er aan gedacht zou hebben, ook in dit geval de vermenigvuldigingsfactor op 0,25 bepaald zou hebben. Dat volgt mijns inziens onmiskenbaar uit zijn WHpkv-logica en daarmee wordt ook eventuele strijd met het EVRM vermeden. Waarom factor 0,25 en niet de volle Bpb-vergoeding? Omdat naast het tegengaan van rechtspraakverstoppend nodeloos doorprocederen om verdienmodelredenen, het belangrijkste doel van de WHpkv is het neerwaarts aanpassen van de vergoedingen in WOZ- en bpm-zaken aan de werkelijkheid van veel lagere proceskosten in die zaken dan in andere fiscale zaken, dus om de pkv ook in die zaken weer slechts een ‘tegemoetkoming’ in de kosten te doen zijn. Beide doelen kunnen voor de zegevierende-verweerderpositie bereikt worden door niet de WHpkv-factor 0,1 of de volle Bpb-vergoeding te gebruiken, maar de wettelijke factor 0,25.
1.12
Ik meen daarom dat indien (i) een hoger beroep of cassatieberoep uitsluitend door de belastingheffer is ingesteld dat ertoe strekt dat de WOZ- of bpm-beschikking zoals vastgesteld door de eerdere rechter materieel anders moet luiden en (ii) dat beroep ongegrond wordt verklaard, de zich met beroepsmatige bijstand succesvol verwerende belastingplichtige recht heeft op 0,25 in plaats van 0,1 maal de reguliere Bpb-vergoeding van proceskosten.
1.13
Ik geef u in overweging (i) u onbevoegd te verklaren op het uitbetalingsverzoek van de gemachtigde te beslissen, (ii) het cassatieberoep van B&W ongegrond te verklaren en (iii) de belanghebbende met toepassing van de factor 0,25 ex art. 30a Wet WOZ de proceskostenvergoeding toe te kennen die overigens uit het Bbp voortvloeit.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
De belanghebbende is eigenaar van een woning in [Z] aan de [a-straat 1] . Uit de in cassatie overgelegde volmacht maak ik op dat hij daar woont.1.De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht heeft de WOZ-waarde van de woning voor 2022 – waardepeildatum 1 januari 2021 – vastgesteld op € 567.000. Tegelijk met die beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) 2022 voor eigenaren vastgesteld op € 432,05.
2.2
Bij uitspraak op bezwaar, ingediend door een gemachtigde, heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde verminderd tot € 535.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd naar € 407,67. Daarbij heeft hij een bezwaarkostenvergoeding ad € 538 en een taxatie-kostenvergoeding ad € 128,26 toegekend.2.De belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de Rechtbank.
De Rechtbank Midden-Nederland3.
2.3
De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Volgens de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat € 535.000 niet te hoog is.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden4.
2.4
In hoger beroep stelde de belanghebbende dat de WOZ-waarde van de woning moest worden gesteld op € 479.000. Volgens de heffingsambtenaar moest de waardering op € 535.000 worden gehandhaafd.
2.5
Het Hof heeft de WOZ-waarde in goede justitie vastgesteld op € 500.000 en heeft daartoe overwogen als volgt:
“4.4. Naar het oordeel van het Hof hebben beide partijen ieder voor zich hun standpunten omtrent de waarde van de onroerende zaak en die van de referentieobjecten geloofwaardig onderbouwd met de door hen aangedragen bewijsmiddelen en gebezigde argumenten. Daarbij kent het Hof aan de door partijen aangedragen bewijsmiddelen en argumenten in hun geheel beschouwd evenveel gewicht toe. Dit brengt mee dat partijen tegenover de gemotiveerde betwisting van hun standpunten de door hen over en weer verdedigde waarde niet aannemelijk hebben gemaakt. Het Hof stelt daarom de waarde in goede justitie vast op € 500.000.”
2.6
Het Hof heeft het hogere beroep van belanghebbende daarom gegrond verklaard, de WOZ-waarde verminderd naar € 500.000, de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd en de belanghebbende een vergoeding ad in totaal € 3.500 toegekend voor de proceskosten in beroep en hoger beroep.
3. Het geding in cassatie
3.1
Het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht heeft namens het college van B&W van de gemeente Utrecht tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. Namens de belanghebbende is door diens gemachtigde een verweerschrift ingediend.
3.2
B&W stellen twee cassatiemiddelen voor: (i) het Hof heeft in r.o. 4.3 ten onrechte twee door de heffingsambtenaar aangewezen tussenwoningen aangemerkt als niet geschikt als referentieobject; (ii) ‘s Hofs oordeel in r.o. 4.4 (zie 2.5 hierboven) is onvoldoende gemotiveerd doordat onvoldoende begrijpelijk is op welk punt en waarom de waardering door de heffingsambtenaar tekortschiet.
3.3
De gemachtigde meent bij verweer dat het cassatieberoep ongegrond verklaard moet worden omdat bewijswaardering in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden en ’s Hofs oordeel niet onbegrijpelijk is.
3.4
De gemachtigde verzoekt om vergoeding van de proceskosten in cassatie en verzoekt u in dat kader om het nieuwe art. 30a Wet WOZ onverbindend te verklaren op drie gronden: (i) art. 30a(2) Wet WOZ schendt het discriminatieverbod in art. 14 EVRM jo. art. 1 Protocol I EVRM, art. 1 Protocol 12 EVRM en art. 26 IVBPR. Tot steun van zijn stelling dat WOZ-zaken en andere fiscale zaken op het punt van pkv niet vergelijkbaar zijn, wijst de wetgever volgens de gemachtigde vooral op een COELO-rapport.5.Dat rapport beantwoordt volgens de gemachtigde echter niet de vraag of voldoende verschil bestaat; daarvoor zijn er onvoldoende gegevens. Hij betwijfelt bovendien de objectiviteit van het rapport, dat is opgesteld in opdracht en met medewerking van de VNG zonder inbreng van bedrijven werkzaam in de WOZ-sector of de rechtspraak. Het overgrote deel van de door de wetgever aangehaalde jurisprudentie6.gaat over de bpm en niet over de WOZ. De door de wetgever gestelde rechtvaardiging – dat gemachtigden geringe tijd besteden aan WOZ-zaken – acht de gemachtigde ontoereikend omdat geen tegenbewijs is toegelaten als een gemachtigde kan aantonen wél tijd aan een dossier te hebben besteed. Uit het WODC-onderzoek uit 2021 blijkt geen bewijs voor onrechtmatig gebruik van WOZ-procedures7.en de wetgever heeft het tweede WODC-onderzoek naar oneigenlijk gebruik8.niet afgewacht. Het effect van art. 30a Wet WOZ staat volgens de gemachtigde verder haaks op het doel van het Bpb, nl. bestuursorganen prikkelen tot betere besluiten.9.
3.5
Art. 30a(2) Wet WOZ schendt volgens de gemachtigde ook het evenredigheidsbeginsel. Hij verwijst naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.10.De wetgever heeft zijns inziens niet verdisconteerd dat gemachtigden die wél tijd en moeite in een procedure steken en in het belang van hun cliënten werken, onevenredig hard geraakt worden door deze bepaling. Ik merk op dat dit een wat eigenaardig betoog lijkt, nu een ncnp-gemachtigde per definitie (anders zou zijn nering niet kunnen bestaan) overgecompenseerd wordt en hij dus per definitie (gemiddeld) juist te weinig tijd en moeite in zaken steekt om de door hem opgestreken, door de overheid (de belastingbetaler) betaalde pkv te kunnen rechtvaardigen, zodat het relativiteitsbeginsel (art. 8:69a Awb) mijns inziens in de weg staat aan het ingaan op dit betoog. Een ncnp-gemachtigde kan zichzelf niet vergelijken met een normaal declarerende gemachtigde, die überhaupt niet getroffen wordt, laat staan onevenredig. Alleen diens cliënten worden getroffen, maar er is niets onrechtmatigs aan de wens om ook in WZO- en bpm-zaken belastingplichtigen weer tot een risico- en kostenafweging te nopen en de pkv weer terug te brengen naar wat zij in andere zaken is: slechts een tegemoetkoming in de werkelijke kosten.
3.6
Ten slotte acht de gemachtigde art. 30a(4) Wet WOZ onverenigbaar met het EU-recht, nl. met het vrije verkeer van goederen en diensten:11.
“Ik kom er nu achter dat in de praktijk mijn buitenlandse klanten met onroerend goed in Nederland ernstig worden beperkt in hun handelingsvrijheid. Waar ik eerst als hun gemachtigde hun belangen conform hun wens vrijelijk kon behartigen, kan dit nu niet meer. Nederlands belastingplichtigen welke niet in Nederland woonachtig zijn wordt onder andere hun recht op vrij (betalings)verkeer ontnomen.”
4. De algemene regeling van proceskostenvergoeding (pkv) in het bestuursrecht
Zie onderdeel 4 van de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie.
5. Toetsing van het onderscheid in het Bbp tussen (i) fiscale en andere bezwaar-procedures en (ii) WOZ/bpm-procedures en andere fiscale procedures
Zie onderdeel 5 van de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie.
Zie onderdeel 6 van de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie.
7. Rechtspraak
Zie onderdeel 7 van de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie.
8. Rapporten van onderzoeken naar ncnp-verdienmodellen in WOZ- en bpm-zaken
Zie onderdeel 8 van de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie.
9. Kwantitatieve analyse door de Waarderingskamer van WOZ-zaken
9.1
De Waarderingskamer rapporteert jaarlijks in de ‘Staat van de WOZ’ over de stand van zaken in het WOZ-domein. De meest recente Staat van de WOZ (juni 2024) vermeldt:13.
“Dit jaar zien we dat het aantal WOZ-bezwaren bijna is gehalveerd ten opzichte van 2023. Deze vermindering zien wij met name bij de woningen. Het aantal WOZ-bezwaren bij “niet-woningen” is al jaren veel stabieler. Gezien de per 1 januari 2024 ingevoerde maatregelen gaat natuurlijk ook de aandacht uit naar het aantal WOZ-bezwaren dat dit jaar is ingediend door gemachtigden die werken op basis van no cure no pay. We zien dat zowel het aantal ingediende no-cure-no-pay-bezwaren als het aantal bezwaren ingediend door belanghebbenden zelf, is gedaald. We zien daarnaast wel dat het aandeel van de no-cure-no-pay-bedrijven toch nog licht is gestegen. Wij denken dat vooral de minder extreme stijging van de WOZ-waarden van belang is geweest voor het lagere aantal WOZ-bezwaren.
We concluderen dat het nog te vroeg is om tot een oordeel te komen over de effectiviteit van de per 1 januari 2024 ingevoerde maatregelen. Wij onderschrijven daarbij graag dat deze maatregelen vooral ook gezien moeten worden als een stap in het meeromvattende plan van aanpak tot optimalisering van de WOZ-uitvoering gericht op meer transparantie en meer (informeel) contact met belanghebbenden. (…).
Ondanks het lagere aantal bezwaren in 2024 ten opzichte van 2023 constateren we dat er geen verlichting is van de werkdruk bij de WOZ-uitvoerders. Dit hangt enerzijds samen met het feit dat het aantal WOZ-bezwaarschriften nog hoger is dan het aantal bezwaren dat belanghebbenden in 2022 (het jaar voorafgaand aan het “piekjaar” 2023) hebben ingediend. Daarbij geldt dat juist het aantal “no-cure-no-pay-bezwaren” ruim hoger is vergeleken met dat jaar, terwijl juist deze WOZ-bezwaren op basis van no cure no pay vaak zorgen voor extra werkzaamheden voor de WOZ-uitvoerders in verband met het feit dat deze gemachtigden die werken op basis van no cure no pay altijd vragen om een formele procedure, inclusief een hoorzitting in verband met het systeem voor het bepalen van de hoogte van de proceskostenvergoeding.
Anderzijds is er geen sprake van een verlichting van de werkdruk bij de WOZ-uitvoerder door het feit dat we een grote stijging zien van het aantal WOZ-beroepsprocedures dat wordt ingediend bij rechtbanken. Deze stijging is een “na-ijleffect” van het hoge aantal bezwaarschriften uit 2023. Het feit dat het aantal beroepsprocedures tegen de WOZ-waarde voor woningen naar waardepeildatum 1 januari 2022 ongeveer met een factor 2,5 tot 3 is gestegen, komt overeen met de stijging van het aantal WOZ-bezwaren voor dezelfde waardepeildatum die we vorig jaar hebben gerapporteerd. Ruim 80 procent van deze procedures wordt ingediend door no-cure-no-pay-bureaus in vergelijking met 75% in het voorgaande jaar (…)”
9.2
De bijlage bij de Staat van de WOZ 2024 geeft kwantitatieve gegevens.14.Een aantal daarvan heb ik in de onderstaande tabel samengevat, waarbij ik me heb beperkt tot de cijfers over woningen (cijfers over niet-woningen heb ik dus weggelaten):
Onderwerp | 2024 | 2023 | 2022 | 2021 | 2020 |
Waardepeildatum | 1 jan 2023 | 1 jan 2022 | 1 jan 2021 | 1 jan 2020 | 1 jan 2019 |
Gemiddelde WOZ-waarde-ontwikkelingen15. | 2,8% | 17,0% | 9,5% | 7,3% | 8,6% |
Woningen onder bezwaar | 3,9% | 8,0% | 3,1% | 3,2% | 2,9% |
Ncnp in bezwaarprocedures | 52,0% | 45,5% | 45,3% | 45,7% | 41,0% |
Gemiddelde verandering van de waarde door bezwaar16. | ** | ** | 8,0% | 8,9% | 9,4% |
Aantal beroepsprocedures | * | 18.000 | 6.700 | 7.000 | 6.574 |
Waarvan op basis van ncnp | * | 14.500 | 5.000 | 5.200 | 4.621 |
Ncnp in beroepsprocedures17. | * | 80,6% | 74,6% | 74,3% | 70,3% |
Uitvoeringskosten Wet WOZ | * | € 233 mio | € 194 mio | € 177 mio | € 171 mio |
Uitbetaalde pkv | * | € 41 mio | € 20 mio | € 18 mio | € 17 mio |
* Cijfers pas bekend na afronding van de bezwaarafhandeling 2024, gegevens komen beschikbaar juni 2025.
** De gemiddelde waardeverandering door bezwaar voor 2023 en 2024 is niet opgenomen in de Staat van de WOZ 2024.
9.3
De voorafgaande Staat van de WOZ 2023 verwees naar kwantitatief onderzoek waaruit blijkt dat bezwaren van ncnp-bureaus gemiddeld een aanzienlijk lager succespercentage en een langere doorlooptijd hebben dan bezwaren die door belanghebbenden zelf worden ingediend:18.
“De herhaalmeting van het in 2019 uitgevoerde "Landelijk onderzoek afhandeling (no-cure-no-pay) bezwaren WOZ” [zie 10.4 hieronder; PJW] laat significante verschillen zien tussen bezwaren die zijn ingediend door no-cure-no-pay-bedrijven en bezwaren die belanghebbenden zelf hebben ingediend. Uit het onderzoek, dat gepubliceerd is op onze site, komt naar voren dat in 2022 (waardepeildatum 1 januari 2021) gemiddeld 27 % van de bezwaren tegen de WOZ-waarde van een woning op basis van no cure no pay zijn gehonoreerd. Van de overige bezwaren is in dat jaar 45 % gehonoreerd.
Uit ons "Landelijk onderzoek tijdigheid bekend maken WOZ-waarden en afhandeling bezwaren WOZ" [zie 10.5 hieronder; PJW], dat ook gepubliceerd is op onze site, komt naar voren dat slechts weinig gemeenten volledig voldoen aan de kwaliteitseisen voor het tijdig afhandelen van de WOZ-bezwaren. Wel is zichtbaar dat voor de woningen het percentage WOZ-bezwaren dat tijdig is afgehandeld in 2022 is toegenomen en dat circa 90% van de (vóór 15 november ingediende) WOZ-bezwaren vóór 1 januari zijn afgehandeld. Het voldoen aan de kwaliteitseis voor het tijdig afhandelen van de WOZ-bezwaren is de afgelopen jaren vooral een probleem bij de no-cure-no-pay-bezwaren. Bezwaren die door belanghebbenden zelf worden ingediend, worden in het algemeen wel tijdig afgehandeld. Dit hangt vooral samen met het streven van no-cure-no-pay-bureaus naar formele procedures (met name hoorzittingen) in verband met de kostenvergoeding per processtap. Het (verder) verbeteren van de tijdigheid van het afhandelen van de WOZ-bezwaren in 2023 zal naar verwachting ernstig gehinderd worden door het significant hogere aantal WOZ-bezwaren.
Het feit dat het voor de formelere no-cure-no-pay-bezwaren moeilijker is om te voldoen aan de eisen voor tijdige afhandeling blijkt ook uit de doorlooptijd voor het afhandelen van een bezwaarschrift gerapporteerd in het hiervoor genoemde "Landelijk onderzoek afhandeling (no-cure-no-pay-)bezwaren WOZ". Bezwaren tegen de WOZ-waarde van een woning die niet zijn ingediend door een no-cure-no-pay-bureau worden gemiddeld binnen 108 dagen afgehandeld. Wanneer het bezwaar is ingediend door een no-cure-no-pay-bureau is deze gemiddelde doorlooptijd 208 dagen.
Ook gaan no-cure-no-pay-bedrijven relatief vaker in beroep, waardoor in 2022 (waardepeildatum 1 januari 2021) circa 75 % van de beroepsprocedures over de WOZ-waarde van een woning werden gevoerd op initiatief van een "gemachtigde". Uit het eerder uitgevoerde onderzoek bleek dat dit in 2020 (waardepeildatum 1 januari 2019) 66 % was.”
Ik leid hieruit af dat de opvatting dat ncnp-bureaus een nuttige rol bij de WOZ-rechtsbescherming van burgers zouden vervullen, een mythe is: de belanghebbenden zonder gemachtigde doen het in bezwaar immers bijna twee keer beter dan ncnp-gemachtigden. Ik leid er verder uit af dat ncnp-bureaus er naar streven (bezwaar)procedures zo stroperig mogelijk te maken door zo formeel mogelijk te doen en daarmee de (tijdige) rechtsbescherming juist belemmeren. Ik leid er ten slotte uit af dat ncnp-gemachtigden veel vaker in beroep gaan dan belanghebbenden zelf en dat zij de aanleiding daartoe zelf scheppen door in de bezwaarfase – kennelijk bewust – inhoudelijk veel slechter te scoren dan belanghebbenden zonder gemachtigde, die zich per definitie wél verdiepen in de relevante individuele omstandigheden en geen algoritmische gegenereerde chablones insturen.
9.4
Het genoemde "Landelijk onderzoek afhandeling (no-cure-no-pay) bezwaren WOZ” ter zake van de waardepeildatum 1 januari 2021 is op 15 juni 2023 gepubliceerd.19.Het is een herhaalmeting van onderzoek uit 2021 naar de bezwaarafdoening ter zake van waardepeildatum 1 januari 2019.20.Uit eerstgenoemd onderzoek bleek onder meer dat:
- bezwaren van ncnp-bureaus gemiddeld een lager honoreringspercentage (percentage bezwaren dat leidt tot een andere waarde) hebben dan bezwaren die niet door ncnp-bureaus zijn ingediend, nl. 25,8% ten opzichte van 40,3%.21.
- bezwaren van ncnp-bureaus gemiddeld een langere doorlooptijd hebben dan de overige bezwaren, nl. 209 versus 83 dagen.22.
- de gehonoreerde ncnp-bezwaren tegen woningwaarderingen:
o bij 10% tot een waardevermindering van minder dan € 11.000 leidden (3,4% van de vastgestelde WOZ-waarde);
o bij 50% tot een waardevermindering van minder dan € 25.000 leidden (7,2%); en
o bij 10% tot een waardevermindering van meer dan € 77.000 (17,1%).23.
- de gehonoreerde niet-ncnp-bezwaren tegen woningwaarderingen:
o bij 10% tot een waardevermindering van minder dan € 5.000 leidden (2,3%);
o bij 50% tot een waardevermindering van minder dan € 20.000 leidden (7,2%); en
o bij 10% tot een waardevermindering van meer dan € 83.000 leidden (22,5%).
Naar aanleiding hiervan merkt het rapport op dat ‘de beeldvorming dat een relatief groot deel van de gehonoreerde bezwaren van no-cure-no-pay-bureaus slechts een kleine verandering krijgen’, ‘niet terecht te zijn’.24.Dat moge zo zijn, maar (i) belanghebbenden zónder (ncnp-)gemachtigde krijgen hun WOZ-waarde in bezwaar dus bijna twee keer zo vaak omlaag als belanghebbenden mét ncnp-gemachtigde, en (ii) een significante WOZ-waarde-aanpassing zegt niets over het financiële belang van de belanghebbende bij die aanpassing. De pkv (en ISV) staat veelal in een wanverhouding tot het financiële belang van de zaak voor de belanghebbende. U zie onderdeel 11 hierna.
10. De uitbetaalregel en het cessieverbod
10.1
De WHpkv wil de denaturering wegnemen van de pkv en ISV in WOZ- en bpm-zaken tot omzet van ncnp-verdienmodellen, niet alleen door neerwaartse aanpassing van de pkv aan de werkelijke door ncnp-gemachtigden gemaakte kosten. Het nieuwe art. 19a(4) en (5) Wet bpm verplicht ook tot uitbetaling van een pkv, een ISV, griffierecht en dwangsommen wegens niet-tijdig beslissen op uitsluitend een bankrekening van de belanghebbende – dus niet op een rekening van de gemachtigde – en verklaart cessie en verpanding van de desbetreffende vorderingen nietig:
“4. Onverminderd de artikelen 7:15, vijfde lid, en 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, al dan niet in samenhang met artikel 8:108, eerste lid, van die wet of de artikelen 29 of 29f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, vinden uitbetalingen ingevolge een beslissing op bezwaar of uitspraak op beroep, hoger beroep of beroep in cassatie betreffende een besluit genomen op grond van het gestelde bij of krachtens deze wet of een daarmee verband houdend besluit, waaronder uitbetalingen van vergoedingen als bedoeld in de voorgaande leden, dwangsommen als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en vergoedingen van het betaalde griffierecht als bedoeld in artikel 8:74 van die wet, uitsluitend plaats op een bankrekening die op naam staat van de belanghebbende.
5. Vorderingen tot uitbetaling als bedoeld in het vierde lid zijn niet vatbaar voor vervreemding of verpanding.”
Het nieuwe art. 30a(4) en (5) Wet WOZ heeft dezelfde strekking:
“4. Onverminderd de artikelen 7:15, vijfde lid, en 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, al dan niet in samenhang met artikel 8:108, eerste lid, van die wet of de artikelen 29 of 29f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, vinden uitbetalingen ingevolge een beslissing op bezwaar of uitspraak op beroep, hoger beroep of beroep in cassatie betreffende een besluit genomen op grond van het gestelde bij of krachtens deze wet of titel IV, hoofdstuk XV, paragraaf 2, van de Gemeentewet of een daarmee verband houdend besluit, waaronder uitbetalingen van vergoedingen als bedoeld in de voorgaande leden, dwangsommen als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en vergoedingen van het betaalde griffierecht als bedoeld in artikel 8:74 van die wet, uitsluitend plaats op een bankrekening die op naam staat van de belanghebbende.
5. Vorderingen tot uitbetaling als bedoeld in het vierde lid zijn niet vatbaar voor vervreemding of verpanding.”
10.2
De MvT vermeldt dat de uitbetaalregel en het cessie- en verpandingsverbod de betrokkenheid en bewustwording van belanghebbenden moet vergroten bij de procedures die in hun naam worden gevoerd door ncnp-bureaus en hen kritischer moet laten kijken naar de machtigingen die die ncnp-bureaus hen vragen te ondertekenen:25.
“Het was de verwachting dat de verschuldigdheid van griffierecht tot gevolg zou hebben dat belanghebbenden een meer zorgvuldige afweging zouden maken bij het instellen van (hoger) beroep of cassatie, met name wanneer er wordt geprocedeerd over zaken met een relatief gering
belang.26.Doordat «no cure no pay»-gemachtigden in de regel het griffierecht voor hun rekening nemen, nemen belanghebbenden de verschuldigdheid van griffierecht vermoedelijk niet mee in hun afweging om te procederen. Het opkomen tegen de WOZ-beschikking, bpm-aangifte of bpm-naheffingsaanslag door het inschakelen van een «no cure no pay»-bureau is voor belanghebbenden daarmee een loterij zonder nieten geworden. Voor «no cure no pay»-bureaus is de rechtsgang lucratief en de praktijk heeft om die reden een aanzuigende werking. Daarnaast wordt in sommige algemene voorwaarden van «no cure no pay»-bureaus opgenomen dat de belanghebbende de gemachtigde een vergoeding conform het Bpb moet betalen als hij besluit de procedure niet te willen voortzetten. Een belanghebbende kan door die voorwaarde de procedure
dan niet beëindigen als het geschil wat hem betreft is opgelost, zonder daar zelf financieel nadeel van te ondervinden. Er zijn ook voorbeelden waaruit blijkt dat belanghebbenden niet wisten dat er in hun naam procedures werden gevoerd of daarvoor geen toestemming hadden gegeven.27.Dit vindt het kabinet een zorgelijke ontwikkeling. De verwachting is dat het verplicht uitbetalen van het geldbedrag waartoe een belanghebbende ingevolge een beslissing op bezwaar of een uitspraak in een beroepsprocedure is gerechtigd, zal leiden tot meer betrokkenheid en bewustwording van belanghebbenden. Daarnaast wordt beoogd dat belanghebbenden, mochten zij daarna nog een keer behoefte hebben aan rechtsbijstand, kritischer kijken naar de machtigingen die zij ondertekenen en de algemene voorwaarden die daarbij gelden.
Het onderhavige voorstel houdt in dat uitbetalingen uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening op naam van de belanghebbende. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, betaling door het bestuursorgaan geschiedt op een daartoe door de schuldeiser bestemde bankrekening.28.In de praktijk maken de eerdergenoemde gemachtigden gebruik van een algemene machtiging waarmee de gemeente of de Belastingdienst wordt verzocht om eventuele vergoedingen uit te keren op de rekening van de gemachtigde. De Wet WOZ en Wet BPM 1992 bevatten op dit moment geen grondslag waarmee dit kan worden voorkomen. Met dit wetsvoorstel wordt geregeld dat eventuele uitbetalingen die volgen uit een bezwaar- of beroepsprocedure die in het kader van de WOZ of de bpm wordt gevoerd, uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening van de belanghebbende.”
10.3
De artikelsgewijze toelichting vermeldt over de uitbetalingsbepaling en het cessie- en verpandingsverbod:29.
“Vierde lid
(…). Voor de terminologie is aansluiting gezocht bij artikel 7a, eerste lid, van de Invorderingswet 1990. In de artikelen 7:15, vijfde lid, en 8:75, tweede lid, Awb is kort gezegd bepaald dat indien aan de belanghebbende in verband met het bezwaar of het beroep bij de bestuursrechter een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, het bedrag van de kosten wordt betaald aan de rechtsbijstandverlener. De rechtsbijstandverlener stelt de belanghebbende zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane eigen bijdrage. Van die regel wordt in het voorgestelde artikel 30a, vierde lid, Wet WOZ niet afgeweken. Alleen in die situatie kan een vergoeding aan een ander dan een belanghebbende worden uitbetaald.
In het voorgestelde artikel 30a, vierde lid, Wet WOZ worden voorbeelden genoemd van eventuele uitbetalingen die volgen uit een bezwaar- of beroepsprocedure, zoals een proceskosten-vergoeding, een vergoeding van immateriële schade, vergoeding van het betaalde griffierecht en dwangsommen. Deze opsomming is niet uitputtend. Er kunnen ook andere vergoedingen worden toegekend, zoals rentevergoedingen over de genoemde vergoedingen en andere vergoedingen dan voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het Bpb genoemde vergoedingen. Ook de te veel betaalde belasting wordt uitsluitend aan de belanghebbende uitbetaald.
Vijfde lid
Op grond van het Burgerlijk Wetboek is het mogelijk om een vordering over te dragen aan een ander (cederen) of op een vordering een zekerheidsrecht te vestigen in de vorm van een pandrecht. Ook vergoedingen kunnen gecedeerd of verpand worden. Op grond van het voorgestelde artikel 30a, vierde lid, Wet WOZ worden uitbetalingen als gevolg van een vordering nog slechts gedaan op een bankrekening die op naam staat van de belanghebbende zelf. Cessie of verpanding van de vorderingen zou ertoe kunnen leiden dat de vordering uitbetaald moet worden op de bankrekening van de cessionaris of pandhouder. Hiermee zou het via een omweg toch mogelijk kunnen worden voor gemachtigden dat de vordering op een ander bankrekeningnummer dan dat van de belanghebbende zelf wordt uitbetaald. In het voorgestelde artikel 30a, vijfde lid, Wet WOZ wordt daarom een cessie- en verpandingsverbod opgenomen. Hiermee wordt verhinderd dat het instrument van cessie en verpanding kan worden ingezet om alsnog uitbetaling op een ander bankrekeningnummer dan dat van de belanghebbende te bewerkstelligen. Voor de
terminologie is aansluiting gezocht bij artikel 7b van de Invorderingswet 1990.”
10.4
De nota naar aanleiding van het verslag preciseert dat het kabinet met uitbetaling aan de belanghebbende diens bewustheid wil vergroten van de geldelijke opbrengst van de procedure die in zijn naam wordt gevoerd:30.
“De leden van de fractie van de VVD vragen zich af in hoeverre in de voorgestelde maatregelen de situatie is ondervangen waarin «no cure no pay»-bedrijven de rechtstreekse uitbetaling aan belanghebbenden door gemeenten en de Belastingdienst in hun honorarium verwerken, waardoor belanghebbenden de uitbetaling alsnog moeten afstaan.
De voorgestelde maatregelen resulteren erin dat uitbetalingen als gevolg van door de gemachtigde namens de belanghebbende gevoerde juridische procedures altijd aan de belanghebbende worden overgemaakt en niet meer rechtstreeks aan de gemachtigde. Het kabinet wil hiermee bij belanghebbenden de bewustwording vergroten van de juridische procedures die in hun naam worden gevoerd en van de geldelijke opbrengst daarvan. Dat laat onverlet dat belanghebbenden en gemachtigden onderling overeen kunnen komen dat een vergoeding – waaronder bijvoorbeeld (en deel van) de uitbetaling – aan de gemachtigde is verschuldigd. Dat betreft dan een contractuele afspraak tussen de gemachtigde en de belanghebbende.”
10.5
Bij de behandeling in de Eerste Kamer zei de regering niet veel procedures over de uitbetaalregel en het cessieverbod te voorzien omdat er al goede ervaringen zijn met een vergelijkbare regel in de Invorderingswet en omdat niet de bestuursrechter maar de burgerlijke rechter er over gaat:31.
“(…) vragen de leden van de fractie van de BBB of niet het risico bestaat dat het aantal procedures zal toenemen als gevolg van juridische discussies over (i) de verhouding van het wetsvoorstel tot artikel 1 van de Grondwet, en (ii) het verbod van cessie en verpanding van vorderingen die ontstaan als gevolg van een beslissing op bezwaar of uitspraak op beroep, hoger beroep of cassatie. (…)
Het kabinet voorziet niet direct een toename in het aantal procedures waarin de houdbaarheid van het verbod van cessie en verpanding ter discussie wordt gesteld. De reden daarvoor is dat in de Invorderingswet 1990 (IW 1990) al langer een vergelijkbaar verbod is opgenomen. Dit vervreemdings- en verpandingsverbod – dat te gelden heeft voor vorderingen in verband met de inkomstenbelasting – is ingevoerd om te voorkomen dat de zogenoemde éénbankrekening-maatregel wordt omzeild en heeft niet geresulteerd in procedures waarin het vervreemdings- en verpandingsverbod ter discussie is gesteld.32.Daar komt bij dat de bestuursrechter volgens de Hoge Raad niet gehouden is om te beslissen op een eventueel verzoek het bedrag aan proceskostenvergoeding aan een ander over te maken dan de belanghebbende, zoals aan een gemachtigde33.” [zie HR BNB 2016/105 in onderdeel 12.12 hieronder; PJW].
10.6
Het kabinet achtte het gewenst de contractsvrijheid bij wet te beperken omdat rechtstreekse uitbetaling de belanghebbende inzicht geeft in de pkv die wordt uitgekeerd:34.
“Verder vragen de leden van de BBB-fractie of het cessieverbod in strijd is met het recht inzake contractsvrijheid. Voorts stellen de leden dat er geen rechtens aan te wijzen belang is voor het cessieverbod.
Bij wet mag de contractsvrijheid worden beperkt. Dat is in dit kader gewenst nu met het uitbetalen op het bankrekeningnummer van de belanghebbende beoogd wordt inzicht te verschaffen in de proceskostenvergoedingen die worden uitgekeerd. Het kabinet ziet hierin een rechtvaardiging voor een beperking van de contractsvrijheid. Dat laat onverlet dat partijen onderling mogen afspreken dat de vergoedingen door de belanghebbende moet worden doorbetaald aan de gemachtigde.”
10.7
De staatssecretaris van Financiën antwoordde in februari 2024 als volgt op Kamervragen over de onmiddellijke werking van de uitbetaalregel en het cessieverbod:35.
“Vraag 1
Waarom heeft u niet gekozen voor overgangsrecht bij de bepaling dat uitbetalingen ingevolge een
bezwaar- of beroepsprocedure uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat
van de belanghebbende?
Antwoord vraag 1
In de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm is voor twee van de drie
maatregelen in overgangsrecht voorzien. (…)
Voor de derde in deze wet opgenomen maatregel, het rechtstreeks uitbetalen van vergoedingen
aan belanghebbenden, is niet in overgangsrecht voorzien. Dat betekent dat alle uitbetalingen die
vanaf 1 januari 2024 worden gedaan, aan de belanghebbenden moeten worden gedaan, ongeacht
of de zaak voor 2024 is aangebracht of de uitspraak waaruit die uitbetaling voortvloeit is gedaan
voor 2024. Een algemeen uitgangspunt in de voorbereiding van nieuwe wetgeving is dat er geen
overgangsrecht wordt opgenomen, tenzij dat gelet op de specifieke regeling noodzakelijk is (zie
ook aanwijzing 5.59 van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Op basis van dit uitgangspunt is
ten aanzien van de rechtstreekse uitbetaling van vergoedingen aan belanghebbenden afgezien van overgangsrecht omdat het recht op wettelijke vergoedingen (zowel voor als na de onderhavige
wetswijziging) is bedoeld toe te komen aan de belanghebbende in wiens naam procedures worden
gevoerd en niet aan diens rechtsbijstandverlener. Privaatrechtelijke afspraken tussen een
belanghebbende en een rechtsbijstandverlener doen daaraan niet af, ondanks dat de vergoeding
bij cessie feitelijk moest worden overgemaakt aan de rechtsbijstandverlener. Het niet voorzien in
overgangsrecht op het punt van rechtstreeks uitbetalen maakt geen inbreuk op de rechten van
belanghebbenden, maar versterkt juist hun informatiepositie en vergroot hun betrokkenheid. Met
het rechtstreeks overmaken worden belanghebbenden immers meer bewust van de kosten die
gemoeid zijn met procedures die in hun naam worden gevoerd. Zoals bovendien in de memorie
van toelichting is beschreven, is het (…) voorgekomen dat belanghebbenden niet wisten dat
er in hun naam procedures werden gevoerd of daarvoor geen toestemming hadden gegeven.
(…).
Vraag 2
Bent u met mij van mening dat er een merkwaardige discrepantie is met betrekking tot tariefverlaging die niet van toepassing is indien uitspraken gedaan zijn voor 1 januari 2024?
Antwoord 2
Nee. Om te voorkomen dat de voorgestelde maatregelen inmengen in reeds ontstane vorderingen, is in overgangsrecht voorzien. Daarvan is geen sprake bij het rechtstreeks uitbetalen van vergoedingen aan belanghebbenden. Daarom is voor die maatregel niet in overgangsrecht voorzien. (…).
Vraag 5
Bent u bereid om reparatiewetgeving aan te wenden om het overgangsrecht met terugwerkende kracht uit te breiden?
Antwoord 5
Gelet op hetgeen ik hierboven heb geantwoord, zie ik geen aanleiding om het overgangsrecht uit te breiden.”
11. Het financiële belang van belanghebbenden in WOZ-zaken
11.1
Tijdens de parlementaire behandeling van de WHpkv heeft de regering gewezen op het gemiddeld relatief geringe financiële belang in WOZ-zaken (zie 6.19 bijlage)36.en op de landelijke reclamecampagne van een groot ncnp-bedrijf om klanten te trekken met de belofte van gratis bezwaar en een gemiddelde belastingbesparing van € 300 (zie 6.11 bijlage).37.De WOZ-waarde van woningen wordt fiscaal vooral gebruikt voor de bepaling van:38.
- de grondslag van de onroerendezaakbelasting (OZB) geheven op basis van de Gemeentewet;
- de grondslag van de watersysteemheffing voor de categorie ‘gebouwd’ (gebouwde onroerende zaken) op basis van de Waterschapswet;
- de grondslag van heffing van de inkomstenbelasting (het eigenwoningforfait in box 1 en de fictiefrendementberekening in box 3);
- de grondslag van heffing van de erf- en schenkbelasting bij schenking of vererving van woningen; en
- de bodemwaarde bij afschrijving op onroerende zaken voor de winstbelastingen (inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting).
11.2
Belanghebbendes zaak laat zien hoe weinig financieel belang zelfs een significante WOZ-waardeverlaging heeft. De WOZ-waarde van zijn woning is uiteindelijk met € 67.000 verlaagd. Die verlaging verlaagt zijn OZB-last met slechts € 51,05.39.De gemeente heeft dus in totaal € 4.166,26 aan pkv moeten betalen40.vanwege een slechts € 51,05 te hoge aanslag OZB. Maar WOZ-waardeverlaging levert ook andere belastingbesparingen op, met name in box 1 van de inkomstenbelasting, aangenomen dat de meeste WOZ-woningzaken eigen woningen betreffen. Uitgaande van art. 3.112(1) Wet IB heeft de WOZ-waardeverlaging belanghebbendes eigenwoningforfait met € 301,50 verlaagd (0,45% * € 67.00041.). Valt hij in het hoogste IB-tarief, dan is zijn inkomstenbelastingbesparing maximaal € 149,24 (49,50% * € 301,50). Bij de watersysteemheffing gaat het om nog aanzienlijk kleinere bedragen dan het bedrag van de OZB. In de meeste gevallen blijft het financiële belang beperkt tot deze drie posten. Vererven en schenken van woningen doen zich bepaald niet elk jaar voor, maar doorgaans slechts één keer per generatie. Het totale financiële belang (OZB-, watersysteemheffing- en IB-besparing) van de belanghebbende bedraagt dan maximaal € 200,29 plus (vooruit) een tientje watersysteemheffing. Daartegenover moet in casu € 4.166,26 aan pkv uit gemeenschapsgeld worden betaald aan een verdienmodel van een ncnp-bureau. Zoals het Hof Den Bosch het treffend formuleerde (zie 7.26 hierboven): “Deze forfaitaire systemen in hun huidige vorm leiden tot uitkomsten die in de samenleving niet meer zijn uit te leggen.” En, zo voeg ik toe: die de rechtsbescherming voor andere belastingplichtigen met serieuzer problemen ontoegankelijk maken.
12. Rechtspraak over de rol van de belastingrechter bij de bepaling van de adressaat van de pkv-uitbetaling
12.1
Art. 30a(4) en (5) Wet WOZ en zijn evenknie in de Wetten bpm en Wahv hadden onmiddellijke werking. Een pkv op basis van een uitspraak van ná 1 januari 2024 wordt daarom ex art. 30a(4) Wet WOZ uitsluitend uitbetaald op een bankrekening op naam van de belanghebbende. Bij de feitenrechter hebben ncnp-gemachtigden het standpunt ingenomen dat deze bepalingen buiten toepassing moeten blijven wegens strijd met hoger recht. De meeste feitenrechters hebben zich onbevoegd verklaard inzake de vraag aan wie wordt uitbetaald en dus ook inzake de vraag of art. 30a(4) en (5) Wet WOZ en diens evenknieën hoger recht zouden schenden. Zij hebben daarvoor verwezen naar de restrechter (de burgerlijke rechter); zie sectie A hieronder. Een enkele feitenrechter is wel inhoudelijk ingegaan op de vraag of art. 30a(4) en (5) Wet WOZ hoger recht schendt en heeft die ontkennend beantwoord; zie sectie B hieronder.
12.2
In onderdeel C bespreek ik uw arrest HR BNB 2016/105, waarop zowel de medewetgever (zie 10.5 hierboven) als de feitenrechtspraak (zie 12.3, 12.4, 12.8 en 12.9 hieronder) baseert dat de belastingrechter niet bevoegd is te beslissen op een verzoek om de wijze van uitbetaling van een pkv te bepalen.
A. Feitenrechters achten zich onbevoegd ter zake van de adressaat van de uitbetaling
12.3
Het Hof Den Bosch42.heeft zich bij mijn weten als eerste, op 22 mei 2024, in een WOZ-zaak, onbevoegd verklaard om te beslissen dat aan een ander dan de belanghebbende uitbetaald zou moeten worden:
“4.16. Belanghebbende heeft het hof verzocht te bepalen dat de betaling van de vergoeding voor de proceskosten, in overeenstemming met dat wat is opgenomen in de aan de gemachtigde verleende volmacht, rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden. Belanghebbende heeft hiertoe aangevoerd dat de vorderingen nog vóór de inwerkingtreding van artikel 30a, lid 4 en lid 5, Wet WOZ rechtsgeldig aan de gemachtigde zijn gecedeerd (2.4). Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat het verpandings-/vervreemdingsverbod (…) in artikel 30a, lid 5, Wet WOZ onrechtmatig is. Volgens belanghebbende is sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op het ongestoorde recht van eigendom en is het cessieverbod discriminatoir en in strijd met het gelijkheidsbeginsel. (…).
4.18.
De Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm is met ingang van 1 januari 2024 in werking getreden. Voor de leden 4 en 5 van artikel 30a Wet WOZ is geen overgangsrecht in de vorm van eerbiedigende werking. Dit brengt mee dat een uitbetaling van een proceskosten-vergoeding naar aanleiding van een uitspraak van de rechter van ná 1 januari 2024, op grond van artikel 30a, lid 4, Wet WOZ uitsluitend kan plaatsvinden op een bankrekening op naam van de belanghebbende.
4.19.
Wat betreft het verzoek van belanghebbende, is het hof van oordeel dat de belastingrechter niet bevoegd is een oordeel te geven over de wijze waarop de betaling van de proceskosten-vergoeding dient plaats te vinden. Belanghebbende dient zich bij een geschil over de uitbetaling van de proceskostenvergoeding te wenden tot de burgerlijke rechter. Uit artikel 8:75 Awb, noch uit artikel 30a Wet WOZ of enige andere wettelijke bepaling, volgt immers dat de belastingrechter is gehouden op een dergelijk verzoek te beslissen.43.”
12.4
De Rechtbank Midden-Nederland heeft zich daar op 3 juli 2024 bij aangesloten:44.
“27. De gemachtigde van eiseres verzoekt de rechtbank te bepalen dat de betaling van vergoedingen rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden, omdat belanghebbende in de machtiging de vordering vóór de totstandkoming van het nieuwe artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ rechtsgeldig gecedeerd heeft. Daarnaast is het verpandings-/vervreemdingsverbod zoals opgenomen in dit artikel onrechtmatig. Aangezien het burgerlijk recht is gestoeld op de contractsvrijheid en de Grondwet en verscheidene verdragen doorspekt zijn van regels betreffende gelijke behandeling en laagdrempelige toegang tot de rechter, had deze regelgeving niet zonder uitgebreide belangenafweging tot stand mogen worden gebracht. Daarbij komt dat het cessieverbod discriminatoir is en in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat het enkel wordt ingevoerd in WOZ en bpm-zaken, zo stelt de gemachtigde (…).
28. (…). De bestuurs- en belastingrechter zijn op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of andere wettelijke regelingen niet gehouden om te beslissen op een verzoek van een partij om het bedrag aan het griffierecht, de proceskostenvergoeding en de schadevergoeding te betalen aan een derde, zoals de gemachtigde.45.De Awb regelt dat de rechtbank in een uitspraak beslist over de verschuldigdheid van de vergoedingen, maar niet ook over de feitelijke uitbetaling daarvan. De rechtbank voegt toe dat de vergoedingen niet aangemerkt worden als een bestuursrechtelijke geldschuld in de zin van titel 4.4 van de Awb.46.De rechtbank komt dus niet toe aan het verzoek van eiseres om te beslissen dat de uitbetaling van de vergoedingen rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden. De rechtbank zal dan ook niet inhoudelijk ingaan op de bezwaren van eiseres tegen artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ.47.”
12.5
Reeds op 2 januari 2024 oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden48.in een Mulderzaak over het verzoek van een gemachtigde om te bepalen dat de pkv aan de gemachtigde moest worden uitbetaald. Die gemachtigde deed geen beroep op hoger recht, maar wees erop dat de vordering tot uitbetaling van de pkv al vóór 1 januari 2024 rechtsgeldig aan hem was gecedeerd. Het Hof verwees simpelweg naar de (onmiddellijke werking van de) wet:
“7. (…). In artikel 13a, derde en vierde lid (nieuw), van de Wahv is bepaald dat uitbetalingen ingevolge een beslissing op het administratief beroep of uitspraak op beroep op grond van deze wet uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van degene tot wie de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd, is gericht en dat vorderingen tot deze uitbetaling niet vatbaar zijn voor vervreemding of verpanding. Ten aanzien van deze bepalingen is geen overgangsrecht opgenomen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, zodat deze van toepassing zijn op alle uitbetalingen van proceskostenvergoedingen die worden gedaan vanaf 1 januari 2024. Omdat de wijze van betaling rechtstreeks voortvloeit uit de wet, is er geen aanleiding om daarover in het dictum een beslissing op te nemen.”
12.6
Het Hof verklaarde zich dus niet onbevoegd. Dat deed hij later wel in een uitspraak van 6 juni 2024 in een Mulderzaak:49.
“5. De gemachtigde voert – samengevat – aan dat de in artikel 13a, vijfde lid (het hof begrijpt: derde en vierde lid) van de Wahv neergelegde maatregel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, dan wel het discriminatieverbod in de zin van artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Er is geen onderbouwing gegeven voor de maatregel de proceskostenvergoeding rechtstreeks over te maken naar de betrokkene en het verbod tot cessie. De maatregel is daarmee niet voorzien van de noodzakelijke en redelijke rechtvaardiging en daarom in zoverre onverbindend. De gemachtigde verwijst daarbij naar een arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752. De maatregel wordt, volgens de daarvoor gegeven toelichting, genomen omdat er te vaak een proceskostenvergoeding wordt toegekend. Een proceskostenvergoeding wordt echter slechts toegekend bij een onrechtmatigheid. Een onrechtmatigheid impliceert een toerekenbare fout van een bestuursorgaan en zegt dus iets over de kwaliteit van de besluitvorming. De cijfers tonen aan dat de meerwaarde van een gemachtigde evident is. Daarbij valt niet in te zien dat en waarom deze maatregel bijdraagt aan de gestelde doelen. De evenredigheid van de proceskosten is voor de Wahv – anders dan voor de andere zaken waarop de Wet herwaardering proceskosten-vergoedingen WOZ en bpm betrekking heeft – op geen enkele manier onderzocht of onderbouwd en hierop is geen toelichting gegeven in het amendement waarmee deze maatregel is aangenomen. De gemachtigde wijst er verder op dat de beslissingen van kantonrechters waarnaar in het amendement wordt verwezen alle zijn vernietigd door het hof.
6. De advocaat-generaal stelt zich primair op het standpunt dat niet is gebleken van discriminatie tussen verschillende soorten bestuursrechtelijke procedures. Indien het hof van oordeel is dat wel sprake is van discriminatie, stelt de advocaat-generaal zich subsidiair op het standpunt dat er sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het onderscheid.
7. In artikel 13a, derde en vierde lid, van de Wahv, zoals deze bepalingen met ingang van 1 januari 2024 luiden, is bepaald dat uitbetalingen ingevolge een beslissing op het administratief beroep of uitspraak op beroep op grond van deze wet uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van degene tot wie de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd, is gericht en dat vorderingen tot deze uitbetaling niet vatbaar zijn voor vervreemding of verpanding.
8. Zoals het hof in zijn arrest van 2 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1 [zie 12.5 hierboven; PJW], heeft vastgesteld, is ten aanzien van deze bepalingen geen overgangsrecht opgenomen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, zodat deze van toepassing zijn op alle uitbetalingen van proceskostenvergoedingen die worden gedaan vanaf 1 januari 2024. Deze bepalingen betreffen de rechtstreeks uit de wet voortvloeiende wijze van uitvoering van een door de officier van justitie, de kantonrechter of het hof gegeven beslissing, houdende de toekenning van een proceskostenvergoeding. De officier van justitie, de kantonrechter of het hof zijn niet bevoegd omtrent deze feitelijke uitvoering van hun beslissingen een oordeel te geven. Bij geschillen omtrent de wijze van uitbetaling van de proceskostenvergoeding dient men zich te wenden tot de burgerlijke rechter. Het hof zal zich ter zake onbevoegd verklaren.”
12.7
Ook de Rechtbank Noord-Nederland heeft zich in een Mulderzaak onder verwijzing naar deze uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden onbevoegd verklaard te oordelen over de wijze van uitbetaling van de pkv.50.
12.8
Omgekeerd oordeelde de Rechtbank Rotterdam51.in een parkeerbelastingzaak (die niet onder de WHpkv valt en waarin ncnp-bureaus dus nog op de oude voet voort kunnen gaan) dat zij niet kon bepalen dat de ISV aan de belanghebbende zelf uitbetaald zou moeten worden. De belanghebbende had beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting ad € 66,26. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden en veroordeelde deels de heffingsambtenaar en deels de Staat tot betaling van ISV (in totaal € 1.000) en pkv (in totaal € 837). Hoewel de Rechtbank zich niet onbevoegd verklaarde, ging zij expliciet niet in op het verzoek van de heffingsambtenaar om te bepalen dat de ISV aan de belanghebbende niet aan haar gemachtigde uitbetaald moest worden:
“10.1. Ter zitting heeft [de heffingsambtenaar; PJW] gesteld dat de spanning en frustratie die wordt aangenomen bij een overschrijding van de redelijke termijn bij [de belanghebbende; PJW] ligt en niet bij de gemachtigde (…). Daarom zou [de belanghebbende; PJW] zelf de immateriële schadevergoeding moeten krijgen en zou deze betaling niet via de gemachtigde (…) moeten gaan.
10.2.
De rechtbank zal niet beslissen op het verzoek (…). Zoals door de Hoge Raad in zijn arrest van 26 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:324) is overwogen [zie 12.12 hieronder; PJW], volgt uit artikel 8:75 van de Awb noch uit enige andere wettelijke bepaling dat de bestuursrechter is gehouden te beslissen op een verzoek over de wijze van uitbetaling van kostenvergoedingen. De bestuursrechter is dan ook alleen gehouden om een veroordeling uit te spreken over de toewijzing van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Hoe de betaling van de immateriële schadevergoeding zal verlopen, is naar het oordeel van de rechtbank een zuiver civiele kwestie.”
B. Niettemin twee inhoudelijke beoordelingen: geen strijd met hoger recht
12.9
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant52.is in een WOZ-zaak inhoudelijk ingegaan op de stelling dat de uitbetaalregel en het cessieverbod mensenrechten zouden schenden. Ook zij wees op HR BNB 2016/105 (r.o. 7.5; zie 12.12 hieronder), maar leidde daar niet uit af dat zij onbevoegd zou zijn om te beslissen op het verzoek van de gemachtigde om te bepalen dat aan hem uitbetaald moest worden. Zij wees dat verzoek af met de volgende inhoudelijke overwegingen:
“7.1. De gemachtigde (…) verzoekt de rechtbank te bepalen dat de betaling van vergoedingen rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden, omdat belanghebbende in de machtiging de vordering vóór de totstandkoming van het nieuwe artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ rechtsgeldig gecedeerd heeft. Daarnaast is het verpandings-/vervreemdingsverbod zoals opgenomen in dit artikel onrechtmatig. Aangezien het burgerlijk recht is gestoeld op de contractsvrijheid en de Grondwet en verscheidene verdragen doorspekt zijn van regels betreffende gelijke behandeling en laagdrempelige toegang tot de rechter, had deze regelgeving niet zonder uitgebreide belangenafweging tot stand mogen worden gebracht. Daarbij komt dat het cessieverbod discriminatoir is en in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat het enkel wordt ingevoerd in WOZ en bpm-zaken.
7.2.
De rechtbank stelt voorop dat de wijze van betaling van vergoedingen rechtstreeks voortvloeit uit de wet. Het is vaste rechtspraak dat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet in zijn algemeenheid de toetsing van wetten in formele zin, zoals de Wet WOZ, aan algemene rechtsbeginselen in de weg staat en dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht.53.Wetten in formele zin kunnen daarmee op grond van artikel 94 van de Grondwet uitsluitend worden getoetst aan een ieder verbindende bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties en daarnaast aan rechtstreeks werkend Unierecht.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever bij de totstandkoming van artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ oog gehad voor het door de gemachtigde gestelde discriminatieverbod, de contractsvrijheid en de regels betreffende gelijke behandeling.
7.4.
In de Memorie van toelichting bij de wijziging van de wettelijke regeling voor de uitbetaling van vergoedingen is ingegaan op de redenen voor invoering van de Wet herwaardering proceskosten-vergoedingen WOZ en bpm en ook op het discriminatieverbod zoals neergelegd in het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Met het verplicht uitbetalen van vergoedingen aan belanghebbende wordt volgens de wetsgeschiedenis beoogd dat dit zal leiden tot meer betrokkenheid en bewustwording van belanghebbenden bij de procedures die in hun naam worden gevoerd en van de geldelijke opbrengst daarvan.54.Dat sprake is van een nadeliger positie van belanghebbende ten opzichte van rechtens gelijke gevallen is niet aannemelijk gemaakt.
7.5.
Ten aanzien van artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ is in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm geen overgangsrecht opgenomen zodat deze bepalingen van toepassing zijn op alle uitbetalingen van vergoedingen die worden gedaan vanaf 1 januari 2024. Een voor die datum door belanghebbende getekende machtiging (met cessie) maakt dit niet anders. Uitbetaling van de vergoeding aan belanghebbende zelf, staat immers niet in de weg aan een contractuele afspraak tussen de gemachtigde en belanghebbende onderling, inhoudende dat een (aan belanghebbende) uitbetaalde vergoeding aan de gemachtigde verschuldigd is. Van inbreuk op de rechten van belanghebbende, beperking van de toegang tot de rechter of strijd met de contractvrijheid is dus geen sprake.55.Daarbij is tevens gewezen op rechtspraak van de Hoge Raad waaruit volgt dat de rechter voorheen ook niet gehouden was om te beslissen op een verzoek om de kostenvergoeding over te maken naar de rekening van een ander dan de belanghebbende.56.Daarbij merkt de rechtbank nog op dat met de betaling van een schadevergoeding aan belanghebbende, deze rechtstreeks de beschikking krijgt over het bedrag dat hem persoonlijk toekomt als vergoeding voor de veronderstelde spanning en frustratie.
7.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever met de weergegeven toelichting een voldoende objectieve en redelijke rechtvaardiging gegeven voor de gewijzigde regeling van de uitbetaling van proceskosten en heeft de wetgever in redelijkheid tot het gemaakte onderscheid kunnen komen. Er is daarom geen aanleiding om te oordelen dat die regeling in strijd is met een discriminatieverbod of een ongeoorloofd onderscheid maakt. De onder 7.1 genoemde stellingen van de gemachtigde worden dan ook verworpen.”
12.10
Ook de kantonrechter Noord-Holland heeft in een Mulderzaak inhoudelijk geoordeeld over de stelling dat de voorgeschreven wijze van uitbetaling van pkv mensenrechten zouden schenden. Hij achtte rechtstreekse uitbetaling aan belanghebbenden niet in strijd met het discriminatieverbod:57.
“Volgens de gemachtigde (…) is de per 1 januari 2024 gewijzigde wettelijke regeling over de (uitbetaling van) proceskosten in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt met andere bestuursrechtelijke zaken. Daarbij heeft de gemachtigde verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad.58.De kantonrechter volgt dat standpunt niet.
(…).
De wettelijke regeling over de (uitbetaling van) proceskosten waar het hier om gaat, staat in artikel 13a lid 3 en 4 Wahv, een wet in formele zin. Toetsing van die wet aan het discriminatiebeginsel van artikel 1 van de Grondwet is dus niet mogelijk. Alleen al daarom kan een verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad geen doel treffen.
(…).
In de memorie van toelichting bij de wijziging van de wettelijke regeling voor de (uitbetaling van) proceskosten is ingegaan op de reden en achtergrond daarvan en op de uitspraak van de Hoge Raad.59.Daarbij is toegelicht dat er geen sprake is van gelijke gevallen, omdat de verschillende bestuursrechtelijke procedures wezenlijk van elkaar verschillen en een onderscheid ten aanzien van de regeling van de proceskosten dus mogelijk is.
Ook is in de memorie van toelichting uiteengezet dat als wel sprake zou zijn van gelijke gevallen, voor het gemaakte onderscheid ten aanzien van de betreffende bestuursrechtelijke procedures een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat, gelet op onder meer het feit dat in die procedures met een relatief geringe tijdsinspanning en het gebruik van standaardteksten in verhouding hoge proceskostenvergoedingen kunnen worden verkregen, en er een financiële prikkel is om (door) te procederen.
Ten aanzien van de Wahv is nader toegelicht dat de wetswijziging ook is ingegeven door de zeer sterke toename van beroepen ingesteld door ‘no cure no pay’-bureaus en dat die toename zorgt voor een urgente problematiek bij het OM, het CJIB en de Rechtspraak.60.Daarbij is ook gewezen op de sterk gestegen uitgaven voor proceskostenvergoedingen in Wahv-zaken.61.
Met het verplicht uitbetalen van proceskostenvergoedingen aan betrokkene wordt volgens de wetsgeschiedenis beoogd dat dit zal leiden tot meer betrokkenheid en bewustwording van belanghebbenden bij de procedures die in hun naam worden gevoerd en van de opbrengst daarvan.62.Ook is oogmerk van de gewijzigde regeling dat belanghebbenden kritischer (gaan) kijken naar de machtigingen die zij ondertekenen en de algemene voorwaarden die daarbij gelden, en dat zij in een betere informatiepositie worden gebracht ten aanzien van de beslissing om al dan niet (door) te procederen. Verder is erop gewezen dat uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de rechter voorheen (ook al) niet gehouden was om te beslissen op een verzoek om de proceskostenvergoeding over te maken naar de rekening van een ander dan de belanghebbende.63.
De kantonrechter is van oordeel dat de wetgever met de hiervoor weergegeven toelichting een voldoende objectieve en redelijke rechtvaardiging heeft gegeven voor de gewijzigde regeling van de (uitbetaling van) proceskosten en in redelijkheid tot het gemaakte onderscheid heeft kunnen komen, mede gelet op de beoordelingsruimte die de wetgever daarbij heeft. Er is dus geen grond om te oordelen dat die regeling in strijd is met een discriminatieverbod of een ongeoorloofd onderscheid maakt.
De gemachtigde (…) heeft gesteld dat er niet alleen sprake is van strijd met het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet, maar ook met de discriminatieverboden van verschillende internationale verdragen, met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Echter, een toetsing aan die verdragen leidt niet tot een ander oordeel, omdat ook daarvoor geldt dat sprake is van een voldoende objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond voor het gemaakte onderscheid.”
12.11
Deze twee uitspraken zijn van eerdere datum (10 april 2024 en 15 februari 2024) dan de uitspraak waarin het Hof Den Bosch zich onbevoegd verklaarde (22 mei 2024; zie 12.3 hierboven), maar de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft ook in WOZ-uitspraken van na die datum steeds inhoudelijk een oordeel gegeven en zich niet onbevoegd verklaard.64.
C. HR BNB 2016/105: de belastingrechter gaat niet over de vraag aan wie wordt uitbetaald
12.12
Uw arrest HR BNB 2016/10565.betrof een belanghebbende die de WOZ-waardering van zijn woning bestreed. De Rechtbank Rotterdam had haar beroep gegrond verklaard, een lagere WOZ-waarde vastgesteld en de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ad € 1.094 en griffierecht ad € 44.66.In hoger beroep werd de belanghebbende in totaal € 2.074 aan pkv toegekend voor het beroep en het hogere beroep.67.De gemachtigde klaagde bij het Hof ook dat de heffingsambtenaar had geweigerd om de pkv en het griffierecht aan hem over te maken. Over die klacht overwoog het Hof:
“5.2. Het Hof zal niet anders beslissen dan dat de vergoeding van proceskosten en griffierechten aan belanghebbende toekomt. Het is in een procedure als deze niet aan het Hof, anders dan partijen menen, een oordeel te geven over een verzoek de bedragen in kwestie op de rekening van een ander dan die van de desbetreffende belanghebbende over te maken. (…).”
U verklaarde het cassatieberoep van de gemachtigde daartegen ongegrond:
“2.2.2. Het middel faalt. Uit artikel 8:75 Awb, noch uit enige andere wettelijke bepaling volgt dat de bestuursrechter is gehouden op een dergelijk verzoek te beslissen.”
13. Het cassatieberoep van B&W Utrecht
13.1
Ik meen met de belanghebbende dat het cassatieberoep van B&W miskent dat de cassatierechter niet over feitelijke (bewijs)oordelen gaat en dat B&W de Hofuitspraak verkeerd lezen of bewijsoordelen bestrijden die voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk zijn. De klacht over de bewijslastverdeling lijkt mij ongegrond.
13.2
Ik geef u in overweging om het cassatieberoep ongegrond te verklaren.
13.3
De belanghebbende komt dan in aanmerking voor vergoeding van de in cassatie gemaakte rechtsbijstandskosten, welke vergoeding sinds 1 januari 2024 door de WHpkv gesteld wordt op 10% van de reguliere pkv volgens het Bpb en die volgens die wet uitsluitend uitbetaald wordt aan de belanghebbende zelf; niet aan de gemachtigde. De gemachtigde bestrijdt beide nieuwe regels en verzoekt om uitbetaling van de volle mep aan hem.
14. Het verzoek van de gemachtigde om uitbetaling van de pkv aan hem
14.1
De gemachtigde doet hetzelfde verzoek als de gemachtigde in de zaak HR BNB 2016/105 geciteerd in 12.12 hierboven, zij het in ons geval op basis van de stelling dat art. 30a(4) en (5) Wet WOZ rechtstreeks werkend internationaal recht zou schenden. De vraag rijst of het dan niet toch aan de belastingrechter is om deze formeel-wettelijke bepaling te toetsten aan dat internationale recht en dus over dat verzoek te oordelen. Ik meen dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het verzoek is hetzelfde als in HR BNB 2016/105 en er valt nog steeds niets af te dingen aan uw constatering dat er geen wettelijke grondslag is waaruit volgt dat de bestuursrechter over een dergelijk verzoek oordeelt.
14.2
Het eigendomsrecht of enige discriminatie van de gemachtigde kan mijns inziens trouwens überhaupt niet aan de orde gesteld worden in een procedure voor de belastingrechter naar aanleiding van een uitsluitend op naam van de belastingplichtige luidende beschikking van de belastingdienst. Een beweerdelijke discriminatie van WOZ/bpm-gemachtigden of schending van hun eigendomsrechten zullen deze gemachtigden met een actie op eigen naam tegen de Staat bij de burgerlijke rechter aan de orde moeten stellen met een beroep op art. 6:162 BW.
14.3
Ten overvloede meen ik dat jegens die gemachtigden noch het discriminatieverbod, noch het eigendomsrecht geschonden is. Een beroep op het eigendomsrecht om uitbetaling aan de belanghebbende te verhinderen, strandt mijns inziens op gebrek aan (gerechtvaardigd) belang bij zowel de gemachtigde als de belastingplichtige. Aan de gemachtigde wordt niets ontnomen en aan zijn contractvrijheid wordt niet afgedaan. Hij heeft nog steeds de voorwaardelijke vordering op zijn cliënt die hij heeft bedongen van die cliënt. Die voorwaardelijke vordering is mijns inziens bovendien (nog) geen ‘possession’ in de zin van art. 1 Protocol I EVRM omdat de voorwaarde (gegrondverklaring van het beroep) niet vervuld is ten tijde van contracteren. Is niet aan een voorwaarde voor gerechtigdheid voldaan, dan is een claim (nog) geen possession, aldus het EHRM in de zaak Ramaer and Van Willigen v. Nederland.68.In onder meer Gratzinger and Gratzingerova v. Czech Republic69.onderscheidt het EHRM twee soorten bezittingen in de zin van art. 1 protocol I EVRM: (i) ‘existing possessions’ en (ii) ‘assets, including claims, in respect of which an applicant can argue that he has at least a “legitimate expectation” that they will be realised.’ De hoop of verwachting dat een claim (aanspraak of vordering in rechte) in het voordeel van de claimant zal worden beslist (door een overheidsorgaan of een rechter), is onvoldoende. Een legitimate expectation ‘must be of a nature more concrete than a mere hope’ en moet gebaseerd zijn op (i) ‘a legal provision’ (bijvoorbeeld een premie- belastingteruggaaf die rechtstreeks uit de wet voortvloeit, zoals in HR BNB 2022/870.) of (ii) ‘a legal act such as a judicial decision’. Die grondslag is er niet op het moment waarop de klant de algemene voorwaarden van de ncnp-gemachtigde moet aanvaarden waarbij bij voorbaat een voorwaardelijke vordering op de staat ter zake van mogelijke pkv in een nog te voeren WOZ- of bpm-procedure wordt gecedeerd. Pas zodra de voorwaarde (gegrondverklaring) vervuld wordt, ontstaat de vordering van de gemachtigde op de belastingplichtige tot doorbetaling van de pkv, en die vordering wordt niet aangetast door het cessie- en verpandingsverbod.
14.4
Wel blijft als gevolg van het cessieverbod het debiteurenrisico bij de gemachtigde, maar niets belet hem om andere zekerheid van zijn klant te vragen, net zoals gemachtigden in alle andere dan WOZ- en bpm-zaken dat kunnen doen, gemachtigden die - anders dan ncnp-gemachtigden in WOZ-en bpm-zaken - niet geprivilegieerd werden door structurele overcompensatie van de werkelijke bezwaar- en beroepskosten en door afwenteling van hun debiteurenrisico op de belastingbetaler. De WHpkv is mijns inziens eerder een te lang uitgestelde beëindiging van ongerechtvaardigde privileges voor zowel WOZ/bpm-ncnp-gemachtigden (structurele overcompensatie; afwenteling debiteurenrisico) als hun klanten (voor niets procederen over niets tegen hoge maatschappelijke kosten; loterij zonder nieten) dan een discriminatie van die gemachtigden of hun klanten. U zie in dat verband ook de conclusie van vandaag in de zaak met nr. 24/00575. Mensenrechten zijn niet in internationale verdragen opgeschreven om niet op het belang van rechtszoekenden gerichte maar op algemene middelen parasiterende verdienmodellen nog verder te bevoordelen door afwenteling van hun debiteurenrisico op de gemeenschap. Van discriminatie van ncnp-gemachtigden lijkt mij geen sprake. Het is mijns inziens eerder andersom: hun ongerechtvaardigde privilegiëring is terecht beëindigd.
14.5
Ook de WOZ/bpm-belastingplichtige wordt mijns inziens niet gediscrimineerd. Ook voor hem geldt dat in vergelijking met andere dan WOZ- en bpm-belastingplichtigen juist een ongerechtvaardigde privilegiëring (gratis procederen op staatskosten over geringe bedragen; loterij zonder nieten) wordt beëindigd. Hem wordt evenmin iets afgenomen. Zijn pkv-vordering is immers voorwaardelijk en daarmee geen ‘possession’ in de zin van art. 1 Protocol I EVRM. Zijn pkv-vorderingsrecht wordt feitelijk juist versterkt door het cessie- en verpandingsverbod en dat is ook de bedoeling van de wetgever: consumentenbescherming. En niets belet hem om desgecontracteerd de eventueel aan hem toekomende en uitbetaalde pkv (en ISV en griffierecht en dwangsom) door te betalen aan zijn gemachtigde. Dat één extra handeling nodig is (doorbetalen) kan bezwaarlijk als een discriminatie in de zin van volkenrechtelijke discriminatieverboden beschouwd worden en te minder als een onevenredige schending van het eigendomsgrondrecht.
14.6
De term ‘cessieverbod’ lijkt mij ook misplaatst. Het gaat mijns inziens om een cessiedwangverbod: belastingplichtigen worden door de WHpkv beschermd tegen de contractuele dwang tot cessie bij voorbaat van alles wat hen toekomt, ongeacht of ze enig idee hebben waarvan ze bij voorbaat afzien en ongeacht hoe extreem veel méér hen blijkt toe te komen dan de waarde van de verleende ncnp-diensten. U zie in de onderdelen 7.29 t/m 7.31 van de bijlage de voorbeelden van verontwaardigde e-mails van klanten van ncnp-bureaus die geen idee hadden hoeveel de gemachtigde incasseerde aan vergoedingen die zij als aan henzelf toekomend beschouwden als zij ervan geweten zouden hebben, en die soms niet eens wisten dat de ‘gemachtigde’ namens hen aan het procederen en declareren was, al dan niet zonder geldige machtiging.
14.7
U vergelijke de wettelijke bescherming van consumenten tegen oneerlijke (zwarte lijst-) bedingen die de wetgever vernietigbaar heeft verklaard (art. 6:236 jo. 6:233(a) BW) en die, voor zover voortvloeiend uit Richtlijn 93/13/EEG,71.door de rechter van ambtswege genegeerd moeten worden, tenzij de consument zelf dat expliciet niet wil.72.Ook dergelijke bedingen binden de consument dus niet, net zomin als de algemene voorwaarden van een ncnp-bureau voor zover die cessie bij voorbaat van een eventuele pkv eisen (mij lijkt ook het beding dat de klant niet mag intrekken zonder opeens heel veel te moeten betalen problematisch uit een oogpunt van het verbod op oneerlijke bedingen). Ik meen dat de art. 19a(4) en (5) Wet bpm en 30a(4) en (5) Wet WOZ gezien kunnen worden als uitvoering van art. 6 van de genoemde EEG-Richtlijn:73.de klant wordt door de genoemde bepalingen beschermd tegen onwetendheid over wat een ncnp-gemachtigde op zijn naam doet en over wat die gemachtigde aan hem verdient op gemeenschapskosten. Hij wordt in staat gesteld om überhaupt zijn rechten te kunnen beoordelen en om te beoordelen of hij expliciet wil afzien van de bescherming tegen het mijns inziens oneerlijke beding dat hij bij voorbaat en onwetend waarvan hij afziet een voorwaardelijk recht op soms duizenden euro’s moet afstaan voor een fiscale dienstverlening die voor hem gemiddeld geen groter belang kan belopen dan een bedrag tussen € 30 en € 300.
14.8
Ik wijs ook op art. 8(2) (2e alinea) van richtlijn 2011/83/EU inzake consumentenrechten,74.dat bepaalt:
“Artikel 8 - Formele vereisten voor overeenkomsten op afstand
(…).
2. Indien een overeenkomst op afstand die op elektronische wijze wordt gesloten een betalingsverplichting voor de consument inhoudt, wijst de handelaar de consument op duidelijke en in het oog springende manier en onmiddellijk voordat de consument zijn bestelling plaatst, op de in artikel 6, lid 1, onder a), e), o) en p), genoemde informatie.
De handelaar ziet erop toe dat de consument bij het plaatsen van zijn bestelling, uitdrukkelijk erkent dat de bestelling een betalingsverplichting inhoudt. Indien het plaatsen van een bestelling inhoudt dat een knop of een soortgelijke functie moet worden aangeklikt, wordt de knop of soortgelijke functie op een goed leesbare wijze aangemerkt met alleen de woorden ‚bestelling met betalingsverplichting’ of een overeenkomstige ondubbelzinnige formulering waaruit blijkt dat het plaatsen van de bestelling een verplichting inhoudt om de handelaar te betalen. Indien aan de bepalingen van deze alinea niet is voldaan is de consument niet door de overeenkomst of de bestelling gebonden.”
De zaak C-400/22, Conny,75.betrof een Duits incassobureau dat via internet huurders als klant wierf om te procederen tegen hun verhuurders over teveel betaalde huur. De huurder moest daartoe klikken op een knop met „doorgaan”, „huurverlaging aanvragen” of „huurplafondbesparing veiligstellen”. De betrokken huurder had zich op de website geregistreerd, daar een vakje aangekruist om de algemene voorwaarden te aanvaarden en zijn bestelling bevestigd door op de knop te klikken. Vervolgens heeft de huurder een door Conny verstrekt formulier ondertekend, met als opschrift „Bevestiging, volmacht en overdracht, instemming”, dat geen enkele informatie bevatte over een op de huurder rustende betalingsverplichting. De aanvaarde algemene voorwaarden vermeldden dat de huurder een vergoeding moest betalen ad een derde van de bespaarde jaarhuur als Conny succesvol zou zijn. De vraag was of de (prijs)informatie- en transparentieverplichtingen van de handelaar ook gelden als den omvang van de betalingsverplichting niet bekend, want voorwaarderlijk is op het moment van sluiten van de overeenkomst en de vervulling van de voorwaarde geheel onttrokken is aan de invloed van de klant. Het HvJ antwoordde op vragen van de Duitse rechter dat de genoemde bepaling aldus moet worden uitgelegd dat bij overeenkomsten op afstand via een website, de verplichting van de handelaar om ervoor te zorgen dat de consument bij het plaatsen van zijn bestelling uitdrukkelijk instemt met een betalingsverplichting, ook geldt als de consument de prestatie pas hoeft te betalen nadat aan een voorwaarde is voldaan – zoals in geval van WOZ/bpm no cure no pay bureaus. Uw eerste kamer heeft op 12 november 202176.en 4 oktober 202477.de Nederlandse implementatie in de art. 6:230m e.v. BW aldus uitgelegd dat de burgerlijke rechter ambtshalve moet toetsen of sprake is van een ernstige schending van essentiële informatieplichten, zoals de plicht ex art. 6:230m(1)(e) BW (informeren over de totale prijs van de dienst) en zo ja, die schending moet sanctioneren door een deel van verplichtingen van de consument ambtshalve te vernietigen, met name door prijsvermindering.
14.9
Ik merk op dat NOB-belastingadviseurs zich ingevolge hun beroepsregels verre moeten houden van het – al dan niet bij algemene voorwaarden – bedingen van cessie bij voorbaat te hunnen gunste van eventuele pkv- en ISV-rechten van hun cliënten ongeacht de waarde van hun inspanningen. Art. 13 van het Reglement Beroepsuitoefening van de NOB laat wel resultaatsafhankelijke honoraria toe, ook een percentage van de bereikte belasting-besparing, maar er moet steeds een redelijk verband bestaan tussen het gefactureerde bedrag en de bestede uren en de aard en het belang van de zaak. Zo nodig moet een plafond in het te factureren bedrag worden afgesproken. Bij resultaatafhankelijke honoraria wil de NOB dat vóóraf expliciete afspraken met de cliënt worden gemaakt en dat die schriftelijk worden vastgelegd. Het Reglement Beroepsuitoefening van de Register Belastingadviseurs bevat een identiek art. 13 met een identieke toelichting. Daarvan is bij de WOZ/bpm ncnp bureaus geen sprake; hun verdienmodel is juist mede gebaseerd op het in onwetendheid laten van klanten over hoeveel zij aan hen verdienen op kosten van de gemeenschap, of zelfs van het feit dat zij op naam van die klanten (door)procederen. Aan advocaten is no cure no pay (en quota pars litis) buiten twee zeer specifiek omschreven gevallen verboden, op zowel nationaal78.als Europees niveau.79.Het ncnp-verbod beschermt het belang van de justitiabele bij partijdigheid, integriteit en onafhankelijkheid van de advocaat en is een rem op excessief declareren. De Nederlandse Orde van Advocaten acht het van cruciale betekenis voor een behoorlijke taakuitoefening.80.De toelichting op het ncnp-verbod in de Gedragscode voor Europese advocaten vermeldt dat een niet-gereglementeerde ncnp-overeenkomst strijdig is met een behoorlijke rechtspleging omdat die aanzet tot speculatieve procesvoering en gevoelig is voor misbruik.81.
14.10
De Europese rechter82.oordeelde in 2023 dat een uurtarief in de overeenkomst van opdracht tussen een advocaat en zijn particuliere cliënt niet voldoet aan het transparantievereiste van art. 5 van de Richtlijn oneerlijke bedingen omdat slechts een uurtarief de consument niet in staat om bij het sluiten van de overeenkomst de economische gevolgen van de juridische dienst in te schatten. Volgens Braspenning83.impliceert dit arrest dat een advocaat vooraf een kostenraming moet maken of, als dat niet mogelijk is, tussentijds declareren. In het Litouwse recht (de zaak was verwezen door een Litouwse rechter) leidt gebrek aan transparantie automatisch tot de kwalificatie “oneerlijk beding”. In Nederland is gebrek aan transparantie een gezichtspunt bij de bredere oneerlijkheidstoets ex art. 6:233(a) BW.
14.11
Ik merk verder op dat in het invorderingsrecht al decennia een ‘cessieverbod’ geldt, nl. art. 25(4) Invorderingswet, dat bepaalt dat cessie of verpanding van een belastingteruggaaf niet werkt jegens de Ontvanger (om diens verrekeningsrecht te beschermen) tenzij die er schriftelijk mee heeft ingestemd. Art. 3(83) BW bepaalt in het algemeen dat vorderingsrechten niet overdraagbaar zijn als de (formele) wet zich daar tegen verzet.
14.12
Van discriminatie of eigendomsrechtschending is mijns inziens dus geen sprake. Zelfs als dat anders zou kunnen zijn, bestaan er zwaarder wegende dwingende redenen van algemeen belang die die – mijns inziens nonexistente – inbreuk rechtvaardigen en die geschikt en proportioneel zijn voor het bereiken van de gerechtvaardigde maatschappelijke doelen van (i) beëindiging van de ongerechtvaardigde structurele overcompensatie van proceskosten in WOZ- en bpm-zaken om (ii) de woekering van ncnp-verdienmodellen ten koste van de algemene middelen te stoppen die de rechtspraak verstopt en daardoor de rechtsbescherming van anderen schaadt zonder daartegenover voldoende bij te dragen aan die rechtsbescherming omdat het verdienmodel voorop staat en (iii) consumentenbescherming. U merke op dat WOZ-bezwaarden zonder ncnp-gemachtigde aanzienlijk beter scoren dan bezwaarden mét gemachtigde (zie onderdeel 9 hierboven).
14.13
Hoe het EU-recht (vrij verkeer van personen) geschonden zou kunnen zijn door het ‘cessieverbod’, maakt de gemachtigde niet duidelijk. Zoals gezegd, kan het cessieverbod juist eerder als correcte uitvoering van EU-consumentenrechtenrichtlijnen beschouwd worden. De WHpkv maakt ook geen onderscheid tussen ingezeten en niet-ingezeten eigenaren van Nederlands onroerend goed. Dat niet-ingezeten potentiële klanten sinds 2024 mogelijk minder happig zijn, hangt wellicht samen met een andere tariefstelling en ander zekerheidstellingsbeleid van beroepsgemachtigden sinds 1 januari, die denkelijk evenzeer in binnenlandse gevallen zijn veranderd en daar denkelijk een gelijkelijk verminderde happigheid onder potentiële klanten tot gevolg heeft, wat de wetgever ook beoogde: potentiële klanten moeten een zeker procesrisico lopen, een belangenafweging maken en zicht krijgen op wat hun gemachtigde in hun naam doet en op hoeveel deze aan hen verdient.
14.14
Daar komt nog bij dat naar nationaal recht elk procesbelang ontbreekt bij het verzoek om uitbetaling aan de gemachtigde.84.Volgens uw vaste rechtspraak heeft een belastingplichtige alleen voldoende belang bij het gebruik van een rechtsmiddel als het hem in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht.85.De andere hoogste bestuursrechters – de CRvB en de ABRvS – gebruiken als criterium dat het resultaat dat met het rechtsmiddel wordt nagestreefd, daadwerkelijk kan worden bereikt en voor de indiener van het rechtsmiddel feitelijk van betekenis is.86.
14.15
Het betoog van de gemachtigde dat art. 30a(4) Wet WOZ in strijd is met hoger recht, strekt tot de buitentoepassingverklaring van die bepaling om te bewerkstelligen dat een eventuele pkv in cassatie uitbetaald zal worden op de rekening van de gemachtigde. Voor zoveel dat betoog al als een rechtsmiddel gezien kan worden (de gemachtigde vermeldt expliciet dat hij geen incidenteel cassatieberoep instelt), zie ik niet in hoe dat verzoek de belanghebbende feitelijk of rechtens in een betere positie zou kunnen brengen met betrekking tot de WOZ-beschikking of de pkv. Integendeel: juist uitbetaling aan de belanghebbende brengt deze in een betere positie en die uitbetaling is ook bedoeld om zijn (informatie- en afwegings)positie te verbeteren. Het verzoek van de gemachtigde dient kennelijk alleen diens verdienmodel-belang, waardoor een procesbelang van de belastingplichtige ontbreekt. Zou u ondanks HR BNB 2016/105 de belastingrechter bevoegd achten om over de adressaat van de uitbetaling te oordelen, dan nog zou het verzoek van de gemachtigde met betrekking tot de uitbetaling dus niet-ontvankelijk verklaard moeten worden (als zo’n verzoek al als gebruik van een rechtsmiddel kan worden beschouwd).
15. De door de wetgever en de gemachtigde niet-onderkende verweerder-positie van de belanghebbende
15.1
Niet de belanghebbende, maar het college van B&W heeft cassatieberoep ingesteld. Men kan een belanghebbende of diens gemachtigde dan niet kwalijk nemen dat hij zich verweert.
15.2
Als u het cassatieberoep van B&W ongegrond verklaart, waar ik van uitga, leidt dat niet tot vernietiging of wijziging van het (nader door de feitenrechter vastgestelde) WOZ-besluit, maar tot geen ander gevolg dan dat de Hofuitspraak blijft staan. Toch wordt de belanghebbende geenszins ‘uitsluitend op formele gronden’ in het gelijk gesteld, maar omdat het beroep van B&W inhoudelijk ongegrond is. Op basis van art. 30a(2) Wet WOZ wordt de reguliere cassatie-pkv ex het Bpb verlaagd tot slechts 10% daarvan. Die uitkomst staat haaks op het belangrijkste doel van de WHpkv (tegengaan van nodeloos (door)procederen door gemachtigden om pkv’s en ISV’s uit te lokken op kosten van de gemeenschap zonder significant bij te dragen aan de rechtsbescherming). In ons geval zijn het immers eerder B&W die nodeloos doorprocederen. In het licht van dat doel van de regeling is verlaging tot 10% van de normale pkv onverklaarbaar en mijns inziens onredelijk en onevenredig.
15.3
De parlementaire behandeling van de WHpkv (zie met name de onderdelen 6.15, 6.16 en 6.26 van de bijlage) bevat geen aanwijzingen dat de wetgever heeft onderkend dat een (ncnp-)gemachtigde in WOZ- en bpm-zaken in hoger beroep en cassatieberoep niet alleen aan de kant van de eiser kan staan (zoals wel in bezwaar en beroep), maar ook aan de kant van de belastingplichtige als verweerder kan optreden. In die laatste positie kan hem niet verweten worden dat hij materieel zinloos en alleen maar voor eigen gewin doorprocedeert en kan de belanghebbende niet verweten worden dat hij voor geringe bedragen een loterij zonder nieten voortzet op hoge kosten van de gemeenschap. Integendeel: doordat de Inspecteur c.q. de gemeente doorprocedeert, wordt de belanghebbende gedwongen zich te verweren en is het in beginsel niet onredelijk om verweerkosten te maken, met name niet in cassatie bij het voor de meeste WOZ-belanghebbenden mysterieuze instituut Hoge Raad. Dat de wettelijke pkv-verlaging naar 10% van het Bpb-bedrag zich ook – en contrarationeel – kan voordoen als niet de gemachtigde maar de overheid vruchteloos doorprocedeert, is kennelijk niet verdisconteerd door de wetgever. Geen van de voorbeelden in de parlementaire geschiedenis (zie 6.15, 6.16 en 6.26 bijlage) raakt aan gevallen waarin de belanghebbende in hoger beroep of cassatieberoep als verweerder zegeviert en dus ten onrechte (verder) in rechte is betrokken en een proceskostenveroordeling van de andere partij geenszins misplaatst is. De wetgever heeft het belang van een zich uitsluitend verwerende WOZ- of bpm-belanghebbende niet in zijn belangenafweging betrokken.
15.4
Ik meen daarom dat de gemachtigde alleen om deze – niet door hem gestelde – reden een punt heeft waar hij betoogt dat het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel worden geschonden. Verlaging tot 10% staat in winnende verweer-posities haaks op het doel van de wet en is daarmee mijns inziens in zijn voor de burger nadelige gevolg per definitie onevenredig aan het op zichzelf honorabele maatschappelijke doel van de WHpkv. Als partij die in vorige instantie (deels) gewonnen heeft en zelf niet doorprocedeert, kan een zich in hogere instantie slechts verwerende belanghebbende met (ncnp-)gemachtigde niet gelijkgesteld worden met een belanghebbende die een ncnp-gemachtigde machtigt om op kosten van de gemeenschap een loterij zonder nieten te beginnen of voort te zetten. Daarmee zouden twee – in het licht van het doel van de regeling – manifest onvergelijkbare gevallen ongerechtvaardigd over één kam worden geschoren, hetgeen evenzeer een discriminatie oplevert als een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gevallen die in het licht van het doel van de regeling gelijk zijn. Het is in dat geval de verliezende overheid zelf die de procedure voortzet en daarmee proceskosten oproept.
15.5
Anders dan ter zake van het verzoek van de gemachtigde om aan hem uit te betalen (zie 14 hierboven) en anders dan in de zaak met nr. 24/00575 waarin de belastingplichtige geen enkel materieel of procedureel belang meer kon hebben bij de cassatieprocedure, heeft onze belanghebbende wel degelijk materieel en daarmee procesbelang bij het voeren van verweer in cassatie en daarmee bij pkv. Hoe weinig het mogelijk ook voor de hand ligt, het is niet ondenkbaar dat het cassatieberoep van B&W een doel treft; mogelijk een doel waarop hij niet mikte (zoals ook de gemachtigde in casu een doel treft waarop hij niet mikte). U kunt een cassatieberoep immers ook gegrond verklaren op andere dan de aangevoerde gronden (art. 29e(2) AWR). De zaak zou dan verwezen kunnen worden en dan zou er toch weer een hogere WOZ-waarde uit kunnen komen.
15.6
Voor de contrarationele en discriminerende verlaging naar 10% in zegevierende-verweerderposities is geen rechtvaardiging aangevoerd, uiteraard niet, want de discriminatie is niet onderkend. Ik zou ook geen rechtvaardiging kunnen bedenken, als dat al de taak van de rechterlijke macht zou zijn.
15.7
Daarmee rijst de vraag of de rechter kan en moet ingrijpen. Ik meen dat het antwoord daarop bevestigend luidt, in de eerste plaats omdat het rechtskundig juiste resultaat bereikt kan worden door teleologische interpretatie of desgewenst ‘een redelijke wetstoepassing’ en Verdragsconforme interpretatie van de WHpkv. De wetgever wilde immers, als de belastingplichtige niet uitsluitend op formele punten, maar materieel in het gelijk wordt gesteld, niet de factor 0,1 toepassen, maar de factor 0,25. Als u het cassatieberoep van B&W ongegrond verklaart, wordt de belanghebbende in cassatie materieel in het gelijk gesteld en moet mijns inziens aangenomen worden dat de wetgever, als hij er aan gedacht zou hebben, ook in belanghebbendes geval de vermenigvuldigingsfactor op 0,25 bepaald zou hebben. Dat volgt mijns inziens onmiskenbaar uit zijn WHpkv-logica en daarmee wordt ook mogelijke strijd met het EVRM vermeden.
15.8
Waarom factor 0,25 en niet de volle Bpb-vergoeding? Omdat naast, en parallel aan, het tegengaan van rechtspraakverstoppend nodeloos doorprocederen om verdienmodel-redenen, het belangrijkste doel van de WHpkv is het neerwaarts aanpassen van de vergoedingen in WOZ- en bpm-zaken aan de werkelijkheid van veel lagere werkelijke proceskosten dan in andere fiscale zaken, dus om de pkv ook in die zaken weer slechts een ‘tegemoetkoming’ te doen zijn. Beide doelen kunnen in de zegevierende-verweerderpositie van een belastingplichtige bereikt worden door niet de wettelijke factor 0,1 of de volle Bpb-vergoeding te gebruiken, maar de wettelijke factor 0,25. De wetgever heeft niet onderkend en dus ook niet verdisconteerd dat zijn criterium ‘vernietiging of wijziging van het bestreden besluit’ niet alle gevallen dekt waarin de belanghebbende op materiële gronden wint, zoals in onze zaak. Ook daaruit volgt dat de wetgever kennelijk uitsluitend aan situaties heeft gedacht waarin de gemachtigde (door)procedeert; niet aan die waarin (uitsluitend) de overheid – vruchteloos – doorprocedeert.
15.9
Ook als dat anders zou zijn en teleologische, ‘redelijke’ en EVRM-verzoenende interpretatie niet rechtstreeks naar factor 0,25 zouden leiden, maar het paardenmiddel van constatering van een EVRM-schending ingezet zou moeten worden, kan de rechter mijns inziens op gelijke wijze in het alsdan geconstateerde rechtstekort voorzien. Uit het systeem en de ratio van de WHpkv en het Bpb volgt immers duidelijk wat de uitkomst moet zijn als de factor 0,1 in een verweersituatie als die van de belanghebbende buiten toepassing gelaten moet worden wegens strijd met art. 1 Protocol 18 EVRM en/of art. 1 Protocol I EVRM: factor 0,25, omdat de belanghebbende materieel in het gelijk wordt gesteld.
15.10
Ik meen daarom dat indien (i) een hoger beroep of cassatieberoep uitsluitend door de belastingheffer is ingesteld dat ertoe strekt dat de WOZ- of bpm-beschikking zoals vastgesteld door de eerdere rechter materieel anders moet luiden en (ii) dat beroep ongegrond wordt verklaard, de zich met beroepsmatige bijstand succesvol verwerende belastingplichtige recht heeft op 0,25 in plaats van 0,1 maal de reguliere Bpb-vergoeding van proceskosten.
15.11
Ook als u teleologische en verzoenende interpretatie buiten bereik zou achten en u ter zake van een EVRM-schending slechts prospective zou willen overrulen om de wetgever gelegenheid te geven om betere oplossingen te bedenken (die ik niet kan bedenken), en zelfs als u het EVRM niet geschonden zou achten, al dan niet omdat het niet geschreven is voor dit soort ver van menselijke-waardigheidkwesties af liggende regeltjes, lijkt mij in dit geval toch de factor 0,25 aangewezen, maar dan op basis van de ‘bijzondere omstandigheden’-escape in art. 2(3) Bpb. Deze zaak is immers de eerste waarin de uitbetaalregel, het cessieverbod én de verweerderspositie onder de WHpkv in cassatie aan de orde zijn; de gemachtigde heeft niet volstaan met het voor de hand liggende verweer dat bewijsoordelen, mits begrijpelijk, in cassatie niet met vrucht bestreden kunnen worden, maar heeft een geschrift ingediend dat ingaat op de merites van de WHpkv in het licht van het discriminatieverbod en het evenredigheidsbeginsel, ook al is het alleen met het oog op de uitbetaalregel en het cessieverbod in plaats op de door de wetgever niet-verdisconteerde gevolgen in verweerposities. Deze zaak kon ook als pilot case geselecteerd worden voor de beoordeling van die verweerpositie onder de WHpkv omdat de gemachtigde expliciet geen incidenteel cassatieberoep heeft ingesteld. En het betaalverzoek van de gemachtigde en diens betoog over het cessieverbod stellen u in staat om de zaak ook als pilot te gebruiken voor de beoordeling van die uitbetaalregel en het cessieverbod. Als de gemachtigde ook nog een kritische inhoudelijke Borgersbrief vanuit het ncnp-veld inbrengt in reactie op deze conclusie – waartoe ik hem uitnodig en waarvoor u dan mijns inziens eveneens 0,25 van de reguliere Bpb-pkv zou moeten toekennen – kunnen de omstandigheden van deze cassatieprocedure mijns inziens vanuit de oogpunten van voorlichting van de Hoge Raad en gelegenheid tot rechtsvorming als uitzonderlijk genoeg beschouwd worden om als ‘bijzonder’ in de zin van art. 2(3) Bpb te kwalificeren. Elke volgende zaak is dat daarmee niet meer als u deze zaak inderdaad aangrijpt voor het geven van duidelijkheid aan het veld.
15.12
Ik meen daarom dat de belanghebbende 0,25 van de reguliere pkv ex het Bpb toe te kennen ware.
15.13
Dan lijkt het mij niet zinvol om ook in deze zaak in het algemeen in te gaan op de verenigbaarheid van de WHpkv met de discriminatieverboden in mensenrechtenverdragen. Voor deze zaak is dat immers niet relevant. Ik ga daarop in in de andere pilot case waarin ik vandaag concludeer, met rolnr. 24/00575.
16. Ceterum censeo
16.1
Hoewel deze conclusie en zeker dier bijlage al lang genoeg zijn, is een aantal gezichtspunten niet aan de orde gekomen.
16.2
In de eerste plaats de vraag waarom in het Bpb niet een algemene antimisbruikbepaling is opgenomen die in abstracto bepaalt dat proceskosten niet worden vergoed als aannemelijk is dat geprocedeerd wordt om die proceskosten, voor financieel gewin van de gemachtigde. Aan te nemen valt dat de (mede)wetgever die optie heeft overwogen, maar dat zij is afgestuit op de ratio van een forfait. De bedoeling van het forfait in het Bpb is juist dat de rechter zich niet bij elk afzonderlijk geval hoeft te verdiepen in de vraag of het redelijk was om beroepsrechtsbijstand in te roepen en zo ja, welke vergoeding redelijk is, of in de vraag wie er nu eigenlijk procedeert (de gemachtigde of de belastingplichtige) en waaróm de belastingplichtige (of is het diens ‘gemachtigde’?) procedeert en met welk achterliggend niet-OZB-belang. Onwenselijk is dat de rechter de kwaliteit van de dienstverlening moet gaan beoordelen en uitdrukken in wel of geen of gereduceerde proceskostenvergoeding.87.Een antimisbruikbepaling is niet werkbesparend als er – doordat het om waardebepaling gaat - massaal oneigenlijk geprocedeerd kan worden. Bij een forfait passen objectieve en prima facie toepasbare criteria. Dat neemt niet weg dat in evidente gevallen van misbruik van procesrecht een niet-ontvankelijkverklaring kan volgen.88.
16.3
Ten tweede de vraag of het niet tegelijk aanpakken van kennelijk bestaand misbruik van de pkv-regeling in parkeerbelastingzaken een grond zou kunnen zijn om de WHpkv discriminatoir te achten wegens onvoldoende inclusiveness ter zake van het te bestrijden misbruik. Mijns inziens luidt het antwoord op die vraag ontkennend. Dat er wellicht ook nog een derde misstand is, kan mijns inziens bezwaarlijk als grond gezien worden om het wél aanpakken van twee grotere en dringender misstanden in strijd te achten met internationale mensenrechten. Daarbij is van belang dat het probleem bij de parkeerbelastingen, anders dan in WOZ- en bpm-zaken, niet zit in het materieelrechtelijk onoplosbare probleem dat in WOZ- en bpm-zaken een onuitputtelijke, constante en massale aanvoer van objectwaarderingsbeschikkingen bestaat, waartegen onuitputtelijk, constant en massaal (en geautomatiseerd) geprocedeerd kan worden met bijna altijd prijs omdat waardering nu eenmaal arbitrair is en de gemeenten, al werken velen geenszins vlekkeloos (mede omdat ze verstopt zitten door die oneindige stroom bezwaren), niet alles kunnen weten en ncnp-bureaus niet zelden opzettelijk zo laat mogelijk met relevante informatie zoals foto’s komen, óók als al veel eerder om relevante documentatie is gevraagd, om zoveel mogelijk pkv en ISV te genereren. De medewetgever heeft daarom verklaard dat op de parkeerbelastingen nog gestudeerd werd,89.wat voor de hand ligt omdat het verdienmodel daar noodzakelijkerwijs anders in elkaar steekt dan bij de WOZ en de bpm, nu waardebepalingen vreemd zijn aan parkeerbelastingen. Misschien is wetswijziging niet nodig. Ik zie er geen aanleiding voor, maar desnoods kunt u, ook als oorzaak en aard van het misbruik bij de parkeerbelastingen niet dezelfde zijn als bij de WOZ en de bpm, maar de intensiteit ervan wel (80 tot 97% van de beroepsmarkt), de wetgever peremptoir stellen en prospective oordelen dat hij, om ongelijkheid te vermijden, ook ter zake van qua ernst en omvang vergelijkbaar misbruik in de parkeerbelastingen moet ingrijpen, dus niet te lang over zijn lopende studie moet doen.
16.4
Ten derde de mogelijkheid voor de wetgever om waardeklassen in te voeren. Aan te nemen valt dat ook dat is overwogen, maar is afgestuit op het gegeven dat de WOZ-waarde inmiddels voor een keur aan andere heffingen en doeleinden gebruikt wordt, waarvoor uit een oogpunt van égalité devant les charges publics een veel nauwkeuriger waardebepaling vereist is (zoals voor de erf- en schenkbelasting en box 3 en het eigen-woningforfait in de inkomstenbelasting) dan voor de in vergelijking daarmee relatief verwaarloosbare OZB en watersysteemheffing vereist zou zijn. Dat zal ook de reden zijn waarom gemeenten niet meer het beleid van vóór de WOZ (mogen) toepassen, nl. structurele onderwaardering, waardoor bezwaar en beroep tegen de waardering bij voorbaat zinloos was (daartegenover werd dan simpelweg het tarief verhoogd). In de bpm zijn waardeklassen om dezelfde reden moeizaam: als waardeklassen effectief zouden moeten zijn, zouden zij elk een behoorlijk waardeverloop moeten omspannen, hetgeen tot discriminatie kan leiden in de zin van het ongerechtvaardigd over één kam scheren van in waarde aanzienlijk verschillende gevallen. Bij uit dat oogpunt meer aangewezen smalle waardeklassen zou het aantal geschillen over grensgevallen tussen klassen weer aanzienlijk toenemen.
16.5
Ten vierde de mogelijkheid om no cure no pay te verbieden of de pkv en ISV op nul te stellen voor ncnp-gemachtigden. Ik meen dat deze beide mogelijkheden een verdergaande ingreep in de contractvrijheid en de rechtsgelijkheid inhouden dan de genomen maatregelen omdat zij extremer zijn (10% of 25% is beter dan nihil) en zij qua misbruikbestrijding onevenredige overkill zouden inhouden: niet elke ncnp-gemachtigde is een misbruiker en niet elk ncnp-contract parasiteert op de algemene middelen. Vanuit het maatschappelijke doel van WHpkv bezien is er bijvoorbeeld niets tegen ncnp-afspraken die inhouden dat de rekening van de gemachtigde zal bestaan uit een percentage van de erfbelasting, inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting die er door zijn inspanningen afgaat van de opgelegde aanslag. De wetgever zou moeten gaan bepalen welke combinatie van cure en pay (niet) toegestaan zijn. De desbetreffende bureaus zouden er bovendien ongetwijfeld meteen in slagen om de desbetreffende regels contractueel te frustreren. Oneigenlijk gebruik van regelgeving is immers hun verdienmodel. Ook een ncnp-verbod in welke vorm dan ook lijkt mij dus onbegonnen werk en hoe dan ook niet doelmatig vanuit het oogpunt van de doelen die de WHpkv moet realiseren. Het zou er mijns inziens op neerkomen dat de wetgever het beroep van fiscaal gemachtigde wettelijk zou moeten gaan regelen. Waar overigens best wat voor te zeggen valt.
16.6
Ten slotte het gegeven dat de goeden onder de kwaden moeten lijden. Bij de bpm is dat een kleiner probleem dan bij de WOZ: ter zake van de bpm werden in 2022 al 97% van alle beroepsprocedures gevoerd door ncnp-gemachtigden, en 73% van de hoger-beroepsprocedures (zie 6.8 van de bijlage). Gemachtigden die in verband met hun beroepsregels of om andere redenen geen pkv-cessie bij voorbaat kunnen of willen eisen, zijn daar in de beroepsfase dus al nagenoeg volledig uit de markt gedrukt. Bij de WOZ worden 80,6% van de beroepen ingesteld door ncnp-gemachtigden (2023) en 79% van de hogere beroepen (2022) (zie 9.2 hierboven en 6.8 van de bijlage). Ook daar is dus weinig ruimte meer voor gemachtigden met beroepsregels die in de weg staan aan cessie bij voorbaat van pkv, ISV, griffierecht en dwangsommen, maar meer dan in bpm-zaken, mede gegeven dat het om grotere absolute aantallen gaat dan bij de bpm. Zoals uit het bovenstaande volgt, had de wetgever niet zo gek veel opties. Zelfs als er betere opties geweest zouden zijn (ik zie ze niet meteen, afgezien van een voor de beoogde doelen nogal disproportionele wettelijke regeling van het beroep van fiscaal procesgemachtigde), wil dat geenszins zeggen dat de formele wetgever buiten zijn door de rechter te bewaken verdragsrechtelijke wide margin of appreciation zou zijn gegaan doordat de wél ingevoerde wetgeving devoid of reasonable foundation zou zijn. Ik roep in herinnering dat uit uw rechtspraak volgt dat de rechter de aan een formeel-wettelijk onderscheid ten grondslag liggende veronderstellingen van de wetgever niet betekenisvol op hun realiteitsgehalte toetst (zie 7.2 t/m 7.16 bijlage), dat u in HR BNB 2013/230 (30%-regeling), HR BNB 2014/30 (bedrijfsopvolgingsvrijstelling) en HR BNB 2010/3 (afkoop alimentatieverplichting) de fiscale wetgever een vrijwel ongelimiteerde (politieke) beoordelingsruimte liet en dat u in HR BNB 2013/230 mijns inziens terecht overwoog (zie 7.4 bijlage) dat:
“voor de hand [ligt] dat de rechter een (…) regeling, die gebaseerd is op een algemeen geformuleerd criterium, niet reeds buiten toepassing dient te laten zodra er enkele gevallen zijn waarin zij iemand treft (in dit geval door hem een fiscaal voordeel te onthouden) hoewel de achterliggende gedachte van de regeling daartoe in die gevallen geen aanleiding geeft. Het is immers eigen aan wetgeving dat daarin algemeen toepasbare criteria worden geformuleerd.”
17. Conclusie
Ik geef u in overweging (i) u onbevoegd te verklaren om op het verzoek om uitbetaling aan de gemachtigde te beslissen, (ii) het cassatieberoep van B&W ongegrond te verklaren en (iii) de belanghebbende met toepassing van de factor 0,25 ex art. 30a Wet WOZ (in plaats van 0,1) de uit het Besluit proceskosten bestuursrecht volgende proceskostenvergoeding toe te kennen.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑10‑2024
De belanghebbende machtigt WOZ Consultants BV om hem in en buiten rechte te vertegenwoordigen ter zake van onder meer ‘de aanslag lokale belastingen en de daarop vermelde WOZ-beschikking(en)’ van 7 maart 2022.
Zie r.o. 1.2 van de bestreden uitspraak van het Hof. Ik neem aan dat het bedrag ad € 538 ziet op de rechtsbijstandskosten als bedoeld in art. 1(a) Bpb.
Rechtbank Midden-Nederland 10 maart 2023, nr. UTR 22/4928.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 april 2024, nr. BK-ARN 23/1195, ECLI:NL:GHARL:2024:2277.
Bedoeld wordt het rapport De hoogte en de structuur van de kostenvergoeding voor bedrijven die helpen bij het maken van bezwaar tegen woz-beschikkingen, Groningen: COELO, Rijksuniversiteit Groningen 2021 (zie onderdeel 8.1 van de bijlage).
De gemachtigde verwijst naar Kamerstukken II, 2022/23, 36 427, nr. 3, p. 19, voetnoot 58 (zie onderdeel 6.19 en voetnoot 86 van de bijlage).
De gemachtigde verwijst naar het rapport Van beroep in bezwaar. Werkwijze en verdienmodel «no cure no pay» bedrijven WOZ en BPM, Den Haag: WODC 2021, p. 92-93 (zie onderdeel 8.1 van de bijlage).
Het rapport dat de gemachtigde bedoelt, is in juni 2024 gepubliceerd: Op (proces)kosten gejaagd? Onderzoek naar ‘oneigenlijk gebruik’ van bestuursrechtelijke procedures met het oog op proceskostenvergoedingen, Groningen: Pro Facto 2024 (in opdracht van het WODC). Zie onderdelen 8.3 en verder van de gemeenschappelijke bijlage.
De gemachtigde verwijst naar de Nota van toelichting bij het Besluit van 8 december 2020, Stb. 2020, 524.
ABRvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ABRvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:852.
Verweerschrift van 8 augustus 2024, p. 2.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
Brief aan de staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst van 18 juni 2024 over de ‘Staat van de WOZ 2024’, online te raadplegen via https://www.waarderingskamer.nl/uploads/documents/02.-Over-ons/Staat-van-de-WOZ/Staat-van-de-WOZ-2024.pdf, p. 2-3.
Idem, Bijlage 1.
Ik ga ervan uit dat hiermee wordt gedoeld op de ontwikkeling van de waarde ten opzichte van de peildatum van het voorafgaande jaar.
Deze rij heb ik uit de Staat van de WOZ 2023 (zie voetnoot 18 in 9.3 hieronder).
Deze rij heb ik zelf toegevoegd. Het percentage komt tot stand door de beroepsprocedures op basis van ncnp te delen door het aantal beroepsprocedures.
Brief aan de staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst van 20 juni 2023 over de ‘Staat van de WOZ 2023’, online te raadplegen via https://www.waarderingskamer.nl/uploads/documents/02.-Over-ons/Staat-van-de-WOZ/Staat_van_de_WOZ_2023-offici%C3%ABle-brief.pdf, p. 4.
Waarderingskamer, Landelijk onderzoek afhandeling (no-cure-no-pay-)bezwaren WOZ (15 juni 2023), online te raadplegen via https://www.waarderingskamer.nl/uploads/documents/02.-Over-ons/Adviezen-en-onderzoeken-Waarderingskamer/Rapport-onderzoek-afhandeling-bezwaren-WOZ-2023.pdf.
Waarderingskamer, Kwantitatief onderzoek naar de mate waarin en de redenen waarom (no-cure-no-pay-)WOZ-bezwaren worden gehonoreerd (1 juli 2021), online te raadplegen via https://www.waarderingskamer.nl/uploads/documents/02.-Over-ons/NCNP-Bezwaren-WOZ-2021.pdf.
Waarderingskamer, Landelijk onderzoek afhandeling (no-cure-no-pay-)bezwaren WOZ (15 juni 2023), p. 8. Op p. 6 van het rapport is toegelicht dat bezwaren niet ingediend door ncnp-bureaus voornamelijk de bezwaren van belanghebbenden zelf omvatten, maar ook zien op bezwaren ingediend door niet-ncnp-gemachtigden..
Idem, p. 11.
Idem, p. 10.
Idem, p. 14.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 15.
Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2003/04, 29 251, nr. 3.
Voetnoot in origineel: Zie bijvoorbeeld rechtbank Oost-Brabant 30 september 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:4103 en rechtbank Gelderland 27 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4366, 4368, 4369 en 4370. [toevoeging PJW: zie de onderdelen 7.27 e.v. van de bijlage.]
Voetnoot in origineel: Artikel 4:89, eerste lid.
Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 26-27.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 6 (NnavV), p. 6.
Kamerstukken I 2023/24, 36 427, nr. E (Nota naar aanleiding van het tweede verslag), p. 3.
Voetnoot in origineel: Artikel 7b van de Invorderingswet 1990.
Voetnoot in origineel: HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:324.
Kamerstukken I 2023/24, 36 427, nr. E (Nota naar aanleiding van het tweede verslag), p. 6.
Kamerstukken II 2023/24, Aanhangsel nr. 1130 (Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden, kenmerk 2024Z01595).
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 19. De MvT noemt geen namen, maar op de website van het bureau Kosteloos Bezwaar wordt opgemerkt dat de klant gemiddeld € 221 per jaar kan besparen met hun bijstand in WOZ-procedures; zie https://www.kosteloosbezwaar.nl/ (online geraadpleegd op 3 september 2024).
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 6 (NnavV), p. 4.
Zie voor het volledige overzicht Van der Burg e.a., Compendium Gemeentelijke belastingen en de Wet WOZ, Deventer: Kluwer 2023, p. 33.
0,0762% * € 67.000. Dit tarief is opgenomen in art. 5(1)(b)(i) van de Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen 2022 gemeente Utrecht, Gemeenteblad 2021, 477862. Dit tarief kan tevens worden afgeleid door de (in eerste instantie) verschuldigde OZB ad € 432,05 te delen door de WOZ-waarde (in de primaire beschikking) ad € 567.000.
€ 666,26 voor de bezwaarfase (zie 2.2 hierboven) en € 3.500 voor de beroeps- en hoger beroepsfase (zie 2.6 hierboven).
Voor woningen met een WOZ-waarde tussen de € 75.000 en € 1.310.000 zoals de onderhavige geldt dat de voordelen uit eigen woning worden bepaald op 0,35% van de WOZ-waarde (tarief 2022).
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 mei 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1730, Belastingblad 2024/223 met noot Redactie.
Voetnoot in origineel: Vergelijk Hoge Raad 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:324, r.o. 2.2.2 [zie 12.12 hieronder; PJW].
Rechtbank Midden-Nederland 3 juli 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4120.
Voetnoot in origineel: Hoge Raad 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:324 [zie 12.12 hieronder; PJW].
Voetnoot in origineel: Zie ook het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 mei 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1730.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1, AB 2024/74 met noot Stijnen.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4051.
Rechtbank Noord-Nederland 15 augustus 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:3359.
Rechtbank Rotterdam 3 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:1983, Belastingblad 2023/184 met noot Wiegerink. Zie ook de vergelijkbare uitspraak Rechtbank Rotterdam 24 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:4676, r.o. 12.1 en 12.2.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2515.
Voetnoot in origineel: zie het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725 (het Harmonisatiewetarrest) en de uitspraak van de grote kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
Voetnoot in origineel: Kamerstukken II, 2023-2024, 36 427, nr. 6, p. 6.
Voetnoot in origineel: Kamerstukken II, 2023-2024, Aanhangsel van de Handelingen, 1130, antwoord op vraag 1.
Voetnoot in origineel: Kamerstukken I, 2023-2024, 36 427, E, p. 3 en ECLI:NL:HR:2016:324.
Rechtbank Noord-Holland 15 februari 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:1812, Belastingblad 2024/119, met noot Boone.
Voetnoot in origineel: Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 27 mei 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2022:752 [zie 12.12 hieronder; PJW].
Voetnoot in origineel: Kamerstukken II, 2023-2024, 36 427, nr. 3, p. 18 e.v.
Voetnoot in origineel: Kamerstukken I, 2023-2024, 36 427, C, p. 7 e.v.
Voetnoot in origineel: Kamerstukken II, vergaderjaar 2023-2024, 36 427, nr. 7, p. 3.
Voetnoot in origineel: Kamerstukken II, 2023-2024, 36 427, nr. 3, p.15 e.v. en Kamerstukken II, 2023-2024, 36 427, nr. 6, p. 6.
Voetnoot in origineel: Kamerstukken I, 2023-2024, 36 427, E, p. 3 en zie de uitspraak van de Hoge Raad van 26 februari 2016, te vinden op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2016:324.
Zie twee uitspraken van Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 juli 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4753 en ECLI:NL:RBZWB:2024:4748 en drie uitspraken van Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 augustus 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5362, ECLI:NL:RBZWB:2024:5360 en ECLI:NL:RBZWB:2024:5361.
HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:324, BNB 2016/105, Belastingblad 2016/165 met noot Couperus; V-N 2016/14.8 met noot Redactie.
Gerechtshof Den Haag 22 mei 2014, ECLI:NL:GHDHA:2015:1443, Belastingblad 2015/422 met noot Couperus, r.o. 1.4.
Idem, r.o. 5.1.
Zie bijvoorbeeld EHRM 23 oktober 2012, nr. 34880/12, ECLI:NL:XX:2012:BY8688 (Ramaer and Van Willigen v. Nederland), NJ 2014/331 met noot Alkema, RSV 2013/243, RvdW 2013/923, AB 2013/43 met noot Leijten, NJB 2013/11. Vgl. HR 13 april 2018, na conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:HR:2018:589, BNB 2018/126 met noot Albert; FED 2018/112 met noot Cornelisse; NTFR 2018/934 met noot Alink, waarin u in r.o. 2.3 overwoog dat een verliesvaststellingsbeschikking geen onvoorwaardelijk recht op verrekening van dat verlies vestigt.
EHRM 10 juli 2002, nr. 39794/98, ECLI:CE:ECHR:2002:0710DEC003979498 (Gratzinger en Gratzingerova v. Tsjechië).
HR 24 september 2021, rolnr. 20/02576, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2021:1239, BNB 2022/8 met noot Mertens; FED 2022/66 met noot Gerverdinck; NLF 2021/1926 met noot Van de Ven; NTFR 2021/3181 met noot Westerman; V-N 2021/40.6 met noot Redactie.
Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumenten-overeenkomsten, Pb L 95 van 21.4.1993, p. 29–34.
Zie HvJ EG 27 juni 2000, zaak C-240-244/98, NJ 2000/730 (Océano Grupo), HvJ EU 26 oktober 2006, zaak C-168/05, NJ 2007/201 (Mostaza Claro) en HvJ EU 4 juni 2009, zaak C-243/08, NJ 2009/395 (Pannon).
Artikel 6, lid 1: “De Lid-Staten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”Lid 2: “De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de consument de door deze richtlijn geboden bescherming niet wordt ontzegd door de keuze van het recht van een derde land als recht dat op de overeenkomst van toepassing is, wanneer er een nauwe band bestaat tussen de overeenkomst en het grondgebied van een Lid-Staat.”
Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten.
HvJ EU 30 mei 2024, zaak C-400/22, VT en UR tegen Conny GmbH, ECLI:EU:C:2024:436.
HR (eerste kamer), 12 november 2021, na conclusie Wissink, ECLI:NL:HR:2021:1677, NJB 2021/3029, RvdW 2021/1105, JOR 2022/52 met annotatie Strijbos, NJ 2022/89 met noot Pavillon.
HR (eerste kamer) 4 oktober 2024, na conclusie Drijber, ECLI:NL:HR:2024:1366.
Zie art. 7.7 van de Verordening op de advocatuur van het college van afgevaardigden van de Nederlandse orde van advocaten: “1. Het staat de advocaat niet vrij overeen te komen, dat: a. slechts bij het behalen van een bepaald gevolg honorarium in rekening wordt gebracht, of b. het honorarium een evenredig deel zal bedragen van de waarde van het door zijn bijstand te bereiken gevolg.”
Zie par. 3.3 van de Code of conduct for european lawyers van de Council of Bars and Law Societies of Europe:“3.3. Pactum de Quota Litis3.3.1. A lawyer shall not be entitled to make a pactum de quota litis.3.3.2. By “pactum de quota litis” is meant an agreement between a lawyer and the client entered into prior to final conclusion of a matter to which the client is a party, by virtue of which the client undertakes to pay the lawyer a share of the result regardless of whether this is represented by a sum of money or by any other benefit achieved by the client upon the conclusion of the matter.3.3.3. “Pactum de quota litis” does not include an agreement that fees be charged in proportion to the value of a matter handled by the lawyer if this is in accordance with an officially approved fee scale or under the control of the Competent Authority having jurisdiction over the lawyer.”
Zie de toelichting bij de voorganger van deze (thans bindende) beroepsregel in de Staatscourant van 4 juli 2002, nr. 125, p. 38.
Zie de toelichting bij par. 3.3 van de Gedragscode voor Europese advocaten. De originele Engelse versie is te raadplegen via https://www.ccbe.eu/NTCdocument/EN_CCBE_CoCpdf1_1382973057.pdf.
HvJ EU 12 januari 2023, zaak C-395/21, D.V. tegen M.A., na conclusie Szpunar, ECLI:EU:C:2023:14.
J.J.A. Braspenning, No Pay, No Cure: over de implicaties van HvJ EU 12 januari 2023, C-395/21 voor de relatie tussen advocaten en consumenten in Nederland; Tijdschrift voor Consumentenrecht en handelspraktijken 2023-2, p. 54 e.v.
Zie voor een overzicht van de rechtspraak over het belang bij rechtsmiddelengebruik: de vordering tot cassatie in het belang der wet van 26 juli 2024 in de bij u aanhangige zaak met nr. 24/00944 CW, ECLI:NL:PHR:2024:777, NLF 2024/1841 met noot Antonisse; NTFR 2024/1364 met noot Niessen-Cobben; V-N 2024/36.9 met noot Redactie, par. 3.3 e.v..
HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, BNB 2014/122 met noot Lubbers; FED 2014/59 met noot Knops; NTFR 2014/1259 met noot Okhuizen & Van Daal; V-N 2014/18.2 met noot Redactie, r.o. 4.3.2.
Zie CRvB 19 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9394, r.o. 4.2 en ABRvS 13 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1249, AB 2013/124 met noot Mendelts, r.o. 5.1.
Zie Kamerstukken I 2023/24, 36 427, nr. C (Nota naar aanleiding van het verslag), p. 3 (geciteerd in 6.24 bijlage): het kabinet achtte het onwenselijk om het onderscheid tussen factor 0,25 en 0,1 te maken op basis van de kwaliteit van een processtuk in plaats van de vraag of een beroep gegrond is op basis van materiële of louter formele gronden, omdat een dergelijke kwaliteitsbeoordeling een subjectief oordeel vergt en daarmee niet werkbaar is.
U zie de conclusie van 17 november 2023 in de zaak met rolnr. 23/00879, ECLI:NL:PHR:2023:1044, over uitgelokte naheffingsaanslagen parkeerbelasting, ter zake waarvan het verdienmodel mij overigens ontgaat. Die zaak heeft als gevolg van intrekking niet geleid tot een arrest.
Zie Kamerstukken II 2024/25, 36 602 (Belastingplan 2025), nr. 2024Z14986 (Nota van wijziging), p. 8, voetnoot 26 (geciteerd in 6.27 bijlage): “Sommige ncnp-bureaus lijken zich volgens [het 2024 WODC-rapport; PJW] steeds meer te richten op bezwaren tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting. BZK zal in de komende periode een expertmeeting organiseren met de betrokken organisaties om te verkennen welke oplossingsrichtingen voor oneigenlijk gebruik in dit rechtsgebied kunnen worden uitgewerkt.” Zie ook de Brief van 18 juni 2024, ‘Kabinetsreactie WODC-onderzoek naar ‘oneigenlijk gebruik’ van proceskostenvergoedingen’, kenmerk 5533407 (genoemd in 8.10 bijlage).
Conclusie 25‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2024:1141 Wet herwaardering pkv WOZ en bpm. Art. 19a Wet bpm. Lagere pkv in WOZ- en bpm-zaken in strijd met discriminatieverbod? Is er wel een ‘victim’? Zo ja: vergelijkbaar met andere belastingzaken? Zo ja: rechtvaardiging? Zo ja: geschikt en proportioneel? Binnen de wide margin of appreciation? De ‘bijzondere omstandigheden’-escape
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00575
Datum 25 oktober 2024
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Wet Bpm / proceskostenvergoeding 2024
Nr. Gerechtshof 22/1249
Nr. Rechtbank 21/1128
CONCLUSIE
P.J. Wattel
Met bijlage
In de zaak van
[X] B.V.
tegen
staatssecretaris van Financiën
Gebruikte afkortingen
Awb | Algemene wet bestuursrecht |
Bpb | |
Bpm | Belasting van personenauto’s en motorrijwielen |
EHRM | Europees Hof voor de Rechten van de Mens |
EVRM | Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens |
HvJ | Hof van Justitie van de Europese Unie Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn |
IVBPR | Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten |
ncnp | No cure, no pay |
pkv | Proceskostenvergoeding |
VwEU | Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
Wet bpm WHpkv | Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 |
Wet WOZ | Wet waardering onroerende zaken |
1. Aanleiding en overzicht
1.1
Dit is een non-zaak, maar op uw verzoek concludeert het Parket omdat op 1 januari 2024 in werking is getreden de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv). De daarbij ingevoerde nieuwe artikelen 19a Wet bpm en 30a Wet WOZ bepalen een aanzienlijk lagere proceskostenvergoeding (pkv) voor beroepsmatige procesvertegenwoordiging in WOZ- en bpm-procedures dan in andere fiscale procedures. Deze zaak is de eerste waarin u de WHpkv waarschijnlijk zult moeten toepassen. Geen van beide partijen heeft de al geruime tijd en ook in de wetsgeschiedenis rondzingende vraag aan de orde gesteld of het pkv-onderscheid tussen WOZ- en bpm-zaken en andere fiscale zaken verenigbaar is met het discriminatieverbod in mensenrechtenverdragen (art. 14 EVRM jo. art. 1 Protocol I EVRM, art. 1 Protocol 12 EVRM en art. 26 IVBPR), maar die vraag moet – voor de praktijk liefst zo snel mogelijk – wel beantwoord worden, niet alleen voor de cassatieprocedure, maar ook voor de beroepsfase en de hoger-beroepsfase.
1.2
De onderdelen 4 t/m 8 van deze conclusie zijn gelijk aan de onderdelen 4 t/m 8 van de conclusie in de zaak met rolnr. 24/01942 (een WOZ-zaak) waarin ik vandaag eveneens concludeer en zijn daarom niet in deze conclusie maar in een gemene bijlage bij beide conclusies opgenomen. Waar ik hieronder verwijs naar de onderdelen 4 t/m 8, zijn dat dus verwijzingen naar de bijlage. In die vijf conclusie-onderdelen in de bijlage behandel ik:
4. de algemene regeling van de pkv in het bestuursrecht;
5. twee arresten waarin u het pkv-onderscheid in het Bpb tussen (i) fiscale en andere bestuursrechtelijke zaken en (ii) WOZ/bpm-zaken en andere fiscale zaken heeft getoetst aan het grondwettelijke discriminatieverbod;
6. de Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm (WHpkv) en diens parlementaire geschiedenis;
7. rechtspraak van (i) de Hoge Raad over toetsing van formele belastingwetten aan het volkenrechtelijke discriminatieverbod, (ii) het EHRM over de margin of appreciation van de nationale wetgever in belastingzaken en (iii) feitenrechters over de effecten van ncnp-procesvertegenwoordiging in WOZ- en bpm-zaken; en
8. de bevindingen in onderzoeksrapporten over ncnp-bijstand en oneigenlijk gebruik van pkv en ISV in WOZ- en bpm-zaken, exclusief het kwantitatieve onderzoek van de Waarderingskamer dat behandeld wordt in onderdeel 9 van de conclusie van vandaag in de WOZ-zaak met nr. 24/01942.
1.3
De WOZ-zaak met nr. 24/00575 is geselecteerd omdat (i) daarin niet alleen de houdbaarheid van de verlaging van de pkv in WOZ- en bpm-zaken aan de orde komt, maar ook die van de uitbetaalregel (uitsluitend aan de belastingplichtige) en het verbod op cessie en verpanding van de voorwaardelijke pkv-vordering aan de gemachtigde; (ii) in die zaak de belastingplichtige niet de eiser, maar de verweerder is in cassatie, waardoor diens gemachtigde niet verweten kan worden dat die materieel zinloos en alleen voor de pkv of ISV cassatieberoep zou hebben ingesteld (al heeft de gemachtigde dat niet aangevoerd); en (iii) het goed is om naast een bpm-zaak ook een WOZ-zaak te hebben, onder meer omdat in WOZ-zaken ook onderzoek van de Waarderingskamer voorhanden is en de WOZ-proces-markt niet zo totaal in handen is van no cure no pay (ncnp) gemachtigden als de bpm-proces-markt (95%).
1.4
Materieel is er geen geschil meer, maar het Hof heeft ten onrechte geen pkv-punt toegekend voor belanghebbendes incidentele hoger beroep. Ingevolge het overgangsrecht bij de WHpkv moest het Hof de hoger-beroep-pkv nog bepalen op basis van het oude recht. Hij heeft dat dus verkeerd gedaan. De gemachtigde heeft alleen om die reden cassatieberoep ingesteld en de Staatssecretaris is het daarmee eens, zodat er geen zaak is. U zult het cassatieberoep dus denkelijk gegrond verklaren, waardoor recht op pkv voor de cassatieprocedure ontstaat, die bepaald zal moeten worden volgens het nieuwe recht, omdat het om een bpm-zaak gaat en het Hof ná 1 januari 2024 uitspraak heeft gedaan. De gewone uit het Bpb voortvloeiende pkv moet volgens het nieuwe recht worden vermenigvuldigd met 0,25 als het bestreden besluit wordt vernietigd of gewijzigd, en met 0,1 in andere gevallen.
1.5
Op basis van art. 8:75 Awb zou de gewone pkv ex art. 1(a) jo. 2(1)(a) Bpb kunnen uitkomen op € 2.625 (zie 9.4 hieronder). Maar nu het om een bpm-zaak gaat en u enkel de hoger-beroep-pkv en niet de naheffingsaanslag zult wijzigen, zou de pkv volgens het nieuwe art. 19a(2)(b) Wet bpm 10% daarvan bedragen, of € 262,50. Het lijkt mij echter aannemelijk dat u, net als het Hof, de wegingsfactor 0,25 zult toepassen vanwege de kennis van de gemachtigde en de uiterst geringe inhoudelijke betekenis van het cassatieberoep. Een cassatieberoepschrift met inhoudelijk slechts één volzin volstaat immers. Bij wegingsfactor 0,25 zou de gewone pkv volgens het Bpb uitkomen op € 437,50, en volgens het nieuwe recht op 10% daarvan, of € 43,75. Gezien de uiterst geringe moeite die dit cassatieberoep vergde en gegeven dat de Staatssecretaris het éénregelig eens is met het cassatieberoep, lijkt mij dat bedrag te stroken met de wens van de wetgever om de pkv hoogstens een tegemoetkoming te doen zijn in de werkelijke kosten. Ik zie daarom inhoudelijk slechts aanleiding voor een grotere wegingsfactor als de gemachtigde bij Borgersbrief (0,5 punt) een inhoudelijke reactie op deze conclusie geeft, waartoe ik hem uitnodig.
1.6
De vraag is gerezen of de vergaande pkv-reductie in bpm- en WOZ-zaken volgens de WHpkv verenigbaar is met het discriminatieverbod in de mensenrechtenverdragen, met name in een atypisch geval als dit. Voor een eveneens uitsluitend de hoger-beroep-pkv betreffend cassatieberoep in een zaak over een niet meer bestreden aanslag vennootschapsbelasting of hondenbelasting zou volgens het Bpb immers een tien keer zo hoge pkv (€ 437,50) worden toegekend. Dát verschil valt inderdaad moeilijk te verklaren vanuit de doelstellingen van de WHpkv, maar juist dat maakt deze zaak atypisch en daarmee mijns inziens ook minder geschikt om de mérites van de WHpkv in het licht van zijn doelstellingen te toetsen aan grondrechten. Bezien vanuit het maatschappelijke probleem dat de WHpkv moet oplossen, is het in deze zaak aan de dag tredende moeilijk verklaarbare pkv-verschil in cassatie tussen WOZ/bpm-zaken en andere zaken een volstrekte bijzaak, die mijns inziens veronachtzaamd moeten worden bij de overall beoordeling van alle doelen en effecten van de WHpkv in het licht van de mensenrechtenverdragsrechtelijke discriminatie-verboden, mede gegeven het algemeenheidsbeginsel (een wet moet algemeen kunnen gelden), de wide margin of appreciation voor de EVRM-lidstaten in belastingzaken en de eisen van praktische uitvoerbaarheid.
1.7
Mijns inziens raakt overigens ook in een Vpb- of hondenbelastingzaak een pkv ad € 437,50 (bij wegingsfactor 0,25) of € 2.625 (bij wegingsfactor 1,5) kant noch wal voor een cassatieberoep zoals het onderhavige, dat inhoudelijk één volzin inhoudt die wijst op een simpel constateerbare pkv-fout van het Hof. Ook in niet-WOZ/bpm-gevallen zou mijns inziens voor zo’n non-zaak als deze alleen de lagere pkv volgens de nieuwe wet vergoed moeten worden. Ik geef u daarom in overweging om dat verschil in omgekeerde richting weg te nemen door ook als het initieel om een andere belasting zou gaan, in zo’n non-zaak als deze de lagere pkv toe te kennen. Dat kan mijns inziens op basis van de ‘bijzondere omstandigheden’-uitzondering in art. 2(3) Bpb.
1.8
Ik merk prealabel verder op dat bij toetsing van de WHpkv aan discriminatieverboden de vraag rijst wie er dan ongelijk behandeld wordt ten opzichte van wie. Niet duidelijk is of de gemachtigde op basis van ncnp-afspraken procedeert of anderszins op basis van zodanige afspraken dat de cassatie-pkv niet aan de belastingplichtige toekomt, maar aan de gemachtigde. Als zij slechts de gemachtigde toekomt, heeft de belastingplichtige geen enkel denkbaar belang bij deze cassatieprocedure en zou het cassatieberoep niet-ontvankelijk zijn. Point d’interêt, point d’action. De enige belanghebbende is dan de gemachtigde, die echter geen zelfstandige partij kan zijn in een belastingprocedure over een beschikking op naam van de belastingplichtige en die – bij dergelijke pkv-afspraken in cassatie – ook niet (meer) de belastingplichtige vertegenwoordigt, die immers geen enkel belang (meer) heeft, noch inhoudelijk, noch procedureel, maar alleen zichzelf vertegenwoordigt. Nu op 1 januari 2024 ook het cessieverbod in art. 19a(5) Wet bpm is ingegaan, is denkbaar dat de belastingplichtige formeel nog belang heeft bij de (uitbetaling van de) pkv.1.Maar als zij die geheel moet doorbetalen aan de gemachtigde, heeft zij nog steeds geen belang bij deze cassatieprocedure. Zij kan dan mijns inziens geen ‘victim’ zijn van enige discriminatie in de zin van art. 14 EVRM of van enige andere schending in de zin van art. 34 EVRM. Het onderscheid tussen gewone en verlaagde pkv treft dan niet de belastingplichtige, maar alleen het verdienmodel van de gemachtigde. Ik meen dat die aantasting, wat daarvan ook zij, noch door de gemachtigde (geen partij), noch door de belastingplichtige (geen belang) aan de orde gesteld kan worden in een cassatieprocedure voor de belastingrechter, die er niet is voor het verdienmodelbelang van gemachtigden, maar voor de fiscale belangen van belasting- en inhoudingsplichtigen. Als het alleen om het ondernemingsbelang van de gemachtigde gaat, waar het naar uitziet, dan moet deze zich mijns inziens wenden tot de (burgerlijke) restrechter.
1.9
Maar deze zaak is geselecteerd omdat hij de eerste is en als kapstok moet dienen voor algemene beschouwingen en oordelen over de mensenrechtenverdragsrechtelijke mérites van de WHpkv, los van de beperkingen van deze non-zaak. Ik ga daarom in het algemeen in op de verenigbaarheid van de WHpkv met de discriminatieverboden in mensenrechten-verdragen. Toetsing van die wet aan art. 1 Grondwet of aan ongeschreven algemene rechtsbeginselen is niet aan de orde, gegeven het toetsingsverbod in art. 120 Grondwet en de vigerende uitleg van die bepaling in de rechtspraak.
1.10
De toets aan de discriminatieverboden in het EVRM en het IVBPR omvat vier vragen: (i) zijn WOZ- en bpm- zaken met beroepsgemachtigden en andere belastingzaken met beroepsgemachtigden, bezien vanuit het doel van de differentiatie in de pkv-regeling (rechtsbescherming; beperkte tegemoetkoming in de werkelijke proceskosten; tegengaan van verstopping van de rechtspraak door parasitaire verdienmodellen van ncnp-bureaus; consumentenbescherming), vergelijkbaar voor de toepassing van die discriminatie-verboden? Zo ja: (ii) bestaat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het pkv-onderscheid tussen WOZ- en bpm-zaken met beroepsgemachtigden en andere zaken met beroepsgemachtigden? Zo ja: (iii) is het onderscheid geschikt om dat gerechtvaardigde doel te bereiken? Zo ja: (iv) staan de nadelige gevolgen van de maatregel (voor wie? Voor WOZ- en bpm-beroepsgemachtigden of voor hun cliënten?) in redelijke verhouding tot de mate waarin dat gerechtvaardigde doel wordt bereikt? De wetgever heeft op sociaal-economisch – waaronder fiscaal – regelterrein een zeer ruime beoordelingsvrijheid bij de vragen of gevallen voor de toepassing van het discriminatieverbod als gelijk moeten gelden en zo ja, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om hen niettemin verschillend te regelen. Bij beide vragen moet de rechter het oordeel van de nationale wetgever eerbiedigen tenzij het manifest van redelijke grond ontbloot is (manifestly without reasonable foundation).
1.11
Ik meen dat toetsing van de WHpkv aan de mensenrechten al bij vraag (i) eindigt: zeker in het licht van de bij sociaal-economisch regeltjesrecht aan de wetgever toekomende zeer ruime beoordelingsvrijheid, zijn WOZ/bpm-zaken en andere zaken vanuit pkv-oogpunt niet vergelijkbaar. Ncnp-verdienmodellen doen zich immers op andere fiscale terreinen dan WOZ- en bpm-zaken (nagenoeg) niet voor, laat staan parasitaire verdienmodellen waarin de inspanningen van de beroepsgemachtigde niet gestuurd worden door het fiscale belang van de belastingplichtige, maar gericht zijn op het te eigen bate maximaliseren van pkv, ISV en dwangsommen en het bestreden besluit slechts of vooral dient als ticket tot mogelijkheden om pkv, ISV en dwangsommen uit te lokken. Alleen al uit het feit dat ncnp-bureaus nagenoeg de hele bpm-bezwaar- en beroepsmarkt (95%) in handen hebben, volgt noodzakelijkerwijs dat bezwaar en beroep in bpm-zaken een verdienmodel zijn dat haaks staat op de wensen van de wetgever om (i) belastingplichtigen een procesrisico-afweging te laten maken, (ii) de pkv in belastingzaken hoogstens een tegemoetkoming in de werkelijke kosten te doen zijn en (iii) een deel van de kosten van de in het gelijk gestelde partij voor diens rekening te laten als normaal maatschappelijk risico. Zonder overcompensatie is winst voor een no cure no pay gemachtigde immers per definitie onmogelijk.
1.12
De MvT bij de WHpkv bevat geen concrete informatie over ncnp-dienstverlening bij andere belastingen dan bpm en WOZ, noch over de gemiddelde tijdinvestering van gemachtigden in procedures over andere belastingen. De wetgever acht kennelijk van algemene bekendheid dat ncnp-dienstverlening bij andere belastingen, als zij al bestaat, verwaarloosbaar is. Die veronderstelling lijkt mij geenszins van redelijke grond ontbloot en uit het WODC-rapport uit 2024 volgt inderdaad dat op andere fiscale terreinen dan bpm en WOZ (en WAHV-boeten en parkeerbelastingen) het ncnp-aandeel onder beroeps-gemachtigden verwaarloosbaar of nihil is.
1.13
Gegeven het bovenstaande en gezien de in de bijlage behandelde onderzoeksrapporten, cijfers van betrokken organisaties, jaarverslag van de Rechtspraak en rechterlijke uitspraken, kan mijns inziens niet gezegd worden dat elke redelijke grond zou ontbreken aan het oordeel van de wetgever dat bpm- (en WOZ-)bezwaren en beroepen voor het volstrekt overgrote deel voor pkv-doeleinden niet gelijk zijn aan bezwaren en beroepen in andere fiscale zaken. Ook als dat wél zo zou zijn, slaagt de WHpkv mijns inziens moeiteloos voor de objectieve-en-redelijke-rechtvaardiging-test: van de keuzen die de formele wetgever heeft gemaakt om een halt toe te roepen aan de verstopping van de belastingrechtspraak door parasitaire verdienmodellen op staatskosten die noch de rechtsbescherming, noch het algemeen belang dienen, kan niet gezegd kan worden dat zij manifestly without reasonable foundation zouden zijn. De maatregel is ook zeker geschikt om de gestelde doelen te bereiken.
1.14
De wetgever mocht mijns inziens ook bij de ncnp-problematiek in WOZ- en bpm-zaken in verband met de uitvoerbaarheid van de wetgeving kiezen voor een generieke maatregel. Eigen aan generieke maatregelen is een zekere grofheid. In HR BNB 2013/230 en HR BNB 2014/30 zag u in een (zéér) hoge mate van overinclusiveness (= dispropotionaliteit) van de formeel-wettelijke maatregel geen reden om die maatregel disproportioneel en daarmee in strijd met het privilege/discriminatieverbod te achten. Mocht de rechter in een concreet geval menen dat toepassing van de WHpkv leidt tot een uitkomst die niet verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel vervat in het EVRM, dan kan de ‘bijzondere omstandigheden’-escape van art. 2(3) Bpb mijns inziens moeiteloos aldus worden uitgelegd dat in zo’n geval de rechter naar bevind van zaken (nl. van proportionaliteit) de uit de WHpkv voortvloeiende pkv verhoogt of verlaagt. Structureel lijkt mij met de WHpkv uit proportionaliteitsoogpunt niets mis en in geval van incidentele ernstige onevenredigheden kan de rechter op basis van art. 2(3) Bpb maatwerk leveren.
1.15
Ik geef u in overweging het cassatieberoep gegrond te verklaren en de cassatie-proceskostenvergoeding ex het Bpb op grond van art. 19a(2)(b) Wet bpm te vermenigvuldigen met 0,1.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
Aan de belanghebbende is een naheffingsaanslag bpm ad € 11.980 opgelegd ter zake van vier auto’s. Daarbij heeft de Inspecteur € 412 aan belastingrente in rekening gebracht.
2.2
Bij uitspraak op het bezwaar van de belanghebbende daartegen heeft de Inspecteur de naheffing verlaagd naar € 9.314 en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Daartegen heeft belanghebbendes gemachtigde beroep ingesteld.
Rechtbank Den Haag 27 oktober 2022, nrs. SGR 21/1127 t/m SGR 21/1130
2.3
De Rechtbank heeft de beroepen inzake de auto’s nrs. 2 (zaaknr. SGR 21/1128) en 3 (zaaknr. SGR 21/1129) gegrond verklaard en de overige beroepen ongegrond. De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak over auto nr. 2 (zaaknr. SGR 21/1128).
Gerechtshof Den Haag 25 januari 2024, nr. BK-22/1249
2.4
In het hoger beroep heeft de belanghebbende zich verweerd tegen het principale hoger beroep van de Inspecteur en tegelijk incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak over auto nr. 2. Het Hof heeft het principale hoger beroep van de Inspecteur verworpen en het incidentele hoger beroep van de belanghebbende gegrond verklaard.
2.5
Op basis van art. 8:75 Awb jo. art. 1(a) jo. 2(1)(a) Bpb en diens bijlage heeft het Hof de kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep vastgesteld op € 1.750 (1 punt voor verweer en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Voor het instellen van incidenteel hoger beroep heeft het Hof geen punt toegekend omdat het verweer in het principale beroep en het incidentele hoger beroep in één geschrift zijn ingediend.
3. Het geding in cassatie
3.1
De gemachtigde heeft tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
3.2
De gemachtigde klaagt dat het Hof ten onrechte geen pkv-punt heeft toegekend voor de indiening van het incidentele hogere beroep. Zij verzoekt u de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten in cassatie.
3.3
De Staatssecretaris verweert zich niet. Hij acht belanghebbendes cassatieberoep gegrond en refereert op dat punt aan uw oordeel.
4. De algemene regeling van proceskostenvergoeding (pkv) in het bestuursrecht
Zie onderdeel 4 van de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie.
5. Toetsing van het onderscheid in het Bbp tussen (i) fiscale en andere bezwaar-procedures en (ii) WOZ/bpm-procedures en andere fiscale procedures
Zie onderdeel 5 van de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie.
Zie onderdeel 6 van de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie.
7. Rechtspraak
Zie onderdeel 7 van de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie.
8. Rapporten van onderzoeken naar ncnp-verdienmodellen in WOZ- en bpm-zaken
Zie onderdeel 8 van de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie.
9. De in casu toe te kennen pkv
A. Prealabel; is er wel een victim van een mensenrechtenschending?
9.1
Deze zaak is een non-zaak, maar ik concludeer omdat op 1 januari 2024 in werking is getreden de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv). De daarbij ingevoerde nieuwe artikelen 19a Wet bpm en 30a Wet WOZ voorzien in een aanzienlijk lagere pkv voor beroepsmatige procesbijstand in WOZ- en bpm-procedures dan in andere fiscale procedures. Deze zaak is de eerste waarin u de WHpkv waarschijnlijk zult moeten toepassen. Hoewel die vraag door geen van beide partijen aan de orde is gesteld, zingt al geruime tijd de vraag rond, ook in de wetsgeschiedenis, of het pkv-onderscheid tussen WOZ- en bpm-zaken en andere fiscale zaken verenigbaar is met het discriminatieverbod in mensenrechtenverdragen (art. 14 EVRM jo. art. 1 Protocol I EVRM, art. 1 Protocol 12 EVRM en art. 26 IVBPR). Die vraag moet – voor de praktijk liefst zo snel mogelijk – beantwoord worden, niet alleen voor de cassatieprocedure, maar ook voor de beroepsfase en de hoger-beroepsfase.
9.2
Materieel is er in casu geen geschil meer, maar het Hof heeft – ten onrechte, gezien art. 1(a) jo. 2(1)(a) en onderdeel A1 sub 1 van de bijlage bij het Bpb – geen pkv-punt toegekend voor belanghebbendes incidentele hoger beroep omdat het was ingesteld in hetzelfde geschrift als dat waarin verweer werd gevoerd tegen het principale hoger beroep van de Inspecteur. Het Hof moest ingevolge het overgangsrecht bij de WHpkv de pkv in hoger beroep nog bepalen op basis van het oude recht en heeft dat dus onjuist gedaan. De gemachtigde heeft alleen om die reden cassatieberoep ingesteld en de Staatssecretaris is het daarmee eens, zodat er geen zaak is.
9.3
U zult het cassatieberoep dus denkelijk gegrond verklaren, waardoor recht op pkv voor de cassatieprocedure ontstaat, die bepaald zal moeten worden volgens het nieuwe recht omdat het om een bpm-zaak gaat en het Hof ná 1 januari 2024 uitspraak heeft gedaan. De gewone uit het Bpm voortvloeiende pkv moet volgens dat nieuwe recht worden vermenigvuldigd met 0,25 als het bestreden besluit wordt vernietigd of gewijzigd en met 0,1 in andere gevallen. U zult het cassatieberoep denkelijk gegrond verklaren zonder de naheffingsaanslag bpm te vernietigen of verder te wijzigen, immers alleen vanwege de pkv-fout van het Hof, zodat slechts 10% van de pkv ex het Bpb wordt vergoed (art. 19a(2)(b) (nieuw) Wet bpm).
9.4
Volgens art. 19a Wet bpm zou de gewone pkv ex art. 1(a) jo. 2(1)(a) Bpb kunnen uitkomen op € 2.625 (2 punten voor het cassatieberoepschrift, € 875 per punt, en een wegingsfactor ad 1,5 omdat het parket concludeert3.). Dat lijkt mij een belachelijk hoog bedrag als slechts ‘tegemoetkoming’ in de werkelijke kosten van dit cassatieberoep. Nu in cassatie denkelijk alleen de hoger-beroep-pkv zal worden gewijzigd en niet de naheffingsaanslag, bedraagt de pkv volgens het nieuwe art. 19a(2)(b) Wet bpm 10% daarvan, of € 262,50. Het lijkt mij echter aannemelijk dat u in casu niet de wegingsfactor 1,5 zult gebruiken, maar – net zoals het Hof – de wegingsfactor 0,25 vanwege die uiterst geringe inhoudelijke betekenis van het cassatieberoep en de kennis van de gemachtigde. In casu volstaat inhoudelijk immers één volzin, en het cassatieberoepschrift bestaat inhoudelijk inderdaad ook slechts uit één volzin.4.Bij die wegingsfactor 0,25 zou de gewone pkv volgens het Bpb uitkomen op € 437,50, en de pkv volgens het nieuwe recht op 10% daarvan, of € 43,75. Gezien de uiterst geringe moeite die dit cassatieberoep vergde en gegeven dat de Staatssecretaris zich niet verweert maar het éénregelig eens is met het beroep, lijkt mij dat bedrag te stroken met de wens van de wetgever om de pkv hoogstens een tegemoetkoming te doen zijn in de werkelijke kosten. Ik zie daarom inhoudelijk alleen aanleiding voor een hogere wegingsfactor als de gemachtigde bij Borgersbrief (0,5 punt) een relevante inhoudelijke reactie op deze conclusie geeft.
9.5
De vraag is bij u gerezen of de vergaande pkv-reductie in bpm- en WOZ-zaken volgens de WHpkv verenigbaar is met het discriminatieverbod in de mensenrechtenverdragen, met name in een – mijns inziens atypisch – geval als dit. Voor een eveneens uitsluitend de hoger-beroep-pkv betreffend cassatieberoep in een zaak over een niet meer bestreden aanslag vennootschapsbelasting of hondenbelasting zou volgens het Bpb immers een tien keer zo hoge pkv (€ 437,50) worden toegekend. Dát verschil valt wellicht inderdaad moeilijk te verklaren vanuit de doelstellingen van de WHpkv, maar dat maakt deze zaak ook atypisch en mijns inziens ongeschikt om de mérites van de WHpkv in het licht van zijn doelstellingen te toetsen aan grondrechten. Bezien vanuit het maatschappelijke probleem dat de WHpkv moet oplossen, is het in deze zaak aan de dag tredende moeilijk verklaarbare pkv-verschil in cassatie tussen WOZ/bpm-zaken en andere zaken volstrekte bijzaak, die mijns inziens veronachtzaamd moet worden bij de overall beoordeling van alle doelen en effecten van de WHpkv op basis de genoemde mensenrechtenverdragsrechtelijke bepalingen. Zoals u het treffend uitdrukte in de zaak HR BNB 2013/230 (zie 7.2-7.4 van de bijlage):
“Het ligt naar het oordeel van de Hoge Raad voor de hand dat de rechter een (…) regeling, die gebaseerd is op een algemeen geformuleerd criterium, niet reeds buiten toepassing dient te laten zodra er enkele gevallen zijn waarin zij iemand treft (…) hoewel de achterliggende gedachte van de regeling daartoe in die gevallen geen aanleiding geeft.”
9.6
De vraag rijst trouwens of het atypische pkv-verschil in cassatie dat in casu aan de dag treedt wel bestaat, althans wel zou moeten bestaan: mijns inziens raakt ook in een Vpb- of hondenbelastingzaak de standaard-pkv ex het Bpb (€ 437,50 bij wegingsfactor 0,25; € 2.625 bij wegingsfactor 1,5) kant noch wal voor een cassatieberoep dat inhoudelijk niet meer om het lijf kan hebben dan één volzin die wijst op de simpel constateerbare pkv-toekenningsfout van het Hof. Ook in dergelijke niet-WOZ- of bpm-gevallen zou mijns inziens voor zo’n non-zaak alleen de lagere pkv volgens de nieuwe wet vergoed moeten worden. Er zou helemaal geen cassatieberoep voor nodig moeten zijn om zo’n simpele fout te herstellen, maar omdat het om een fout van een rechter gaat, moet er ook een rechter over zitten.
9.7
Wat daarvan zij, voor zover uw mogelijke twijfels over de WHpkv voortkomen uit het pkv-verschil in cassatie in deze atypische zaak, geef ik u in overweging om dat verschil in omgekeerde richting te mitigeren of weg te nemen, dus door ook als het aanvankelijk om enige andere belasting gaat, in zo’n non-zaak als deze in cassatie een lagere pkv toe te kennen dan die volgens de bijlage bij het Bpb. Dat kunt u mijns inziens doen op basis van de ‘bijzondere omstandigheden’-uitzondering in art. 2(3) Bpb, die mijns inziens – anders dan de parlementaire geschiedenis stelt – ook overigens ruimer toegepast moet worden. Ik kom daar op terug. Hoe dan ook is deze casus niet de casus op basis waarvan de maatschappelijke doelen en effecten van de WHpkv in het licht van fundamentele rechten kunnen worden beoordeeld.
9.8
Ik merk prealabel verder het volgende op: bij het onderzoek naar de vraag of de WHpkv mogelijk gelijke gevallen ongelijk behandelt, rijst als eerste de vraag wie er dan wel ongelijk behandeld wordt ten opzichte van wie. Uit het dossier wordt mij niet duidelijk of de gemachtigde op basis van ncnp-afspraken procedeert of anderszins op basis van zodanige afspraken tussen hem en de belastingplichtige dat de door u toe te kennen pkv in cassatie niet aan de belastingplichtige toekomt, maar aan de gemachtigde. Als de vergoeding alleen ten goede kan komen aan de gemachtigde, heeft de belastingplichtige geen enkel belang bij deze cassatieprocedure en zou het cassatieberoep om die reden niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Point d’interêt, point d’action. De enige belanghebbende in deze cassatieprocedure is dan de gemachtigde, die echter geen zelfstandige partij kan zijn in een belastingprocedure over een beschikking op naam van de belastingplichtige en die – bij dergelijke pkv-afspraken in cassatie – ook niet (meer) de belastingplichtige vertegenwoordigt, die immers geen enkel belang (meer) heeft, noch inhoudelijk, noch procedureel, maar alleen zichzelf vertegenwoordigt.
9.9
Nu op 1 januari 2024 ook het cessieverbod in art. 19a(5) Wet bpm is ingegaan, neem ik aan dat de belastingplichtige formeel wel belang kan stellen bij de (uitbetaling van de) pkv.5.Maar als zij contractueel verplicht is de eventueel te ontvangen cassatie-pkv door te betalen aan de gemachtigde, heeft zij geen belang. Zij kan dan mijns inziens geen ‘victim’ zijn van enige discriminatie in de zin van art. 14 EVRM of enige andere mensenrechtenschending in de zin van art. 34 EVRM.6.Het onderscheid tussen gewone en verlaagde pkv treft dan immers niet de belastingplichtige, maar alleen de gemachtigde, wiens verdienmodel wordt aangetast. Ik meen dat die aantasting, wat daarvan zij, noch door de gemachtigde (die geen partij is), noch door de belastingplichtige (die geen belang meer heeft) aan de orde gesteld kan worden in een cassatieprocedure voor de belastingrechter. De cassatieprocedure is er immers niet voor het verdienmodelbelang van gemachtigden, maar voor de fiscale belangen van belasting- en inhoudingsplichtigen. Als het alleen om het ondernemingsbelang van de gemachtigde gaat, waar het naar uitziet, moet deze zich mijns inziens met een vordering uit onrechtmatige overheidsdaad (onrechtmatige wetgeving) op basis van art. 6:162 BW wenden tot de burgerlijke rechter.7.
9.10
Maar nu deze zaak is geselecteerd omdat hij de eerste is en als kapstok moet dienen voor algemene beschouwingen en oordelen over de mensenrechtenverdragsrechtelijke mérites van de WHpkv, los van de beperkingen van deze non-zaak, ga ik in het algemeen in op de verenigbaarheid van de WHpkv met de discriminatieverboden in mensenrechtenverdragen. Toetsing van die wet aan art. 1 Grondwet of aan ongeschreven algemene rechtsbeginselen is niet aan de orde, gegeven het toetsingsverbod in art. 120 Grondwet en de vigerende uitleg van die bepaling in de rechtspraak.
B. De toets aan het volkenrechtelijke discriminatieverbod
9.11
Bij de toets aan de discriminatieverboden in het EVRM en het IVBPR gaat het om vier vragen: (i) zijn WOZ- en bpm- zaken waarin beroepsgemachtigden optreden en andere belastingzaken waarin beroepsgemachtigden optreden, bezien vanuit het doel van de differentiatie in de pkv-regeling (rechtsbescherming; beperkte tegemoetkoming in de werkelijke proceskosten; tegengaan van verstopping van de rechtspraak door parasitaire verdienmodellen van ncnp-bureaus), vergelijkbaar voor de toepassing van die discriminatieverboden? Zo ja: (ii) bestaat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het pkv-onderscheid tussen WOZ- en bpm-zaken met beroepsgemachtigden en andere zaken met beroepsgemachtigden? Zo ja: (iii) is het onderscheid geschikt om dat gerechtvaardigde doel te bereiken? Zo ja: (iv) staan de nadelige gevolgen van de maatregel (voor wie? Voor WOZ- en bpm-beroepsgemachtigden of voor hun cliënten?) in redelijke verhouding tot de mate waarin dat gerechtvaardigde doel wordt bereikt? Volgens de vaste rechtspraak van het EHRM en (dus) die van u heeft de wetgever op sociaal-economisch – waaronder fiscaal – regelterrein een zeer ruime beoordelingsvrijheid bij de vragen of gevallen voor de toepassing van het mensenrechtelijke discriminatieverbod als gelijk moeten worden beschouwd en zo ja, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om hen niettemin verschillend te regelen. Bij beide vragen moet de rechter het oordeel van de nationale wetgever eerbiedigen tenzij het manifest van redelijke grond ontbloot is (manifestly without reasonable foundation).
9.12
Ook los van het in 9.8 en 9.9 al opgemerkte heb ik moeite om het mensenrechtelijke aspect te zien van een technocratische regel tot beperking van de stijgende publieke lasten veroorzaakt door geautomatiseerde verdienmodellen van beroeps-ncnp-gemachtigden die de rechtsbescherming eerder schaden dan dienen door ondanks verwaarloosbare of nonexistente cliëntbelangen (door) te procederen voor eigen gewin. Een wettelijke maatregel met een daarop toegesneden pkv-onderscheid lijkt mij ver verwijderd van de schending van menselijke waardigheid waartegen de stellers van art. 14 EVRM en Protocol 12 EVRM mensen wilden beschermen, nl. tegen “discrimination on any ground such as sex, race, colour, language, religion, political or other opinion, national or social origin, association with a national minority, property, birth or other status.” Ik heb moeite om de uitbater van een ncnp-verdienmodel gebaseerd op geautomatiseerde pkv-overcompensatie in WOZ- en bpm-zaken te beschouwen als ‘victim’8.van discriminatie op een grond zoals sekse, ras, kleur, taal, geloof, politieke of andere mening, nationale of sociale afkomst, behoren tot een nationale minderheid, eigendom of geboorte. Een beroep van dergelijke uitbaters op fundamentele rechten lijkt mij een denaturerende banalisering van die fundamentele rechten.9.
9.13
Kijken we niet naar de ncnp-gemachtigde, wiens verdienmodelbelang mijns inziens niet ter zake doet in een belastingprocedure over een beschikking ten name van diens klant, maar naar die klant zelf, dan rijst de vraag waar de discriminatie zit, gegeven dat die klant niets uit eigen middelen betaalt, terwijl alle belastingplichtigen in andere zaken dan bpm- en WOZ-zaken wél uit eigen middelen een gemachtigde moeten betalen (of zelf moeten procederen) omdat gemachtigden in andere belastingzaken dan WOZ- en bpm-zaken niet op ncnp-basis werken en ook niet kunnen werken omdat ncnp-verdienmodellen op andere fiscale terreinen niet levensvatbaar zijn bij gebrek aan een regelmatig stromende massa aan éénvormig geautomatiseerd bestrijdbare (waarde)besluiten c.q. eigen aangiften waarmee structurele overcompensatie gegenereerd kan worden. Ik zie niet in waarom alle andere belastingplichtigen dan zij die belang hebben bij een lagere WOZ- of tweedehandsauto-waardering wél hun gemachtigde grotendeels zelf moeten betalen als WOZ- en bpm-belastingplichtigen dat niet hoeven. Als wij naar de WOZ- en bpm-belastingplichtigen kijken, moet de WHpkv mijns inziens eerder beschouwd worden als de beëindiging van een moeilijk te rechtvaardigen privilege (gratis procederen op staatskosten, ook als het nergens over gaat) dan als een discriminatie van die belastingplichtigen.
9.14
Kijken we niet naar de belastingplichtige, maar naar de ncnp-gemachtigde, dan moet die, als die zich gediscrimineerd acht door de effecten van de WHpkv, mijns inziens niet bij de belastingrechter zijn in een procedure over een beschikking ten name van een belastingplichtige, maar bij de burgerlijke rechter.
C. Gelijke gevallen?
9.15
Ik meen mede daarom dat de toetsing van de WHpkv aan de mensenrechten al bij vraag (i) eindigt: mede gegeven de bij technocratisch sociaal-economisch regeltjesrecht aan de wetgever toekomende zeer ruime beoordelingsvrijheid, zijn WOZ/bpm-zaken en andere zaken vanuit pkv-oogpunt niet vergelijkbaar. Ncnp-verdienmodellen doen zich op andere fiscale terreinen dan WOZ- en bpm-zaken niet of nauwelijks voor,10.laat staan parasitaire ncnp-verdienmodellen, waaronder ik versta verdienmodellen waarin de inspanningen en verrichtingen van de beroepsgemachtigde vooral gericht zijn op het te eigen bate maximaliseren van pkv, ISV en dwangsommen en het bestreden besluit vooral dient als ticket tot mogelijkheden om pkv, ISV en dwangsommen uit te lokken, en die inspanningen en verrichtingen dus niet in de eerste plaats gestuurd worden door het fiscale belang van de belastingplichtige. Ncnp-verdienmodellen komen op die andere fiscale terreinen niet of nauwelijks voor omdat procedures op die andere terreinen niet volstrekt overwegend en massaal (elk jaar weer en bij elke ingevoerde auto weer) zien op één onontkoombaar discutabele en daarmee in elke zaak met kans op succes aanvechtbare grootheid, nl. de waarde van een onroerende zaak met al dan niet een extra badkamer of van een tweedehands motorvoertuig met gebruikssporen en/of schade. Ik werk dat uit.
9.16
Of gevallen rechtens gelijk zijn aan elkaar, moet worden beoordeeld in het licht van het doel van de wettelijke regeling. Het doel van de pkv is om de partij die kosten heeft moeten maken om in rechte haar gelijk te krijgen of te behouden, tegemoet te komen in die kosten; niet om die kosten geheel te vergoeden, laat staan om meer dan de kosten uit te betalen. Een volledige kostenvergoeding is expliciet niet de bedoeling van de wetgever (zie 4.4 bijlage). Dat proceskosten deels voor eigen rekening blijven, behoort volgens hem tot de normale risico’s van het maatschappelijk verkeer (zie 4.2 t/m 4.4 bijlage). De vraag is of bpm-zaken (en WOZ-zaken) en andere fiscale zaken voor de toepassing van mensenrechtenverdragen zijn te beschouwen als gelijke gevallen op basis van dit doel. Ik concentreer me in deze conclusie op bpm-zaken, maar ik meen dat het onderstaande, mutatis mutandis, ook geldt voor WOZ-zaken. De conclusie van vandaag in de zaak met rolnr. 24/01942 gaat in op WOZ-zaken. De analyse en uitkomst met betrekking tot de toets van de WHpkv aan het volkenrechtelijke discriminatieverbod zijn wat mij betreft dezelfde voor WOZ-zaken en bpm-zaken, maar in die andere (WOZ-)zaak ga ik vooral in op de vragen of het uitmaakt dat de belastingplichtige niet de eisende, maar de verwerende partij is (in dat geval kan hem immers moeilijk verweten worden dat zijn gemachtigde materieel zinloos doorprocedeert) en of de voorgeschreven uitbetaling van pkv, ISV en griffierecht uitsluitend aan de belanghebbende zelf, met cessieverbod (art. 30a(4) en (5) Wet WOZ), in strijd komt met hoger recht.
9.17
De wetgever acht bpm- en WOZ-zaken in het licht van het doel van de pkv-regeling niet vergelijkbaar. De verlaging van de pkv in bpm-zaken sluit zijns inziens juist beter aan bij het doel van de regeling (zie 6.19 bijlage) omdat die verlaging de uit de ncnp-verdienmodellen blijkende overcompensatie wegneemt en de beoogde situatie (slechts een tegemoetkoming) herstelt. De geautomatiseerde chablone-werkwijze van bpm-ncnp-gemachtigden brengt mee dat de gewone pkv op basis van alleen het Bpb de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft, aldus de wetgever (zie 6.13 bijlage). Die zeer beperkte inspanningen en kosten van ncnp- gemachtigden in bpm-procedures zijn niet vastgesteld met onweerlegbaar empirisch onderzoek, maar volgen volgens de wetgever uit de gegevens dat (i) ruim 95% van de bpm-procedures door ncnp-gemachtigden wordt gevoerd, (ii) deze gemachtigden een zeer groot aantal zaken doen met beperkte bezetting, (iii) 90% van de bpm-bezwaarschriften afkomstig is van drie ncnp-gemachtigden waarvan de grootste 60% van alle bpm-bezwaren en -beroepen doet, (iv) het WODC-onderzoek 2021 (zie 6.13 bijlage) concludeert dat de verrichtingen van bpm-ncnp-gemachtigden gericht lijken op profiteren van bestaande wet- en regelgeving, (v) de belastingdienst waarneemt dat die gemachtigden in de regel standaardgrieven indienen en (vi) feitenrechters met regelmaat overwegen dat bpm-proceshandelingen een uniform karakter hebben en de argumenten per geschil in hoge mate overeenkomen (zie 7.20 e.v. bijlage). Er bestaat volgens de medewetgever een grote massa vergelijkbare bpm-zaken waardoor ncnp-bureaus geautomatiseerd met copy-paste kunnen werken. Daar komt bij dat een bpm-zaak gemiddeld een relatief gering financieel belang betreft, dat de bpm een aangiftebelasting is, waardoor massaal tegen de eigen aangifte kan worden geprocedeerd en dat de kans op succes relatief hoog is door de onzekerheidsmarge die nu eenmaal gepaard gaat met waardevaststelling van een voertuig, aldus nog steeds de wetgever (zie 6.19 bijlage).
9.18
Ik merk op dat alleen al uit het feit dat ncnp-bureaus vrijwel de gehele bpm-bezwaar- en beroepsmarkt (95%) in handen hebben, noodzakelijkerwijs volgt dat bezwaar en beroep in bpm-zaken een verdienmodel zijn geworden dat haaks staat op de wensen van de wetgever om (i) belastingplichtigen een procesrisico-afweging te laten maken, (ii) de pkv in belastingzaken hoogstens een tegemoetkoming in de werkelijke kosten te doen zijn en (iii) een deel van de kosten van de – al dan niet slechts zeer gedeeltelijk – in het gelijk gestelde partij voor diens rekening te laten als normaal maatschappelijk risico. Het enkele feit dat ncnp-gemachtigden 95% van alle bpm-bezwaren en -beroepen doen, impliceert dat hun verdienmodel niet gebaseerd is op de inhoud of kwaliteit van hun dienstverlening waarvoor op de markt van fiscaalrechtelijke dienstverlening een prijs wordt gevormd die door de afnemer wordt betaald, maar op structurele overcompensatie boven een ‘tegemoetkoming’ in de marktwaarde van de feitelijk verleende diensten, welke overcompensatie de algemene middelen uitput die voor de rechtsbescherming van alle (andere) belastingplichtigen was bedoeld. Zonder overcompensatie boven de werkelijke bezwaar- en proceskosten is winst voor een ncnp-gemachtigde immers per definitie (van ncnp) onmogelijk. Zoals betoogd in de conclusie voor uw arrest van 14 juni 2024,11.is (ook) eventuele ISV in veel ncnp-zaken gedenatureerd tot overcompenserende proceskostenvergoeding. Ook de ISV wordt daarom in WOZ- en bpm-zaken door de WHpkv – in navolging van de feitenrechtspraak – verlaagd ten opzichte van de standaardvergoeding (€ 50 in plaats van € 500 per half jaar overschrijding van de redelijke termijn).
9.19
De MvT bij de WHpkv bevat geen concrete informatie over ncnp-dienstverlening bij andere belastingen dan de bpm en de WOZ, noch over de gemiddelde tijdinvestering van gemachtigden in procedures over die andere belastingen. De wetgever acht het kennelijk van algemene bekendheid dat ncnp-dienstverlening door beroepsgemachtigden bij andere belastingen, als zij al bestaat, vrijwel ontbreekt.12.Het lijkt mij inderdaad zeer onaannemelijk dat beroepsbelastingadviseurs bereid gevonden kunnen worden om uitsluitend voor de kans op hoogstens betaling van pkv en ISV structureel procedures te voeren in geschillen over vennootschapsbelasting, erfbelasting, loonheffing of hondenbelasting, op welke terreinen geen sprake kan zijn van een regelmatig stromende grote eenvormige massa aan vrijwel identieke (waardebepalings)gevallen waarbij bezwaarindiening zodanig geautomatiseerd kan worden dat de klanten het in wezen zelf doen door het webformulier op de website van de ncnp-gemachtigde in te vullen en op send te drukken, en (hoger) beroepen kunnen bestaan uit voorgebakken standaard-tekstblokken. Maar het zou niet misstaan hebben als de regering dat ook zou hebben opgemerkt en toegelicht in de MvT. Uit het WODC-rapport uit 2024 (zie 8.6 bijlage) volgt overigens inderdaad dat op andere fiscale terreinen dan bpm en WOZ (en WAHV-boeten en parkeerbelastingen) het ncnp-aandeel onder beroepsgemachtigden verwaarloosbaar of nihil is en dat het op die andere terreinen in verband met de andere aard van mogelijke geschillen ondenkbaar is dat één ncnp-beroepsgemachtigde 60% van alle bezwaar- en beroepsprocedures voor zijn rekening neemt of dat 90% van alle bezwaren ingediend worden door slechts drie ncnp-kantoren.
9.20
Gegeven het bovenstaande en gezien de in de onderdelen 6 en 8 genoemde of geciteerde onderzoeksrapporten, cijfers van betrokken organisaties, jaarverslag van de Rechtspraak en rechterlijke uitspraken, kan mijns inziens geenszins gezegd worden dat elke redelijke grond zou ontbreken aan het oordeel van de wetgever dat bpm- (en WOZ-)bezwaren en beroepen voor het volstrekt overgrote deel uit pkv-oogpunt niet gelijk zijn aan bezwaren en beroepen in andere fiscale zaken in het licht van (i) de vormen van discriminatie waartegen art. 14 EVRM en Protocol 12 EVRM gericht zijn, (ii) de wens van de wetgever om belastingplichtigen een afweging te laten maken alvorens de maatschappij te belasten met de kosten van een belastingprocedure, en (iii) het doel van de pkv-wetgeving om de belastingplichtige niet meer dan ‘tegemoet’ te komen in diens werkelijk door hem gemaakte kosten van bezwaar en beroep met het oog op de rechtsbescherming tegen materieel onjuiste besluiten of uitspraken.
9.21
Dat het pkv-verschil in deze atypische zaak moeilijk uit te leggen valt, kan mijns inziens geen grond zijn om de algemene keuzen van de wetgever in de WHpkv van elke redelijke grond ontbloot te achten. Die bijzaak moet mijns inziens verholpen worden door ook in niet-WOZ/bpm-zaken in een geval als dit de cassatie-pkv lager dan de Bpb-standaard te stellen op basis van art. 2(3) Bpb, of door dit atypische en zeldzame geval te veronachtzamen. Van een formele wetgever kan nu eenmaal niet gevergd worden dat hij bij het uitvaardigen van noodzakelijkerwijs algemeen geformuleerde wetgeving voorziet in alle denkbare atypische uitzonderingsgevallen. Ik herhaal uw overweging in de zaak HR BNB 2013/230 (zie 7.2-7.4 bijlage):
“Het ligt naar het oordeel van de Hoge Raad voor de hand dat de rechter een (…) regeling, die gebaseerd is op een algemeen geformuleerd criterium, niet reeds buiten toepassing dient te laten zodra er enkele gevallen zijn waarin zij iemand treft (…) hoewel de achterliggende gedachte van de regeling daartoe in die gevallen geen aanleiding geeft.”
In die zaak HR BNB 2013/230 en in de in 7.12 van de bijlage geciteerde zaak HR BNB 2014/30 heeft u bepaald grovere, om niet te zeggen ongeschikte, keuzen van de wetgever aanvaard als niet van redelijke grond ontbloot. In de in 7.14 van de bijlage geciteerde zaak HR BNB 2010/3 achtte u zelfs veronderstelde veronderstellingen van de wetgever voldoende rechtvaardiging voor ongelijke behandeling, bij formele wet, van vergelijkbare belastingplichtigen.
D. Objectieve en redelijke rechtvaardiging? Geschikt?
9.22
Voor het geval u het van elke redelijke grond ontbloot acht dat de wetgever meent dat pkv’s in bpm- en WOZ-zaken en pkv’s in andere fiscale zaken voor de toepassing van het EVRM-discriminatieverbod geen vergelijkbare gevallen zijn, ga ik in op de vraag of de wetgever het pkv-onderscheid tussen WOZ/bpm-zaken en andere fiscale zaken van een draagkrachtige objectieve en redelijke rechtvaardiging heeft voorzien.
9.23
Blijkens de parlementaire geschiedenis heeft het pkv-onderscheid als doelen om (i) de pkv ook in WOZ- en bpm-zaken meer in overeenstemming te brengen met de strekking van de pkv, nl. gedeeltelijke tegemoetkoming in de kosten, die bij de ncnp-modellen in bpm- en WOZ-zaken veel lager zijn dan in andere belastingzaken, (ii) in WOZ- en bpm-zaken de perverse financiële prikkel weg te nemen om (door) te procederen overwegend om een (overcompenserende) pkv en/of ISV te verkrijgen, i.e. gedrag dat niet strookt met het algemeen belang niet langer te belonen (zie 6.5, 6.13 en 6.19 bijlage), (iii) te bewerkstelligen dat de zaken waarin wordt (door)geprocedeerd meer over de inhoud gaan in plaats van over die pkv, ISV of dwangsommen, die alleen de gemachtigde aangaan (zie 6.25 bijlage) en om bezwaarafdoeners en rechters in staat te stellen hun schaarse capaciteit in te zetten voor zaken die maatschappelijk van groter belang zijn en waarvoor die capaciteit is bedoeld, maar die weggedrukt worden door grote en groeiende aantallen ncnp-bezwaren en -beroepen waarvan de materiële mérites voor de ncnp-gemachtigden bijzaak zijn. Om diezelfde redenen heeft de wetgever het gerechtvaardigd geacht om belanghebbenden wier beroep louter om een formele reden gegrond wordt verklaard (het bestreden besluit verandert niet) een nóg lagere pkv (10% van de gewone Bpb-pkv) toe te kennen dan de pkv voor bpm/WOZ-belanghebbenden wier beroep inhoudelijk (deels) gegrond wordt verklaard (het bestreden besluit wordt vernietigd of gewijzigd), aan wie 25% van de gewone Bpb-pkv wordt vergoed. Dit verschil heeft ook als doel om te voorkomen dat uitsluitend wordt doorgeprocedeerd op formele gronden terwijl dat niet in het belang is van de belastingplichtige, met name om de parasitaire technieken van uitlokking van procedurele foutjes en procesvertragingen met het oog op ISV wegens overschrijding van de redelijke termijn tegen te gaan (zie 6.26bijlage).
9.24
Dit lijken mij allemaal zeer honorabele doelstellingen in het algemeen belang die, gegeven uw in 5.2 geciteerde arrest HR BNB 2022/106, om ingrijpen van de formele wetgever riepen. Uit dat arrest volgt dat voor een objectieve en redelijke rechtvaardiging ook bij niet-formele wetgeving niet vereist is dat de juistheid van een veronderstelling waarop een pkv-onderscheid wordt gebaseerd, empirisch moet zijn vastgesteld of later feitelijk moet komen vast te staan, maar slechts dat zij zo realistisch is dat de wetgever deze in redelijkheid aan de regeling ten grondslag kon leggen en dat die veronderstelling het gemaakte onderscheid steunt. Aan die vereisten, die blijkens de in 7.2 en 7.12 van de bijlage geciteerde zaken HR BNB 2013/230 en HR BNB 2014/30 bovendien in veel zwakkere mate aan formele wetgeving worden gesteld, lijkt mij in het geval van de WHpkv met vlag en wimpel voldaan. Het onderscheid dat de WHpkv maakt, lijkt mij ook zeer geschikt om die gerechtvaardigde doelen te bereiken en de daaronder liggende veronderstellingen van de wetgever lijken mij, voor zover die niet (volledig) berusten op het door hem genoemde onderzoeks- en ervaringsmateriaal en bevestigd worden door de rechtspraak en het latere 2024-WODC-rapport, bepaald realistisch. Ook als dat anders zou zijn, volgt uit HR BNB 2013/230 (zie 7.2bijlage) dat u bij de toets van formele wetgeving aan het EVRM-discriminatieverbod nauwelijks eisen stelt aan het realiteitsgehalte van de veronderstelling waarop de formele wetgever het onderscheidende criterium (in die zaak: 150 km van de grens) baseert. Volgens HR BNB 2014/30 (zie 7.12 bijlage) houdt het discriminatieverbod niet in dat een maatregel die met het oog op een in de praktijk ervaren probleem onderscheid maakt tussen gelijke of in relevante opzichten vergelijkbare gevallen, slechts toelaatbaar is als het bestaan en de omvang van dat probleem en de effectiviteit van de gekozen oplossing empirisch zijn vastgesteld. Gelet op de hem toekomende beoordelingsvrijheid mag de fiscale wetgever een dergelijk onderscheid volgens u ook baseren op veronderstellingen omtrent het probleem en de effectiviteit van de daarvoor gekozen oplossing, tenzij die veronderstellingen zo weinig voor de hand liggen dat het evident onredelijk is ze aan het onderscheid ten grondslag te leggen. Dat lijkt mij met betrekking tot de onderbouwing van de WHpkv geenszins het geval. Mijns inziens kan niet gezegd worden dat, voor zover de wetgever zich heeft gebaseerd op veronderstellingen omtrent de noodzaak en de doelmatigheid van de WHpkv, die veronderstellingen zo weinig voor de hand liggen dat zij evident onredelijk zouden zijn.
9.25
Mijns inziens passeert de WHpkv moeiteloos de objectieve-en-redelijke-rechtvaardiging-test omdat van de keuzen die de wetgever heeft gemaakt om de verstopping van de belastingrechtspraak tegen te gaan door parasitaire verdienmodellen op staatskosten die noch de rechtsbescherming, noch het algemeen belang dienen, niet gezegd kan worden dat zij manifestly without reasonable foundation zouden zijn. De maatregel is ook zeker geschikt om de gestelde doelen te bereiken.
E. Proportioneel?
9.26
Uit de genoemde arresten volgt verder dat ook als er aanwijzingen zijn dat in een deel van de gevallen waarop de WHpkv ziet, geen sprake is van parasitaire verdienmodellen die de rechtspraak en daarmee de rechtsbescherming van anderen verstoppen, daarmee niet gezegd is dat de wetgever niet kon uitgaan van de veronderstelling dat de WHpkv in een zeer aanzienlijk aantal gevallen wél aan zijn doel zou beantwoorden. De wetgever mocht mijns inziens ook bij de ncnp-problematiek in WOZ- en bpm-zaken in verband met de uitvoerbaarheid van de wetgeving kiezen voor een generieke maatregel. Eigen aan generieke maatregelen is een zekere grofheid. In de zaken HR BNB 2013/230 (zie 7.2 bijlage) en HR BNB 2014/30 (zie 7.12) zag u in een (zeer) hoge mate van overinclusiveness (= dispropotionaliteit) van de formeel-wettelijke maatregel geen reden om die maatregel disproportioneel en daarmee in strijd met het privilege/discriminatieverbod te achten.
9.27
De wetgever heeft alternatieven overwogen (zie 6.24 bijlage), maar die waren minder uitvoerbaar, minder effectief of gooiden het kind weg met het badwater. Een generieke maatregel kan weliswaar tot gevolg hebben dat goeden onder kwaden moeten lijden, maar dat is vanuit doelmatigheidsoogpunt onvermijdelijk en niet onevenredig als het om relatief weinig gevallen gaat, het om relatief lage bedragen gaat en geen verplichte procesvertegenwoordiging bestaat, zodat iedereen die een WOZ- of bpm-zaak meent te hebben, vrije toegang tot de rechter heeft. Wel zal hij, zoals de wetgever wenst en het EVRM toelaat, een afweging moeten maken tussen zijn kansen op succes en de kosten van het – matige – griffierecht als hij geen zaak blijkt te hebben.
9.28
Voor zover al aan de structurele houdbaarheid van de WHpkv getwijfeld zou kunnen worden in verband met mensenrechten, met name op het punt van de proportionaliteit, merk ik op dat het op de weg van de rechter ligt om de nationale wet zoveel mogelijk Verdragsconform uit te leggen om strijd met hoger recht te vermijden en dat hij eventuele onaanvaardbaar geachte onevenredige uitkomsten in concrete gevallen binnenwettelijk kan verhelpen door de wetgever beter te verstaan dan hij zichzelf heeft verstaan. De WHpkv-wetgever heeft herhaald dat de ‘bijzondere omstandigheden’-escape van art. 2(3) Bpb alleen bedoeld is voor uitzonderlijke gevallen (zie 6.17 bijlage), maar dat neemt niet weg dat als de rechter meent dat toepassing van de WHpkv in een concreet geval tot een uitkomst zou leiden die niet verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel vervat in het EVRM, die Bp-bepaling mijns inziens moeiteloos aldus uitgelegd kan worden dat in zo’n geval de rechter naar bevind van zaken (nl. van proportionaliteit) de uit de WHpkv voortvloeiende pkv verhoogt of verlaagt. Het lijkt mij namelijk dat de rechterlijke bevinding dat het feitelijke effect van de WHpkv in een concreet geval wegens disproportionaliteit onverenigbaar is met het EVRM wel als ‘bijzondere omstandigheid’ in de zin van het Bpb kan worden aangemerkt. Structureel lijkt mij met de WHpkv uit proportionaliteitsoogpunt niets mis en in geval van incidentele ernstige onevenredigheden kan de rechter op basis van art. 2(3) Bpb maatwerk leveren.13.
10. Ceterum censeo
10.1
Hoewel deze conclusie en zeker dier bijlage al lang genoeg zijn, is een aantal gezichtspunten niet aan de orde gekomen.
10.2
In de eerste plaats de vraag waarom in het Bpb niet een algemene antimisbruikbepaling is opgenomen die in abstracto bepaalt dat proceskosten niet worden vergoed als aannemelijk is dat geprocedeerd wordt om die proceskosten, voor financieel gewin. Aan te nemen valt dat de (mede)wetgever die optie heeft overwogen, maar dat zij is afgestuit op de ratio van een forfait. De bedoeling van het forfait in het Bpb is juist dat de rechter zich niet bij elk afzonderlijk geval hoeft te verdiepen in de vraag of het redelijk was om beroepsrechtsbijstand in te roepen en zo ja, welke vergoeding redelijk is, of in de vraag wie er nu eigenlijk procedeert (de gemachtigde of de belastingplichtige) en waaróm de belastingplichtige (of is het diens ‘gemachtigde’?) procedeert en met welk achterliggend niet-OZB-belang. Onwenselijk is dat de rechter de kwaliteit van de dienstverlening moet gaan beoordelen en uitdrukken in wel of geen of gereduceerde proceskostenvergoeding.14.Een antimisbruikbepaling is niet werkbesparend als er – doordat het om waardebepaling gaat – massaal oneigenlijk geprocedeerd kan worden. Bij een forfait passen objectieve en prima facie toepasbare criteria. Dat neemt niet weg dat in evidente gevallen van misbruik van procesrecht een niet-ontvankelijkverklaring kan volgen.15.
10.3
Ten tweede de vraag of het niet tegelijk aanpakken van kennelijk bestaand misbruik van de pkv-regeling in parkeerbelastingzaken een grond zou kunnen zijn om de WHpkv discriminatoir te achten wegens onvoldoende inclusiveness ter zake van het te bestrijden misbruik. Mijns inziens luidt het antwoord op die vraag ontkennend. Dat er wellicht ook nog een derde misstand is, kan mijns inziens bezwaarlijk als grond gezien worden om het wél aanpakken van twee grotere en dringender misstanden in strijd te achten met internationale mensenrechten. Daarbij is van belang dat het probleem bij de parkeerbelastingen, anders dan in WOZ- en bpm-zaken, niet zit in het materieelrechtelijk onoplosbare probleem dat in WOZ- en bpm-zaken een onuitputtelijke, constante en massale aanvoer van objectwaarderingsbeschikkingen bestaat, waartegen onuitputtelijk, constant en massaal (en geautomatiseerd) geprocedeerd kan worden met bijna altijd prijs omdat waardering nu eenmaal arbitrair is en de gemeenten, al werken velen geenszins vlekkeloos (mede omdat ze verstopt zitten door die oneindige stroom bezwaren), niet alles kunnen weten en ncnp-bureaus niet zelden opzettelijk zo laat mogelijk met relevante informatie zoals foto’s komen, óók als al veel eerder om relevante documentatie is gevraagd, om zoveel mogelijk pkv en ISV te genereren. De medewetgever heeft daarom verklaard dat op de parkeerbelastingen nog gestudeerd werd,16.wat voor de hand ligt omdat het verdienmodel daar noodzakelijkerwijs anders in elkaar steekt dan bij de WOZ en de bpm, nu waardebepalingen vreemd zijn aan parkeerbelastingen. Misschien is wetswijziging niet nodig. Ik zie er geen aanleiding voor, maar desnoods kunt u, ook als oorzaak en aard van het misbruik bij de parkeerbelastingen niet dezelfde zijn als bij de WOZ en de bpm, maar de intensiteit ervan wel (80 tot 97% van de beroepsmarkt), de wetgever peremptoir stellen en prospective oordelen dat hij, om ongelijkheid te vermijden, ook ter zake van qua ernst en omvang vergelijkbaar misbruik in de parkeerbelastingen moet ingrijpen, dus niet te lang over zijn lopende studie moet doen.
10.4
Ten derde de mogelijkheid voor de wetgever om waardeklassen in te voeren. Aan te nemen valt dat ook dat is overwogen, maar is afgestuit op het gegeven dat de WOZ-waarde inmiddels voor een keur aan andere heffingen en doeleinden gebruikt wordt, waarvoor uit een oogpunt van égalité devant les charges publics een veel nauwkeuriger waardebepaling vereist is (zoals voor de erf- en schenkbelasting en box 3 en het eigen-woningforfait in de inkomstenbelasting) dan voor de in vergelijking daarmee relatief verwaarloosbare OZB en watersysteemheffing vereist zou zijn. Dat zal ook de reden zijn waarom gemeenten niet meer het beleid van vóór de WOZ (mogen) toepassen, nl. structurele onderwaardering, waardoor bezwaar en beroep tegen de waardering bij voorbaar zinloos was (daartegenover werd dan simpelweg het tarief verhoogd). In de bpm zijn waardeklassen om dezelfde reden moeizaam: als waardeklassen effectief zouden moeten zijn, zouden zij elk een behoorlijk waardeverloop moeten omspannen, hetgeen tot discriminatie kan leiden in de zin van het ongerechtvaardigd over één kam scheren van in waarde aanzienlijk verschillende gevallen. Bij uit dat oogpunt meer aangewezen smalle waardeklassen zou het aantal geschillen over grensgevallen tussen klassen weer aanzienlijk toenemen.
10.5
Ten vierde de mogelijkheid om no cure no pay te verbieden of de pkv en ISV op nul te stellen voor ncnp-gemachtigden. Ik meen dat deze beide mogelijkheden een verdergaande ingreep in de contractvrijheid en de rechtsgelijkheid inhouden dan de genomen maatregelen omdat zij extremer zijn (10% of 25% is beter dan nihil) en zij qua misbruikbestrijding onevenredige overkill zouden inhouden: niet elke ncnp-gemachtigde is een misbruiker en niet elk ncnp-contract parasiteert op de algemene middelen. Vanuit het maatschappelijke doel van WHpkv bezien is er bijvoorbeeld niets tegen ncnp-afspraken die inhouden dat de rekening van de gemachtigde zal bestaan uit een percentage van de erfbelasting, inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting die er door zijn inspanningen afgaat van de opgelegde aanslag. De wetgever zou moeten gaan bepalen welke combinatie van cure en pay (niet) toegestaan zijn. De desbetreffende bureaus zouden er bovendien ongetwijfeld meteen in slagen om de desbetreffende regels contractueel te frustreren. Oneigenlijk gebruik van regelgeving is immers hun verdienmodel. Ook een ncnp-verbod in welke vorm dan ook lijkt mij dus onbegonnen werk en hoe dan ook niet doelmatig vanuit het oogpunt van de doelen die de WHpkv moet realiseren. Het zou er mijns inziens op neerkomen dat de wetgever het beroep van fiscaal gemachtigde wettelijk zou moeten gaan regelen. Waar overigens best wat voor te zeggen valt.
10.6
Ten slotte het gegeven dat de goeden onder de kwaden moeten lijden. Bij de bpm is dat een kleiner probleem dan bij de WOZ: ter zake van de bpm werden in 2022 al 97% van alle beroepsprocedures gevoerd door ncnp-gemachtigden, en 73% van de hoger-beroepsprocedures (zie 6.8 van de bijlage). Gemachtigden die in verband met hun beroepsregels of om andere redenen geen pkv-cessie bij voorbaat kunnen of willen eisen, zijn daar in de beroepsfase dus al nagenoeg volledig uit de markt gedrukt. Bij de WOZ worden 80,6% van de beroepen ingesteld door ncnp-gemachtigden (2023) en 79% van de hogere beroepen (2022) (zie 9.2 hierboven en 6.8 van de bijlage). Ook daar is dus weinig ruimte meer voor gemachtigden met beroepsregels die in de weg staan aan cessie bij voorbaat van pkv, ISV, griffierecht en dwangsommen, maar meer dan in bpm-zaken, mede gegeven dat het om grotere absolute aantallen gaat dan bij de bpm. Zoals uit het bovenstaande volgt, had de wetgever niet zo gek veel opties. Zelfs als er betere opties geweest zouden zijn (ik zie ze niet meteen, afgezien van een voor de beoogde doelen nogal disproportionele wettelijke regeling van het beroep van fiscaal procesgemachtigde), wil dat geenszins zeggen dat de formele wetgever buiten zijn door de rechter te bewaken verdragsrechtelijke wide margin of appreciation zou zijn gegaan doordat de wél ingevoerde wetgeving devoid of reasonable foundation zou zijn. Ik roep in herinnering dat uit uw rechtspraak volgt dat de rechter de aan een formeel-wettelijk onderscheid ten grondslag liggende veronderstellingen van de wetgever niet betekenisvol op hun realiteitsgehalte toetst (zie 7.2 t/m 7.16 bijlage), dat u in HR BNB 2013/230 (30%-regeling), HR BNB 2014/30 (bedrijfsopvolgingsvrijstelling) en HR BNB 2010/3 (afkoop alimentatieverplichting) de fiscale wetgever een vrijwel ongelimiteerde (politieke) beoordelingsruimte liet en dat u in HR BNB 2013/230 mijns inziens terecht overwoog (zie 7.4 bijlage) dat:
“voor de hand [ligt] dat de rechter een (…) regeling, die gebaseerd is op een algemeen geformuleerd criterium, niet reeds buiten toepassing dient te laten zodra er enkele gevallen zijn waarin zij iemand treft (in dit geval door hem een fiscaal voordeel te onthouden) hoewel de achterliggende gedachte van de regeling daartoe in die gevallen geen aanleiding geeft. Het is immers eigen aan wetgeving dat daarin algemeen toepasbare criteria worden geformuleerd.”
11. Conclusie
Ik geef u in overweging het cassatieberoep gegrond te verklaren en de cassatie-proceskostenvergoeding ex het Bpb op grond van art. 19a(2)(b) Wet bpm te vermenigvuldigen met 0,1.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑10‑2024
In geval van ncnp-afspraken heeft het cessieverbod in een geval als dit dan het merkwaardige gevolg dat de belastingplichtige toch wél procesbelang heeft en het cassatieberoep dus wél ontvankelijk is.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
Volgens onderdeel A1, punt 23 van de Bijlage bij het Bpb worden 2 punten toegekend voor een cassatieberoepschrift. Volgens onderdeel B1, punt 2 is een punt in 2024 € 875 waard. Onderdeel B1, punt 1 schrijft voor WOZ- en bpm-zaken weliswaar € 624 per punt voor, maar gelet op HR BNB 2022/106 (zie onderdeel 5A van de gemene bijlage) moet daaraan voorbijgegaan worden. Onderdeel C1 schrijft een wegingsfactor voor, variërend van 0,25 tot 2. U past in de meeste zaken factor 1 toe (gemiddeld), maar als het parket heeft geconcludeerd – zoals in casu – bepaalt u de wegingsfactor op 1,5, aldus M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken, Fiscale Monografieën nr. 142, Deventer: Kluwer 2014, p. 394. De standaard-pkv in cassatie bedraagt dan, afgezien van een eventuele Borgersbrief: 2 x € 875 x 1,5 = € 2.625.
“Geen rechtsregel verplicht belanghebbende 2 afzonderlijke geschriften in te dienen (dus een verweerschrift en een apart incidenteel hoger beroepschrift) op straffe van het verlies van zijn recht op een procespunt bij gegrondverklaring van het incidentele hoger beroep.”
In geval van ncnp-afspraken heeft het cessieverbod in een geval als dit dan het merkwaardige gevolg dat de belastingplichtige toch wél procesbelang heeft en het cassatieberoep dus wél ontvankelijk is.
U zie bijvoorbeeld EHRM 29 januari 2002, nr. 45600/99, (Auerbach v. Netherlands), ECLI:NL:XX:2002:AV2010, BNB 2002/126 met noot Wattel, en EHRM 19 januari 2010, nr. 22051/07 (Bock v. Germany), EHRC 2010/37 met noot Van der Velde.
Vergelijk HR 16 december 2016, na conclusie A-G Vlas, ECLI:NL:HR:2016:2888, AB 2018/12 met noot Barkhuysen & Emmerik; Gst. 2017/176 met noot De Graaf & Van der Meulen; JB 2017/36 met noot Sanderink; JBPr 2017/7 met noot Wiersma; NJ 2017/132 met noot Alkema.
U zie EHRM 29 januari 2002, nr. 45600/99, ECLI:NL:XX:2002:AV2010, BNB 2002/126 met noot Wattel (Auerbach).
Zie P.J. Wattel, De reikwijdte van fundamentele rechten in belastingzaken, NJV-preadvies, Handelingen NJV 1995-I; Tjeenk Willink Zwolle 1996, p. 220.
Behalve mogelijk bij parkeerbelastingen. Zie het WODC-rapport 2024 genoemd in onderdeel 8.6, par. 4.3.2 en 4.4.3.
HR 14 juni 2024, na conclusie Wattel, ECLI:NL:HR:2024:853, Belastingblad 2024/243 met noot Wiegerink; FED 2024/86 met noot Lammers; NTFR 2024/1071 met noot Van de Merwe; NLF 2024/1413 met noot Nent; V-N 2024/29.19 met noot Redactie.
Behalve bij de parkeerbelastingen, op de pkv ter zake waarvan de wetgever nog aan het studeren is.
U vergelijke uw oordeel in HR 14 juni 2024, na conclusie Wattel, ECLI:NL:HR:2024:853, Belastingblad 2024/243 met noot Wiegerink; FED 2024/86 met noot Lammers; NTFR 2024/1071 met noot Van de Merwe; NLF 2024/1413 met noot Nent; V-N 2024/29.19 met noot Redactie, over de rechterlijke vaststelling van de ISV ‘naar bevind van zaken’ bij overschrijding van de redelijke termijn met meer dan een jaar in zaken waarin het financiële belang meer dan € 1.000 beloopt.
Zie Kamerstukken I 2023/24, 36 427, nr. C (Nota naar aanleiding van het verslag), p. 3 (geciteerd in 6.24 bijlage): het kabinet achtte het onwenselijk om het onderscheid tussen factor 0,25 en 0,1 te maken op basis van de kwaliteit van een processtuk in plaats van de vraag of een beroep gegrond is op basis van materiële of louter formele gronden, omdat een dergelijke kwaliteitsbeoordeling een subjectief oordeel vergt en daarmee niet werkbaar is.
U zie de conclusie van 17 november 2023 in de zaak met rolnr. 23/00879, ECLI:NL:PHR:2023:1044, over uitgelokte naheffingsaanslagen parkeerbelasting, ter zake waarvan het verdienmodel mij overigens ontgaat. Die zaak heeft als gevolg van intrekking niet geleid tot een arrest.
Zie Kamerstukken II 2024/25, 36 602 (Belastingplan 2025), nr. 2024Z14986 (Nota van wijziging), p. 8, voetnoot 26 (geciteerd in 6.27 bijlage): “Sommige ncnp-bureaus lijken zich volgens [het 2024 WODC-rapport; PJW] steeds meer te richten op bezwaren tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting. BZK zal in de komende periode een expertmeeting organiseren met de betrokken organisaties om te verkennen welke oplossingsrichtingen voor oneigenlijk gebruik in dit rechtsgebied kunnen worden uitgewerkt..” Zie ook de Brief van 18 juni 2024, ‘Kabinetsreactie WODC-onderzoek naar ‘oneigenlijk gebruik’ van proceskostenvergoedingen’, kenmerk 5533407 (tevens genoemd in 8.10 bijlage).
Conclusie 25‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 25 oktober 2024 in de zaken met rolnummers 24/00575 ECLI:NL:PHR:2024:1140 en 24/01942 ECLI:NL:PHR:2024:1118 inzake de verenigbaarheid met hoger recht van de Wet herwaardering proces-kostenvergoedingen WOZ en bpm
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
P.J. WattelADVOCAAT-GENERAAL
Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 25 oktober 2024 in de zaken met Rolnummers 24/00575 en 24/01942
inzake de verenigbaarheid met hoger recht van de Wet herwaardering proces-kostenvergoedingen WOZ en bpm
Derde Kamer A
Gebruikte afkortingen
Inhoudsopgave
1. Overzicht (zie de conclusie)
2. De feiten en het geding bij de feitenrechters (zie de conclusie)
3. Het geding in cassatie (zie de conclusie)
4. De algemene regeling van proceskostenvergoeding (pkv) in het bestuursrecht
5. Recente toetsing van het pkv-onderscheid in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) tussen (i) fiscale en andere bestuursrechtelijke zaken en (ii) WOZ/bpm-zaken en andere fiscale zaken aan het grondwettelijke discriminatieverbod
6. De Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm (WHpkv) en diens parlementaire geschiedenis
7. Rechtspraak van de Hoge Raad over toetsing van formele belastingwetten aan het internationale discriminatieverbod, van het EHRM over de margin of appreciation van de nationale wetgever in belastingzaken en van feitenrechters over de effecten van ncnp-procesvertegenwoordiging in WOZ- en bpm-zaken
8. Onderzoeksrapporten over ncnp-bijstand en oneigenlijk gebruik van pkv en immateriële schadevergoeding (ISV) in WOZ- en bpm-zaken
Awb | Algemene wet bestuursrecht |
Bpb | |
Bpm | Belasting van personenauto’s en motorrijwielen |
EHRM | Europees Hof voor de Rechten van de Mens |
EVRM | Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens |
HvJ | Hof van Justitie van de Europese Unie |
IVBPR | Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten |
Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn | |
ncnp | No cure, no pay |
OZB | Onroerendezaakbelasting |
pkv | Proceskostenvergoeding |
VNG | Vereniging van Nederlandse Gemeenten |
VwEU | Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
Wet bpm | Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 |
Wet WOZ | Wet waardering onroerende zaken |
WHpkv |
1. Overzicht
Zie onderdeel 1 van de conclusies.
2. De feiten en het geding bij de feitenrechters
Zie onderdeel 2 van de conclusies.
3. Het geding in cassatie
Zie onderdeel 3 van de conclusies.
4. De algemene regeling van proceskostenvergoeding (pkv) in het bestuursrecht
4.1
Artikel 29 AWR.
“Op de behandeling van het beroep in cassatie zijn de artikelen (…) 8:75 tot en met 8:79, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, (…).”
Artikel 8:75 Awb.
“1. De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. (…). (…). Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
2. (…).”
4.2
Art. 8:75 Awb is in werking getreden bij de invoering Awb per 1 januari 1999 en bood voor het eerst een – exclusieve – wettelijke grondslag voor pkv in het bestuursrecht.1.Tot dat moment kon alleen met een actie uit onrechtmatige overheidsdaad bij de burgerlijke rechter een (integrale) kostenvergoeding verkregen worden.2.De MvT bij het voorstel tot invoering van de Awb vermeldt over de ratio van pkv in het bestuursrecht:3.
“Wij zijn van oordeel, dat het in het burgerlijk procesrecht geldende uitgangspunt dat de partij die kosten heeft moeten maken om in rechte haar gelijk te krijgen dan wel te behouden, (een deel van) deze kosten van haar wederpartij vergoed krijgt dan wel kan krijgen, ook in het bestuursprocesrecht uitgangspunt moet zijn. In geschillen tussen partijen is het immers niet onredelijk dat de verliezende partij (een deel van) de kosten van de winnende partij vergoedt. De kans op verlies is een normaal procesrisico. Wanneer dit risico zich verwerkelijkt, is het niet redelijk dat de partij die door de rechter in het gelijk is gesteld per definitie met al haar kosten blijft zitten.”
4.3
De hoogte van de pkv werd in bestuursrechtelijke zaken geforfaiteerd omdat (i) de wetgever geen rechtvaardiging zag voor het tot dan toe bestaande verschil tussen de pkv in civiele zaken (geforfaiteerd in liquidatietarieven) en bestuursrechtelijke zaken (integrale vergoeding indien de justitiabele bestuursrechtelijk in het gelijk was gesteld én de moeite en kosten nam om vervolgens bij de burgerlijke rechter vergoeding te eisen van de proceskosten in de bestuursrechtelijke procedure) en wilde aansluiten bij de pkv in civiele zaken, die geforfaiteerd is in liquidatietarieven,4.(ii) de wetgever integrale vergoeding budgettair niet verantwoord achtte5.en (iii) forfaitering meebrengt dat de rechter alleen maar hoeft te beoordelen of recht op pkv bestaat en de werklast van bepaling van de omvang ervan voorkomen wordt.6.
4.4
De AmvB bedoeld in art. 8:75(1) Awb is het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).7.De nota van toelichting bij die gedelegeerde wet herhaalt dat de pkv niet bedoeld is als volledige schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in de kosten:8.
“Het is een eenvoudige regeling die de justitiabele zekerheid geeft en de taak van de bestuursrechter niet onnodig verzwaart. (…). De regeling sluit inhoudelijk aan bij bestaande vergelijkbare regelingen van proceskostenvergoedingen, die in het algemeen naar tevredenheid functioneren en waarmee reeds ruime ervaring is opgedaan. Zo baseren de administratieve rechters die een regeling voor de proceskostenveroordeling hanteren, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Centrale Raad van Beroep in ambtenarenzaken (…), hun regels eveneens op het liquidatietarief rechtbanken en hoven. Dit brengt onder andere mee dat de vergoedingen grotendeels forfaitair zijn. De kostenveroordeling is, naar algemeen is erkend in het civiele recht, niet bedoeld als volledig schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in de kosten. (…).
Nogmaals, de proceskostenvergoeding beoogt niet en moet niet beogen een volledige vergoeding te zijn. Dat bepaalde proceskosten voor eigen rekening blijven, behoort tot de normale risico’s van het maatschappelijk verkeer.”
4.5
Volgens art. 1(a) Bpb kan een pkv als bedoeld in art. 8:75 Awb alleen toegekend worden voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor de bepaling van die kosten verwijst art. 2(1)(a) Bpb naar het tarief in de bijlage bij het Bpb. Die bijlage heeft drie delen: deel A bepaalt hoeveel punten aan welke proceshandelingen worden toegekend; deel B bepaalt de waarde van een punt in euros; deel C bevat vermenigvuldigingsfactoren die het gewicht van een zaak uitdrukken, uiteenlopend van 0,25 (zeer licht) tot 2 (zeer zwaar). De te vergoeden rechtsbijstandskosten worden vastgesteld volgens de formule: A x B x C. De NvT vermeldt daarover:9.
“In lijst A is aan elke proceshandeling een met de gemiddelde werkbelasting corresponderend aantal punten toegekend, van 0 tot 2. Het totale puntental in een zaak wordt vermenigvuldigd met de waarde per punt (B), thans - evenals in een civiele rechtbankzaak met een belang van onbepaalde waarde - gesteld op f 710,-. Om recht te doen aan de verschillen tussen zaken wordt vervolgens het totaal van A x B vermenigvuldigd met een of twee wegingsfactoren (C).
Het gewicht van een zaak wordt uitgedrukt in wegingsfactor C1, die varieert van 0,25 voor een
zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. Het gewicht van een zaak wordt bepaald door
het - al dan niet in geld uit te drukken - belang en de ingewikkeldheid. Het is niet wenselijk om
de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. (…). Het opnemen
van factor C1 berust op de overweging dat enerzijds het met een gemachtigde voeren van
bagatelprocedures niet moet worden aangemoedigd, en, anderzijds, dat de vergoeding
evenredig dient te zijn met de prestatie van de gemachtigde. Ook de Centrale Raad van Beroep
in ambtenarenzaken (CRvB) hanteert het criterium van bewerkelijkheid/gecompliceerdheid van een zaak. Bij dit principe wordt in het onderhavige besluit aangesloten, zij het dat toepassing van een vermenigvuldigingsfactor passender wordt geacht dan het door de CRvB gehanteerde
systeem van bijtelling van punten.”
4.6
Art. 2(1) Bpb bepaalt dat de pkv bij de uitspraak of de beslissing op bezwaar of administratief beroep wordt vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief, maar art. 2(3) Bpb laat afwijking toe:
“In bijzondere omstandigheden kan van het eerste lid worden afgeweken.”
De toelichting vermeldt over die afwijkingsmogelijkheid:10.
“In uitzonderlijke gevallen kan strikte toepassing van deze regeling onrechtvaardig uitpakken. Daarom is bepaald dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het besluit berekende vergoeding - overigens zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten - kan verlagen of verhogen. Het gaat hier werkelijk om uitzonderingen, bij voorbeeld een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd.”
4.7
Onder verwijzing naar deze toelichting oordeelde u in HR BNB 2011/18011.dat de rechter deze uitzondering terughoudend moet toepassen, maar u liet ’s Hofs toepassing ervan in die zaak wel in stand. De zaak was één van 67 over het Rekeningenproject van de belastingdienst (de KB-Lux zaken) met deels dezelfde gemachtigde en deels dezelfde advocaat. U liet ’s Hofs verlaging van de rechtsbijstandskosten in stand, nu het Hof haar kennelijk had gebaseerd op de vaststellingen dat het om een zeer groot aantal inhoudelijk sterk samenhangende zaken ging waardoor de proceshandelingen voor een zeer groot deel dezelfde waren en niet afgestemd op de bijzonderheden van de desbetreffende zaak. Mede gelet op het karakter van de pkv als tegemoetkoming, achtte u ’s Hofs oordeel rechtskundig niet onjuist en voor het overige feitelijk.
4.8
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) oordeelde op 18 februari 200912.in een zaak over een WOB-verzoek13.dat rechtsbijstand op basis van no cure, no pay (ncnp) geen bijzondere omstandigheid is die aanleiding geeft tot een lagere pkv, omdat ncnp niet onaanvaardbaar is als wijze van vaststellen van een door de belanghebbende verschuldigde vergoeding voor rechtsbijstand:
”2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is uitgangspunt van het in de bijlage bij het
[Bpb; PJW] opgenomen forfaitaire vergoedingsstelsel en van de jurisprudentie dat voor door
een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand kosten in rekening worden gebracht. In dit
geval bestaat geen aanleiding om aan dit uitgangspunt afbreuk te doen. Anders dan in de door
de minister aangehaalde uitspraak het geval was, brengt de door wederpartijen ingeschakelde
rechtsbijstand-verlener in het geval van een procedure die tot succes leidt, zoals in deze
gevallen, aan zijn cliënt een bedrag in rekening. Dat de rechtsbijstandverlener de hoogte van dit
bedrag gelijkstelt aan het bedrag van een eventuele proceskostenvergoeding, staat aan
toekenning van een proceskosten-vergoeding niet in de weg. Gezien het forfaitaire stelsel is
voorts de hoogte van de werkelijk in rekening gebrachte kosten voor de beantwoording van de
vraag of een tegemoetkoming in de gemaakte proceskosten moet worden toegekend, niet
relevant. Terecht heeft de rechtbank dan ook geoordeeld dat wederpartijen in de bezwaarfasen
proceskosten hebben gemaakt die voor vergoeding door het bestuursorgaan in aanmerking komen.
2.5.
Het beroep op artikel 2, derde lid, van het Besluit kan niet leiden tot een ander oordeel (…).
Van het (…) forfaitaire vergoedingsstelsel (…) kan, indien zich een bijzondere omstandigheid voordoet, op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit worden afgeweken. De volgens de bijlage bij het Besluit berekende vergoeding kan worden verlaagd of verhoogd, zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten. Blijkens de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 1993, 763) moet het daarbij gaan om uitzonderlijke gevallen, waarin strikte toepassing van het forfaitaire vergoedingsstelsel onrechtvaardig uitpakt, bijvoorbeeld een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd. Van een dergelijk uitzonderlijk geval (…) is hier niet gebleken. Hetgeen door de minister hiertoe ter zitting naar voren is gebracht, maakt dit niet anders. Het betoog van de minister dat wederpartijen geen belang hadden bij de verzoeken om stukken in het kader van de Wet openbaarheid bestuur (… Wob) die aan dit geschil ten grondslag liggen, doet immers niet ter zake, nu een verzoeker ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wob bij zijn verzoek geen belang hoeft te stellen. Gelet op het feit dat wederpartijen de heer mr. drs. C.M.J.E.P. Meerts hebben gemachtigd namens hen op te treden, kan het betoog dat zij geen weet hadden van de namens hen gevoerde procedures en dat de gemachtigde enkel procedures voert om van te kunnen leven, evenmin leiden tot de conclusie dat zich hier een uitzonderlijk geval voordoet, dat tot afwijking van het forfaitaire vergoedingsstelsel noopt. Ditzelfde geldt voor het door de minister aan de orde gestelde uitgangspunt van ‘no cure, no pay’ op basis waarvan de gemachtigde werkt, nu dit geen onaanvaardbare wijze van het vaststellen van een verschuldigde vergoeding betreft.”
AB-annotator De Waard merkte op dat de Afdeling een klein jaar eerder dat oordeel nog vermeed door het niet aan de rechter te achten om te oordelen over afspraken tussen de betrokkene en diens gemachtigde. Die overweging in die zaak betrof niet de vraag naar ‘bijzondere omstandigheden’, maar de vraag of bij ncnp-afspraken überhaupt voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten worden gemaakt. De Afdeling meende van wel:14.
“Uitgangspunt van het in de bijlage bij het besluit opgenomen forfaitaire vergoedingsstelsel en in de jurisprudentie is dat voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand kosten in rekening worden gebracht. Nu sprake is van een forfaitair stelsel is voorts de hoogte van de
werkelijk in rekening gebrachte kosten voor de beantwoording van de vraag of een tegemoet-koming in de gemaakte proceskosten moet worden toegekend, niet relevant. Evenmin is het aan de rechter om te treden in de beoordeling van de ter zake door de betrokkene en de gemachtigde gemaakte afspraken. Dit oordeel sluit aan bij het gestelde in de Nota van toelichting bij het Besluit (Stb. 1993, 763), dat de regeling ‘een eenvoudige regeling die de justitiabele zekerheid geeft en de taak van de bestuursrechter niet onnodig verzwaart’ is. Het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is onjuist. (…).”
4.9
Ook u heeft geoordeeld dat aan pkv niet in de weg staat dat de rechtsbijstand is verleend op basis van ncnp.15.Voor toekenning van pkv komt het erop aan of op de belanghebbende een verplichting rust of komt te rusten om kosten van de verleende rechtsbijstand te voldoen. Zo’n verplichting bestaat volgens u ook als de rechtsbijstand wordt verleend op basis van ncnp.16.Ik merk op dat de vraag rijst of het nog wel om ‘rechtsbijstand’ gaat als een ncnp-gemachtigde niet geïnteresseerd is in het materiële belang van de belastingplichtige, maar in het maximaliseren van de pkv, ISV en dwangsommen voor eigen gewin. Er bestaat een wijsheid over ‘gratis’ internet-diensten die ook hier toepasselijk lijkt: si le produit est gratuit, c’est vous le produit.
5. Toetsing van het onderscheid in het Bbp tussen (i) fiscale en andere bezwaar-procedures en (ii) WOZ/bpm-procedures en andere fiscale procedures
A. Toetsing van het onderscheid in het Bpb tussen de puntwaarde in WOZ- en bpm-beroepen en de puntwaarde in andere fiscale beroepen
5.1
Tot 1 juli 2021 kende onderdeel B1 van het Bpb in alle bestuursrechtelijke zaken in (hoger) beroep – en in cassatie ex art. 29 AWR jo. art. 8:75 Awb – dezelfde waarde per punt toe. Op 1 juli 2021 werd de puntwaarde in alle bestuursrechtelijke zaken bij Besluit17.verhoogd naar € 759 (onderdeel B1, punt 2), behalve in WOZ-zaken en een deel van de bpm-zaken. Die verhoging beoogde bestuursorganen te stimuleren om besluiten beter voor te bereiden, opdat minder beroepen bij de bestuursrechter terecht zouden komen.18.Voor WOZ- en bpm-zaken werd de oude puntwaarde ad € 541 gehandhaafd (onderdeel B1, punt 1).
5.2
Dat onderscheid werd met succes aangevochten met een beroep op het gelijkheidsbeginsel in art. 1 Grondwet. U oordeelde in HR BNB 2022/106:19.
“5.5. De Hoge Raad ziet zich geplaatst voor de vraag of de gevallen die tot 1 juli 2021 als gelijke gevallen werden beschouwd (…) sindsdien nog steeds als gelijke gevallen zijn te beschouwen, en zo ja, of er dan een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het (…) onderscheid dat sinds 1 juli 2021 tussen die gevallen wordt gemaakt. Indien een objectieve en redelijke
rechtvaardiging ontbreekt, komt een verschil in behandeling tussen gelijke gevallen namelijk neer op een door artikel 1 van de Grondwet verboden discriminatie.20.Aangezien het hier gaat
om een algemeen verbindend voorschrift dat niet is aan te merken als wetgeving in formele zin, is de rechter bevoegd het gemaakte onderscheid aan deze bepaling in de Grondwet te toetsen. Het komt erop aan of de verschillend behandelde gevallen voor de toepassing van deze bepaling in de Grondwet als gelijk moeten worden beschouwd. Aan de opsteller van het algemeen verbindende voorschrift – (…) de besluitgever - komt een zekere beoordelingsruimte toe. Het gaat erom of hij in redelijkheid mocht aannemen dat de gevallen die hij verschillend heeft behandeld, met het oog op de toepassing van de desbetreffende regeling niet als gelijke gevallen zijn aan te merken. Alleen als de besluitgever daarvan in redelijkheid niet mocht uitgaan, en de gevallen voor de toepassing van artikel 1 van de Grondwet daarom als gelijke gevallen moeten worden aangemerkt, is een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het verschil in behandeling vereist. Het vereiste van een objectieve en redelijke rechtvaardiging houdt niet in dat de juistheid van een veronderstelling waarop het gemaakte onderscheid is gebaseerd, empirisch moet zijn vastgesteld of later feitelijk moet komen vast te staan. Wel zal een dergelijke veronderstelling, wil zij een objectieve en redelijke rechtvaardiging kunnen vormen, zo realistisch moeten zijn dat de besluitgever deze in redelijkheid aan de regeling ten grondslag heeft mogen leggen.21.Indien dat het geval is, is voor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bovendien vereist dat in die veronderstelling steun kan worden gevonden voor het gemaakte onderscheid.22.
5.6.
Het (…) verschil in waarde per punt is ingevoerd bij Besluit van 8 december 2020, Stb. 2020, 524. In de Nota van toelichting bij dat besluit is opgemerkt dat er een onderzoek door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (… WODC) loopt naar de inzet van zogenoemde no-cure-no-pay-bureaus bij beroepsprocedures op het gebied van de Wet WOZ en de bpm. Dit onderzoek is, aldus deze toelichting, onder meer ingegeven door een vaak
gehoorde klacht, met name van gemeenten, dat de proceskostenvergoeding voor deze bureaus in dit type zaken een te eenvoudig verdienmodel oplevert. Uit de reacties op het ontwerp voor het Besluit van 8 december 2020 kwam, aldus de toelichting, vooral naar voren dat gemeenten vrezen dat een hogere proceskostenvergoeding leidt tot een nog groter beroep op de bestuursrechter door no-cure-no-pay-bureaus, met name in zaken op het gebied van de Wet WOZ. De voorgestelde verhoging van de puntwaarde, in combinatie met no-cure-no-pay-constructies, leidt, aldus de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, tot een verdere juridisering van het proces.23.
Naar aanleiding van deze reacties is besloten de voorgestelde algemene verhoging van de waarde per punt met 40 procent niet te laten gelden voor zaken betreffende de hiervoor bedoelde besluiten op het gebied van de Wet WOZ en de bpm, en in elk geval de uitkomst van het hiervoor genoemde WODC-onderzoek te betrekken in verdere besluitvorming over de proceskosten-vergoeding voor dit soort zaken in de toekomst.
5.7.
Deze toelichting, die het gemaakte onderscheid in puntwaarden baseert op klachten en vrees, in het bijzonder van de kant van gemeenten, bevat geen aanwijzingen aan de hand waarvan het realiteitsgehalte van die klachten en vrees kan worden beoordeeld, voor zover het om de kosten in beroep en in hoger beroep gaat. Daarbij komt dat de in de toelichting genoemde vrees voor een groter beroep op de bestuursrechter en een verdere juridisering van het proces geen steun biedt aan de keuze van de besluitgever om de verhoging van de waarde per punt met 40 procent uit te sluiten voor alle procedures die betrekking hebben op besluiten als hiervoor in 5.4 bedoeld op het gebied van hoofdstuk III of IV van de Wet WOZ of van hoofdstuk III van de Wet bpm, nog daargelaten dat niet valt in te zien waarom dit weer niet geldt voor besluiten op grond van andere hoofdstukken van de Wet bpm. Het streven om het aantal bestuursrechtelijke procedures te beperken en onnodige juridisering te vermijden, is volgens de
Nota van toelichting juist de reden geweest om de proceskostenvergoedingen in andere categorieën bestuursrechtelijke procedures te verhogen. Die verhoging is namelijk volgens onderdeel 1 van die Nota bedoeld om bestuursorganen te prikkelen om besluiten nog beter voor te bereiden wat, volgens deze toelichting, als het goed is leidt tot minder procedures bij de bestuursrechter. Verder wordt deze verhoging in dat onderdeel van de Nota van toelichting geplaatst in het kader van het Programma stelselvernieuwing rechtsbijstand, waarbij wordt opgemerkt dat een belangrijke pijler van dat programma is het inzetten op en realiseren van minder onnodige juridisering tussen burger en overheid door betere dienstverlening. Dit verbetertraject richt zich volgens die toelichting op de volledige keten van het bestuursrecht, dus van primaire besluitvorming, bezwaar, beroep en hoger beroep. Niet valt in te zien waarom deze
redengeving niet zou opgaan voor procedures op het gebied van de Wet WOZ en de bpm.
5.8.
Het voorgaande brengt mee dat de besluitgever niet in redelijkheid mocht aannemen dat het hiervoor in 5.4 bedoelde onderscheid betrekking heeft op ongelijke gevallen, en dat geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het gemaakte verschil in behandeling. Daardoor komt de bijzondere regel van punt 1 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit in strijd met het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet. Punt 1 moet daarom buiten toepassing blijven, zodat de algemene regel van punt 2 van dat onderdeel B1 van toepassing is.”
5.3
U achtte de gevallen dus wél voldoende vergelijkbaar in het licht van het gestelde doel van de maatregel, en in dat licht was geen objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het onderscheid aangevoerd. Uit r.o. 5.7 volgt dat u (i) als rechtvaardiging onvoldoende achtte de klachten en vrees van gemeenten waarvan het realiteitsgehalte niet was onderbouwd, (ii) de toelichting innerlijk tegenstrijdig achtte omdat u vrees voor een groter beroep op de rechter door ncnp-bureaus geen steun vond bieden aan de lagere puntwaardehandhaving in WOZ- en bepaalde Bpm-zaken, gegeven dat die verhoging juist op vermindering van het aantal procedures was gericht door bestuursorganen te prikkelen betere besluiten te nemen en (iii) onvoldoende verklaard achtte waarom gemeenten en de Inspecteur Bpm niet of minder geprikkeld zouden hoeven worden tot betere besluitvorming in WOZ- en bpm-zaken. Ik meen dat deze redenering miskent dat bij een ncnp-verdienmodel op basis van overcompensatie van niet-gemaakte kosten een vergroting van die overcompensatie alleen maar leidt tot vermeerdering van het aantal bezwaren en beroepen en pogingen tot uitlokking van procedurele fouten, procesincidenten en procesvertragingen. Waar de markt vergroot wordt doordat de omzetmogelijkheden vergroot worden, zullen ondernemers die kans aangrijpen.
5.4
Van Brummelen betoogde in BNB 2022/106 dan ook dat het door de besluitgever gesignaleerde probleem van pkv-zoekende ncnp-gemachtigden wel degelijk bestond en snel groeide. Hij zag geen eenvoudige oplossing, maar suggereerde er wel enige:
“9. De poging van de besluitgever was dapper, maar sneeft bij de Hoge Raad. Dat neemt niet weg dat het door de besluitgever gesignaleerde probleem wel degelijk bestaat en snel in omvang toeneemt. Met name gemeenten worden financieel systematisch uitgekleed door gespecialiseerde gemachtigden. Het onderwerp van de gemeentelijke beslissing is daarbij van ondergeschikt belang. Ook hoeft voor een ‘succesvolle’ procedure geen sprake te zijn van een daadwerkelijke materiële onjuistheid in de bestreden beslissing: zodra het bezwaarschrift is ingediend is het spel op de wagen en is het wachten op procedurele foutjes. Wanneer de zaak bij de Rechtbank belandt gaat het in een aanzienlijk aantal gevallen al lang niet meer over de (vermeende) materiële kant van de zaak, maar over het (niet) toezenden van de op de zaak betrekking hebbende stukken, (gebreken in) de hoorprocedure, niet gehaalde beslistermijnen, ingebrekestellingen, dwang-sommen, kostenvergoedingen, rentevergoedingen over kostenvergoedingen, et cetera.
10. De aanpak van voormelde uitwassen is niet eenvoudig. Er zijn immers – ook op het terrein van de WOZ en de BPM – tal van gemachtigden werkzaam die daadwerkelijk rechtsbijstand verlenen. Zij ronselen geen WOZ-beschikkingen of naheffingsaanslagen, maar worden ingeschakeld door burgers en bedrijven die op zoek zijn naar rechtsbescherming. De voormelde verlaging van de puntwaarde trof ook deze groep gemachtigden en hun cliënten.
11. De vraag is in welke richting de oplossing dan wel moet worden gezocht. Het door de Hoge Raad in r.o. 5.6 genoemde onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie-centrum heeft nog niet tot concreet resultaat geleid, enkel tot vervolgonderzoek. De redactie van V-N heeft ook nagedacht over mogelijke oplossingen en oppert in haar commentaar bij het onderwerpelijke arrest dat een oplossing zou kunnen zijn de rechter meer mogelijkheden te geven maatwerk te leveren, bijvoorbeeld door de waarde per punt structureel flink te verlagen en daartegenover fors meer ruimte te bieden de proceskostenvergoeding te verhogen vanwege het gewicht van de zaak, door de factor C1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet te beperken tot maximaal 2. Dat zou inderdaad een oplossing kunnen zijn, mits de hoogste bestuursrechters de feitenrechters dan wel enige ruimte gunnen om dat maatwerk dan ook daadwerkelijk te leveren.
12. Een structurele oplossing zou gevonden kunnen worden door voor geschillen over de WOZ-waarde van woningen, de BPM (indien geen boete is opgelegd) en lokale heffingen te volstaan met één feitelijke instantie (de Rechtbank). Eén feitelijke instantie minder betekent een verkorting van procedure met twee jaar, minder maatschappelijke kosten (gerechtelijke procedures zijn niet ‘gratis’) en bovenal: minder proceshandelingen en dus minder kostenvergoedingen. Een tussenvorm zou gevonden kunnen worden in een verlofstelsel, waarbij het Hof bepaalt of een zaak in aanmerking komt voor behandeling in hoger beroep.”
5.5
Ook Noordegraaf wees in AB 2022/370 op het maatschappelijke probleem van oplopende pkv’s in WOZ-zaken:
“8. De Hoge Raad is goed te volgen, maar dat wil niet zeggen dat er voor de overheid geen
probleem bestaat door de oplopende proceskostenvergoedingen. In 2015 waren gemeenten in
WOZ-zaken bijvoorbeeld ongeveer € 7 miljoen kwijt aan proceskostenvergoedingen, in 2021
was dit volgens de cijfers van de Waarderingskamer € 18 miljoen. Uit cijfers van de
Waarderingskamer volgt verder dat het percentage gegronde bezwaren al een aantal jaren
tegen de 40% ligt. Gegevens over beroepsprocedures kan ik niet vinden, maar als uit een
vergelijkend onderzoek zou blijken dat er in vergelijking met andere bestuursrechtelijke zaken
relatief meer WOZ- en bpm-beroepen gegrond gaan, dan is dat wellicht een betere
onderbouwing voor het verschil in waarde per punt. Dat gemeenten dan maar beter hun best
moeten doen om een WOZ-waarde te onderbouwen, is te makkelijk gedacht. Die waarde is namelijk altijd arbitrair. Als vijf verschillende taxateurs naar de waarde van een bepaald object kijken, zullen er waarschijnlijk binnen een bepaalde marge vijf verschillende waarden volgen. Er is dus makkelijker dan in andere bestuursrechtelijke zaken een gebrek in een besluit (de WOZ-waarde), zodat het bezwaar of beroep gegrond is. En als een beroep gegrond is en een waarde
wordt aangepast, dan is ook het bezwaar alsnog gegrond en volgt automatisch ook voor die fase een vergoeding. In andere bestuursrechtelijke zaken is dat bij een gegrond beroep minder snel het geval.
9. Kortom, er zijn best redenen aan te wijzen voor een lagere waarde per punt in beroepen van WOZ- en bpm-zaken. Niemand wil burgers daarbij een redelijke vergoeding van hun kosten bij die zaken ontnemen. Maar de proceskostenvergoeding is oorspronkelijk bedoeld als een tegemoetkoming in de kosten van belanghebbenden. Op het moment dat proceskosten-vergoedingen zo hoog worden dat enkel deze vergoeding genoeg is om daarmee flink te verdienen, dan is het zaak om daar kritisch naar te kijken.”
5.6
Hennevelt legt in NLF 2022/1096 de nadruk op de intensiteit van uw toetsing van lagere wetgeving in verhouding tot die van toetsing van formele wetgeving:
“De Hoge Raad voegt in dit arrest daaraan toe dat deze maatstaf meebrengt dat de lagere regelgever een zekere beoordelingsmarge heeft. Daarmee wil de Hoge Raad mijns inziens tot uitdrukking brengen dat hij een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin, indringender aan het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel toetst dan hij een wet in formele zin aan een verdragsrechtelijk gelijkheidsbeginsel toetst, waarbij immers doorgaans een ruime beoordelingsmarge geldt.24.Het is goed dat de Hoge Raad dit verschil in toetsingsintensiteit duidelijk neerzet.”
5.7
Ook Thomas wees er in FED 2022/82 op dat toetsing aan het discriminatieverbod in art. 14 EVRM jo. art. 1 Protocol I EVRM, art. 1 Protocol 12 EVRM en art. 26 IVBPR anders zou kunnen zijn uitgevallen, gelet op de ruime margin of appreciation die het EHRM nationale overheden toestaat. Hij was kritisch op uw oordeel dat het onderscheid onvoldoende onderbouwd zou zijn:
“Een feit van algemene bekendheid is dat in WOZ-procedures heel veel wordt geprocedeerd door no cure, no pay proceskostenbureaus. Indien de overheid dergelijke procedures zou willen ontmoedigen, ligt het voor de hand om de proceskostenvergoeding voor dergelijke procedures te verlagen en in ieder geval niet te laten stijgen.”
B. Toetsing van het puntwaarde-onderscheid in het Bpb tussen bezwaarbijstand in fiscale zaken en bezwaarbijstand in niet-fiscale zaken
5.8
Op 12 juli 2024 toetste u een ander onderscheid in de bijlage bij het Bpb aan art. 1 Grondwet. Onderdeel B2 kent in belasting- en premiezaken (tezamen te noemen: fiscale zaken) € 296 per punt toe voor rechtsbijstand in bezwaar en € 597 per punt voor bezwaarbijstand in niet-fiscale zaken (tarief 2023). Na herhaling van uw in HR BNB 2022/106 uiteengezette toetsingskader (zie 5.2 hierboven) en een weergave van de totstandkomingsgeschiedenis van het verschil (r.o. 5.3), oordeelde u dat onvoldoende gegevens voorhanden waren om te kunnen beoordelen of gelijke gevallen ongelijk behandeld werden en zo ja, of dat gerechtvaardigd is. Voor fiscale bezwaren had de Besluitgever het lagere bedrag per punt wel onderbouwd, maar hij had die onderbouwing niet afgezet tegen enige onderbouwing van het hogere bedrag voor bezwaarbijstand op alle andere gebieden:25.
“5.3. De besluitgever heeft in 2002 het aanzienlijk lagere bedrag per punt voor in fiscale bezwaarprocedures beroepsmatig verleende rechtsbijstand bepaald op basis van gegevens van de Belastingdienst over de gemiddelde daadwerkelijk gemaakte kosten. Voor de in overige bestuursrechtelijke bezwaarprocedures verleende rechtsbijstand heeft de besluitgever bij de bepaling van het bedrag per punt aansluiting gezocht bij de civiele liquidatietarieven. Voor die
overige gevallen is geen lager bedrag per punt vastgesteld, omdat destijds geen gegevens voorhanden waren of aanwijzingen bestonden dat in verband met de werkelijke kosten in andere
belangrijke sectoren van het bestuursrecht naar het oordeel van de besluitgever een lager tarief is geboden.26.
Met betrekking tot de kosten van bezwaarschriften in belastingzaken heeft de Minister van Justitie naar aanleiding van vragen van leden van de Tweede Kamer een nadere toelichting gegeven. Hij heeft daarbij opgemerkt dat voor particulieren en ondernemingen (niet zijnde grote ondernemingen), die samen 95 tot 98 procent van alle belastingplichtigen vormen, geldt dat (i) die bezwaarschriften voor een fors deel betrekking hebben op (herstel van) administratieve fouten en door de inspecteur aangebrachte “correcties op posten”, (ii) het opstellen van een fiscaal bezwaarschrift meestal geschiedt door een adviseur die al bekend is met het dossier, en (iii) de externe bijstand voornamelijk geschiedt door administratiekantoren en (medewerkers van) belastingconsulenten en belastingadvieskantoren waarvan het uurloon varieert tussen € 34,03 en € 113,45, zodat gemiddeld sprake is van een bedrag van € 73,50 per uur. Uitgaande van een gemiddelde tijdsbesteding van 2,25 uur komen de kosten van belastingplichtigen voor externe bijstand bij bezwaarschriften daardoor volgens de Minister van Justitie uit op € 165,38, wat nagenoeg overeenkomt met het bedrag per punt dat toen in de Bijlage bij het Besluit is opgenomen voor bezwaarschriften in belastingzaken.27.
5.4.
Naar aanleiding van deze toelichting stelt de Hoge Raad voorop dat de wettelijke regeling voor de vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand is bedoeld om aan belanghebbenden een forfaitaire tegemoetkoming in die kosten te bieden.28.Bij de totstandkoming van het Besluit in 1993 heeft de besluitgever niet beoogd om met de bedragen van die tegemoetkoming de werkelijke kosten te benaderen. Hij ging juist ervan uit dat de normvergoedingen die bestuursorganen zijn verschuldigd, gemiddeld lager zijn dan de in redelijkheid gemaakte werkelijke kosten van rechtsbijstand die tot dan toe moesten worden vergoed op basis van de civielrechtelijke jurisprudentie.29.De hiervoor in 5.3 weergegeven argumentatie wijst erop dat de besluitgever in 2002 met betrekking tot belastingzaken van dit uitgangspunt is afgeweken. In beginsel staat het de besluitgever vrij om op dit punt voortaan een ander uitgangspunt te hanteren. Indien dat echter selectief gebeurt, slechts voor een bepaalde categorie zaken, dient daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging te bestaan als die zaken als gelijke gevallen zijn te beschouwen wat betreft de werkelijke kosten van
rechtsbijstand.
5.5.
Of belastingzaken en overige bestuursrechtelijke zaken met het oog op de vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase als gelijke gevallen zijn te beschouwen, valt echter bij gebrek aan nadere informatie niet vast te stellen. De besluitgever is uitgegaan van de gemiddelde daadwerkelijk gemaakte kosten in fiscale bezwaarprocedures, en mocht daartoe in redelijkheid uitgaan van de hiervoor in 5.3 bedoelde gegevens van de Belastingdienst. Met betrekking tot de gemiddelde daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand in alle overige bezwaarprocedures, beschikte de besluitgever echter niet over informatie. Dergelijke informatie is ook in deze procedure niet voorhanden en is evenmin af te leiden uit feiten van algemene bekendheid. Bij deze stand van zaken is het voor de rechter in deze procedure niet mogelijk om te beoordelen of de gemiddelde kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase in al die overige procedures in relevante mate afwijken van de gemiddelde kosten daarvan in belastingzaken. Daarbij merkt de Hoge Raad op dat de gegevens met betrekking tot fiscale bezwaarprocedures die hiervoor in 5.3 zijn vermeld, niet zonder meer de aanname rechtvaardigen dat alle overige bestuursrechtelijke bezwaarprocedures tot significant hogere kosten van rechtsbijstand leiden. Juist door het ontbreken van informatie over die overige procedures valt dit niet te beoordelen.
In zijn reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal heeft de Staatssecretaris betoogd
dat fiscale en overige bezwaarprocedures geen gelijke gevallen zijn, omdat het fiscale
procesrecht afwijkingen kent van de regeling in de Awb en omdat fiscale geschillen naar hun
aard afwijken van andere bestuursrechtelijke geschillen. Ook die verschillen rechtvaardigen
echter niet zonder meer de aanname dat overige bestuursrechtelijke bezwaarprocedures tot
significant hogere kosten van rechtsbijstand leiden dan fiscale bezwaarprocedures.
5.6.
Indien van gelijke gevallen moet worden uitgegaan, valt bij gebrek aan informatie ook niet vast te stellen of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om bij alle andere bezwaar-procedures dan die in fiscale zaken een ander, ongeveer tweemaal zo hoog bedrag per punt voor de proceskostenvergoeding te hanteren. Een zodanige rechtvaardiging kan hoe dan ook
niet worden gevonden in de omstandigheid dat de besluitgever niet beschikte over aanwijzingen dat een lager tarief is geboden in verband met de werkelijke kosten in andere belangrijke sectoren van het bestuursrecht. Een dergelijk gebrek aan informatie kan niet rechtvaardigen dat de besluitgever, zonder nader onderzoek te doen, een verschil in behandeling aanbrengt tussen gelijke gevallen.
5.7.
De Staatssecretaris heeft in zijn reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal erop gewezen dat de tarieven voor proceskostenvergoedingen in zaken op het gebied van de Wet waardering onroerende zaken en de belasting van personenauto’s en motorrijtuigen met ingang van 2024 bij de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm zijn verlaagd. Hij merkt daarbij op dat die verlaging deels teniet zou worden gedaan als de rechter het algemene bedrag per punt voor de bezwaarfase ook in fiscale zaken zou gaan hanteren. Ook daarin kan echter niet een rechtvaardiging voor dit verschil in behandeling worden gevonden. Dit argument kan namelijk niet verklaren en daarmee evenmin rechtvaardigen dat de besluitgever voor alle belastingzaken een lager bedrag per punt in de bezwaarfase hanteert dan in de overige bestuursrechtelijke zaken.
5.8.1.
Gelet op het voorgaande kan in dit geval als gevolg van de gebrekkige motivering van een algemeen verbindend voorschrift (niet zijnde een wet in formele zin) door de bestuursrechter niet worden beoordeeld of dat voorschrift in strijd is met een regeling van hoger orde. Een dergelijke belemmering van de mogelijkheden tot effectieve rechterlijke toetsing kan ertoe leiden dat de rechter het algemeen verbindende voorschrift buiten toepassing laat.30.Aangezien de mogelijkheid niet valt uit te sluiten dat de hier omstreden regeling in de Bijlage bij het Besluit, onderdeel B2, punt 1, in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet, is het naar het oordeel van de Hoge Raad aangewezen dat de rechter die bepaling bij gebreke van een toetsbare motivering buiten toepassing laat. Anders zou het gevaar bestaan dat de rechter die bepaling ten nadele van de belanghebbende toepast, hoewel die toepassing op grond van strijd met het verbod van discriminatie achterwege had moeten blijven. Immers, indien punt 1 van onderdeel B2 van de Bijlage bij het Besluit in strijd zou zijn met het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet, zou die bepaling onverbindend zijn, en op die grond buiten toepassing moeten blijven.31.
5.8.2.
Hetgeen hiervoor in 5.8.1 is overwogen, brengt mee dat in dit geval bij toekenning van een vergoeding van proceskosten, punt 1 van onderdeel B2 van de Bijlage bij het Besluit buiten toepassing moet blijven. Als gevolg daarvan moet een vergoeding voor de kosten van
beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase worden berekend op basis van het in punt 2 van dat onderdeel vermelde bedrag. De Rechtbank heeft dit miskend. De eerste klacht van het middel slaagt in zoverre en behoeft geen behandeling voor zover het middel betoogt dat het omstreden onderscheid ook is aan te merken als willekeur.”
5.9
Deze uitkomst is vergelijkbaar met die in HR BNB 2022/106, maar de onderbouwing is anders. In de zaak HR BNB 2022/106 had de Besluitgever zijn lagere pkv in WOZ/bpm-zaken dan in andere fiscale zaken wel gemotiveerd, maar volgens u onvoldoende c.q. innerlijk tegenstrijdig. In die zaak lag de grond voor het buiten toepassing laten van de regeling erin dat de besluitgever verzuimd had een (voldoende) objectieve en redelijke rechtvaardiging aan te voeren voor het verschil in pkv-hoogte tussen WOZ/bpm-zaken en de volgens u daaraan gelijk te achten andere fiscale zaken. Voor het onderscheid in pkv tussen fiscale bezwaren en niet-fiscale bezwaren in de zaak van 12 juli 2024 daarentegen kwam u aan de vraag naar een rechtvaardiging niet toe omdat de eerste stap van de discriminatietoets (zijn het gelijke gevallen?) niet beantwoord kon worden bij gebrek aan gegevens over de kosten van bezwaar in niet-fiscale zaken. U zag daarom andere bezwaren tegen de regeling dan in HR BNB 2022/106, die echter volgens u evenzeer noopten tot buiten toepassing laten van de lagere vergoeding, nl. (i) “een (…) belemmering van de mogelijkheden tot effectieve rechterlijke toetsing” en (ii) “het gevaar (…) dat de rechter [de regeling] ten nadele van de belanghebbende toepast, hoewel die toepassing op grond van strijd met het verbod van discriminatie achterwege had moeten blijven.”
5.10
Ik merk op dat als er geen gegevens zijn over andere dan fiscale bezwaarkosten, er ook geen basis is voor de veronderstelling dat fiscale en niet-fiscale bezwaren qua kosten vergelijkbaar zijn. Als de rechter desondanks veronderstelt dat zij dat zijn, is er, gegeven nog steeds dat gebrek aan gegevens, evenmin basis voor de conclusie dat de pkv in fiscale zaken omhoog moet. Even verdedigbaar is dan de conclusie dat de pkv in niet-fiscale zaken omlaag moet, en lijkt het mij niet aan de rechter om tussen die twee te kiezen zonder de besluitgever de gelegenheid te geven de veronderstelde ongelijkheid op te heffen op basis van al dan niet budgettaire beleidsoverwegingen. Als er geen gegevens zijn, is het ‘gevaar’ van privilegiëring even groot als het ‘gevaar’ van discriminatie. Als de rechter ondanks gebrek aan gegevens over niet-fiscale bezwaren veronderstelt dat die bezwaren qua kosten gemiddeld gelijk zijn aan fiscale bezwaren, lijkt het zelfs meer voor de hand te liggen om de alsdan kennelijk op niets gebaseerde vergoeding in niet-fiscale zaken gelijk te trekken met de wél evidence based vergoeding in fiscale zaken dan om het omgekeerde te doen.
5.11
Ik meen daarom dat het meer op de weg van de rechter had gelegen om de Besluitgever hoogstens voorwaardelijk of prospective te overrulen door hem een termijn te stellen voor ofwel een draagkrachtige motivering van het pkv-verschil tussen fiscale en andere bezwaarprocedures,32.ofwel verlaging van de vergoeding in andere bezwaarprocedures of een andere gelijktrekking van de beide tarieven. R.o. 6.3 van uw arrest van 12 juli 2024 laat overigens ook de mogelijkheid open dat de Staatssecretaris zijn poot nog even stijf houdt door in een volgende zaak alsnog gegevens te produceren die het verschil in pkv kunnen verklaren tussen fiscale bezwaren en niet-fiscale bezwaren.33.In de berechte zaak liet u dat niet toe omdat het de Inspecteur volgens u na cassatie niet meer vrij stond om nog gegevens in te brengen die de rechter alsnog in staat zouden moeten stellen om te beoordelen of onderdeel B2(1) van de Bijlage bij het Bpb verenigbaar is met art. 1 Grondwet.
5.12
Van de Merwe (NTFR 2024/1244) merkt op dat, nu de belanghebbende in uw arrest van 12 juli 2024 zich kennelijk pas in cassatie op het discriminatieverbod beriep en de fiscus volgens u kennelijk ook andere argumenten kan aanvoeren dan die in de ontoereikende toelichting bij het Besluit, het meer voor de hand zou hebben gelegen om het desbetreffende cassatiemiddel te verwerpen, nu voor de beoordeling van die argumenten kennelijk feitelijk onderzoek vereist is, waarvoor in cassatie geen plaats is:
“In het arrest (…) concludeert de Hoge Raad dat er onvoldoende informatie is om te beoordelen
of sprake is van gelijke gevallen en, zo ja, of voor de verschillende behandeling een objectieve
en redelijke rechtvaardiging bestaat. Kennelijk is het mogelijk om bij deze beoordeling acht te
slaan op andere gegevens dan de kenbare argumentatie van de besluitgever. Als dat zo is, krijgt
deze beoordeling (mede) een sterk feitelijk karakter. Dan komt de vraag op of deze beoordeling
niet in eerste instantie bij de feitenrechter thuishoort. Het is daarom opvallend dat – voor zover
valt na te gaan – belanghebbende dit punt niet in de bezwaar- of beroepsprocedure naar voren
heeft gebracht. De Hoge Raad had dit middel dus kunnen verwerpen, omdat deze grief feitelijk
onderzoek vergt, waarvoor in cassatie geen plaats is. Het kennelijk nog van belang zijnde
feitelijke onderzoek kan in deze procedure ook na verwijzing niet plaatsvinden, omdat, zoals de
Hoge Raad in r.o. 6.3 uitdrukkelijk beslist, de inspecteur na verwijzing deze gegevens niet meer
mag inbrengen. Kennelijk vindt de Hoge Raad dat deze feitelijke gegevens van de zijde van de
staatssecretaris in de cassatieprocedure hadden moeten worden ingebracht. Maar biedt de cassatieprocedure wel ruimte om deze feitelijke gegevens te onderzoeken?
(…).
Al met al laat dit arrest ons achter met een open einde. We moeten afwachten of de Belastingdienst (of een andere heffingsinstantie) in een volgende procedure komt met gegevens waaruit volgt dat het discriminatieverbod niet is geschonden. Tot die tijd zullen we ervan moeten uitgaan dat ook in belastingzaken de puntwaarde in bezwaarprocedures € 624 bedraagt. In zaken waarin een lagere puntwaarde is toegekend, maar die nog niet definitief zijn afgedaan, zal dat leiden tot een gegrond (hoger) beroep of cassatieberoep, met bijbehorende proceskostenvergoeding. Volgens het richtsnoer van de gerechtshoven34.is de wegingsfactor dan 0,25.
Boven de markt hangt nog de vraag of de extra wegingsfactor van 0,25 of 0,1 voor WOZ-zaken35.en BPM-zaken36.wellicht ook verboden discriminatie is. Omdat dat onderscheid is opgenomen in een formele wet, toetst de Hoge Raad minder indringend. Voor de praktijk is het te hopen dat de Hoge Raad die knoop snel doorhakt.
Mogelijk zal de wetgever aanleiding zien om de hele proceskostenvergoeding in fiscale zaken op de helling te zetten. Er zou kunnen worden gekozen voor een apart Besluit proceskosten fiscale procedures. Net als vóór 1999 zou voor het gewicht van de zaak kunnen worden aangesloten bij het financiële belang. Op die manier wordt meer evenwicht gevonden tussen het belang van de burger en de kosten voor de overheid. Wellicht dat zo’n regeling ook kan gaan gelden voor de proceskostenvergoeding in andere puur financiële beschikkingen, zoals uitkeringen of subsidies.”
6.1
Uw arrest HR BNB 2022/106 nam geenszins de zorgen weg bij de belastingdienst, de feitenrechtspraak, de VNG en de gemeentelijke uitvoeringsorganisaties over de toegenomen en toenemende aantallen WOZ- en bpm-procedures en het grote en groeiende aandeel daarin van ncnp-rechtsbijstandsverlenders.38.De formele wetgever heeft daarom per 1 januari 2024 de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv) in werking doen treden. Voor bezwaar- en beroepsprocedures over de toepassing van de Wet WOZ, de Wet bpm en (bij amendement39.) de Wet Mulder (Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften – Wahv) verlaagt die wet (i) de pkv en (ii) de immateriële schadevergoeding (ISV) bij termijnoverschrijding. Hij bepaalt bovendien dat pkv, ISV, dwangsommen wegens niet-tijdig beslissen en griffierechtvergoedingen nog uitsluitend uitbetaald worden op een bankrekening van de belanghebbende, met cessieverbod.
6.2
Een nieuw art. 30a Wet WOZ, een nieuw art. 19a Wet bpm en een gewijzigd art. 13a Wahv verlagen de overigens uit het Bpb voortvloeiende pkv naar een kwart daarvan als het bestreden besluit wordt vernietigd of gewijzigd en naar een tiende daarvan in alle overige gevallen. Het nieuwe art. 19a(2) Wet bpm bepaalt aldus ter zake van de pkv in beroep, hoger beroep en beroep in cassatie in bpm-zaken:
“In geval van een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, onder toepassing van de nadere regels gesteld krachtens de
laatste zin van artikel 8:75, eerste lid, van die wet, of in geval van een veroordeling in de kosten waarbij artikel 8:75 van die wet van overeenkomstige toepassing is verklaard, wordt, voor zover die kosten betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van het beroep, hoger beroep of beroep in cassatie bij de bestuursrechter betreffende
een besluit genomen op grond van het gestelde bij of krachtens deze wet of een daarmee verband houdend besluit, het bedrag dat strekt tot de vergoeding van die kosten vermenigvuldigd met:
a. 0,25, indien het bestreden besluit wordt vernietigd of gewijzigd;
b. 0,10 in alle overige gevallen.
De eerste zin vindt geen toepassing in geval van bijzondere omstandigheden in de zin van de nadere regels gesteld krachtens artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.”
Het nieuwe art. 30a(2) Wet WOZ heeft dezelfde strekking:
“In geval van een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, onder toepassing van de nadere regels gesteld krachtens de laatste zin van artikel 8:75, eerste lid, van die wet, of in geval van een veroordeling in de kosten waarbij artikel 8:75 van die wet van overeenkomstige toepassing is verklaard, wordt, voor zover die kosten betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van het beroep, hoger beroep of beroep in cassatie bij de bestuursrechter betreffende een besluit genomen
op grond van het gestelde bij of krachtens deze wet of titel IV, hoofdstuk XV, paragraaf 2, van de Gemeentewet of een daarmee verband houdend besluit, het bedrag dat strekt tot de vergoeding van die kosten vermenigvuldigd met:
a. 0,25, indien het bestreden besluit wordt vernietigd of gewijzigd;
b. 0,10 in alle overige gevallen.
De eerste zin vindt geen toepassing in geval van bijzondere omstandigheden in de zin van de nadere regels gesteld krachtens artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
6.3
De pkv in WOZ- en bpm-zaken wordt nu dus bepaald niet in drie, maar in vier stappen: (i) vaststelling van het aantal punten voor de verrichte proceshandelingen; (ii) vermenigvuldiging van dat aantal met de puntwaarde, (iii) vermenigvuldiging van het product met de wegingsfactor tussen 0,25 tot 2 en (iv) vermenigvuldiging van dat product met 0,25 als de belanghebbende inhoudelijk (deels) in het gelijk wordt gesteld en met 0,1 in overige gevallen.40.De laatste, nieuwe, vermenigvuldigingsfactor vervangt dus niet de wegingsfactor in het Bpb, maar is een extra stap nádat alle stappen in het Bpb, inclusief vermenigvuldiging met de wegingsfactor zijn genomen.
6.4
Art. IV van de WHpkv bepaalt over het overgangsrecht:
“Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat:
a. artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken, artikel 19a, eerste en tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 en artikel 13a, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften voor het
eerst toepassing vinden met betrekking tot een bezwaar tegen een na dat tijdstip bekendgemaakt besluit en een administratief beroep, beroep, hoger beroep, verzet, beroep in cassatie tegen of een verzoek om herziening van een na dat tijdstip bekendgemaakte beslissing of uitspraak;
(…).”
6.5
Met deze maatregelen wil de wetgever de financiële prikkel wegnemen om namens belastingplichtigen bezwaar- en beroepsprocedures te starten en door te procederen met als overwegend doel verkrijging van (meer) pkv en ISV; dus niet met als overwegend doel correctie van inhoudelijke onjuistheden of rechtsbescherming van de belastingplichtige. Ter zake van WOZ- en bpm-zaken is bij de wetgever het beeld ontstaan dat alleen de jacht op die vergoedingen het steeds hogere aantal WOZ- en bpm-procedures verklaart.41.De MvT wijst op de volgende omstandigheden (p. 2-3):
- Het ncnp-verdienmodel, waarin de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de ncnp-gemachtigde omdat geen instapbedrag verschuldigd is, maar alleen, bij gegrondverklaring van het bezwaar of beroep, de pkv, ISV en dwangsom afgestaan moeten worden aan de gemachtigde. Er bestaat geen bezwaar tegen laagdrempelige rechtshulp, maar het gaat wringen als procedures alleen het belang van de gemachtigde dienen. Dat is onder meer het geval bij (i) verder procederen op procedurele gronden terwijl de WOZ- of bpm-waarde waarbij de belastingplichtige daadwerkelijk belang heeft, niet meer in geschil is, (ii) achterhouden van relevante informatie tot in een latere procesfase om de bezwaarinstantie de mogelijkheid te ontnemen om het geschil al in de bezwaarfase te beëindigen42.en (iii) het verrichten van zoveel mogelijk proceshandelingen voor een hogere pkv, ook als bijvoorbeeld een hoorgesprek daardoor in de praktijk niet meer het doel dient waarvoor het is bedoeld;
- Het 2021-onderzoek van het WODC naar de werkwijze en het verdienmodel van ncnp-bureaus (zie onderdeel 8A hieronder) en de twee kabinetsreacties op dat onderzoek;43.
- Het jaarverslag 2022 waarin de Rechtspraak haar zorgen uit over de vastlopende belastingrechtspraak door grote hoeveelheden ncnp-zaken en de daardoor belemmerde toegang tot de rechter.44.De hoge instroom van WOZ- en bpm-zaken leidt tot verdringing van burgers en bedrijven in andere zaken die maatschappelijk van groter belang zijn en gaat daarmee ten koste van de rechtsbescherming van belastingplichtigen in algemene zin. Het gaat volgens het jaarverslag om tienduizenden extra zaken van ncnp-bureaus;
- De acties van het kabinet tot inzichtverwerving om het procederen als verdienmodel te kunnen ontmoedigen, zoals het 2024-WODC-onderzoek naar oneigenlijk gebruik van bestuursrechtelijke procedures door professionele gemachtigden in relatie tot de pkv (zie onderdeel 8C hieronder). Vooruitlopend op de uitkomst van dat onderzoek achtte het kabinet het noodzakelijk eerder maatregelen te treffen voor de WOZ- en bpm-zaken, gelet op de oplopende druk op de uitvoering en de rechtspraak en de dringende behoefte aan een oplossing.
6.6
Onderdeel 2 van de MvT geeft cijfers. Eerst wordt de toename van het aantal ingediende bezwaarschriften in WOZ- en bpm-zaken weergegeven van 2019 tot (en met) 2023:

6.7
Vervolgens worden de aantallen WOZ- en bpm-zaken bij de rechtbanken en de gerechtshoven in de jaren 2018 t/m 2022 weergegeven:

6.8
De MvT vermeldt het volgende over het aantal bpm-procedures gevoerd door ncnp-gemachtigden:45.
“Verhoudingsgewijs worden steeds meer WOZ-bezwaren ingediend en (hoger) beroeps-procedures aanhangig gemaakt door «no cure no pay»-gemachtigden.46.Voor wat betreft de bpm blijft dit percentage constant hoog. Bij de bpm is tenminste 95% van de bezwaarschriften afkomstig van «no cure no pay»-gemachtigden. Naar schatting is circa 90% van de zaken afkomstig van drie «no cure no pay»-gemachtigden. Volgens de Belastingdienst is de grootste dienstverlener op deze markt goed voor zo’n 60% van de bezwaren en beroepen.47.”
De MvT bevat de volgende grafieken over het percentage ncnp-gemachtigden in WOZ- en bpm-procedures:

6.9
De MvT gaat vervolgens in op de door gemeenten in WOZ-zaken en de door de Belastingdienst in bpm-zaken uitbetaalde bedragen aan pkv en ISV. Een grafiek toont voor WOZ-pkv’s € 6,5 miljoen in 2014 en € 20 miljoen in 2022. Over het bedrag van de bpm-pkv’s vermeldt de MvT:48.
“Voor de bpm is van belang dat, zoals in het WODC-rapport is vermeld, in 2017 drie
vaststellingsovereenkomsten zijn gesloten waarmee ten minste 3.295 bezwaarprocedures zijn
beëindigd. Met deze overeenkomsten was een bedrag van € 8,5 miljoen gemoeid, bestaande
uit vergoedingen van immateriële schade (€ 7 miljoen), proceskostenvergoedingen (€ 1,4
miljoen) en overige kosten, zoals rente.49.De vaststellingsovereenkomsten hebben ervoor
gezorgd dat het aantal zaken waarvoor een proceskostenvergoeding moest worden uitgekeerd
in de jaren nadien lager lag dan het geval zou zijn geweest wanneer deze procedures niet waren
beëindigd.50.Inmiddels is het aantal zaken dat op afhandeling wacht gegroeid tot bijna 16.000
zaken. Van deze zaken bevinden zich grofweg 4.800 zaken in een bezwaarprocedure en voor
ongeveer 11.000 zaken loopt een beroepsprocedure. De verwachting is dat de omvang van de
uit te keren proceskostenvergoeding en vergoeding voor immateriële schade bij ongewijzigd
beleid in de toekomst zal toenemen. Bij de Belastingdienst wordt op dit moment 70 fte ingezet
voor de afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures die als gevolg van de bpm worden gestart. Veel ruimte om deze capaciteit uit te breiden is er niet. (…).”
Over de kosten voor de Rechtspraak (rechtbanken en gerechtshoven) vermeldt de MvT:51.
“Gemiddeld kostten «no cure no pay»-zaken de Rechtspraak in de jaren 2018 tot en met 2022 circa € 8 miljoen per jaar, waarbij door de jaren heen een stijgende trend te zien is. In 2022 lag het bedrag dan ook (ver) boven dit gemiddelde. Deze kosten komen in de periode 2018–2022 voor de
Rechtspraak neer op ongeveer een kwart van de totale kosten van de belastingrechtspraak.52.In dit bedrag zijn niet begrepen de vergoedingen voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die zien op de gerechtelijke fase.”
6.10
Uit de NnavV (zie 6.12 hieronder) leid ik af dat de genoemde € 8 miljoen per jaar ziet op de fte’s die gemoeid zijn met de behandeling van alle ncnp-zaken, dus WOZ- en bpm-zaken gezamenlijk.
6.11
De Tweede Kamer heeft vragen gesteld over de mogelijke oorzaken van de toename van WOZ- en bpm-procedures. Daarop heeft het kabinet geantwoord dat de stijging van het aantal bpm-procedures gradueel is toegenomen en dat die procedures al veel langer vrijwel uitsluitend door ncnp-gemachtigden worden gevoerd. Aangezien ncnp-gemachtigden ook veelvuldig betrokken zijn bij procedures tegen de eigen aangiften van belastingplichtigen (dus niet alleen tegen naheffingsaanslagen), is het bij de bpm – anders dan bij de WOZ – niet per definitie een door de overheid vastgestelde waarde die het aangrijpingspunt is voor het starten van een procedure.53.Over de mogelijke oorzaken van de toename in WOZ-bezwaren, waarbij beschikkingsjaar 2023 met waardepeildatum 1 januari 2022 een uitschieter was, heeft het kabinet vermeldt dat:54.
- de gemiddelde waardestijging van huizen waarschijnlijk mede van invloed is geweest;
- de stijgende directe lastendruk, die zich uit in een hogere aanslag onroerende-zaakbelasting voor eigenaren (OZBE), echter niet van invloed is geweest, omdat de aanslag OZBE niet evenredig meestijgt met de stijging van de WOZ-waarde;
- van invloed kunnen zijn geweest de acties van ncnp-bedrijven om hun bekendheid te vergroten en klandizie aan te trekken, zoals de landelijke reclamecampagne van een groot ncnp-bedrijf om gratis bezwaar aan te tekenen tegen de WOZ-waarde om een gemiddelde besparing van € 300 te realiseren;
- niet gekwantificeerd kan worden in welke mate deze factoren van invloed zijn geweest, maar dat het aandeel ingediende bezwaarschriften door ncnp-bedrijven wel blijft stijgen;
- er geen significante toename is van gegrondverklaring van bezwaren wegens te hoge WOZ-waardering; en
- de zeer grote stijging van het aantal WOZ-bezwaren in 2023 niet kan worden verklaard door een mindere kwaliteit van WOZ-taxaties of stagnatie van de kwaliteitsverbetering van WOZ-taxaties.
6.12
Op de vraag hoeveel gemeenschapsgeld ncnp-bedrijven jaarlijks ontvangen van hetgeen gemeenten, rechtspraak en Belastingdienst ten koste leggen aan procedures van ncnp-bedrijven, heeft het kabinet toegelicht dat voor de bpm in 2023 ‘vooralsnog’55.voor ruim € 1 miljoen aan vergoedingen is uitgekeerd. Volgens cijfers van de Waarderingskamer bedraagt de totaal uitgekeerde pkv in WOZ-zaken € 18 miljoen in 2021 en € 20 miljoen in 2022, maar dat is inclusief de kosten in zaken waarin beroepsgemachtigden optraden die niet op basis van ncnp werkten.56.Welk deel van die bedragen aan ncnp-gemachtigden werd uitgekeerd, kan niet gepreciseerd worden. De totale kosten voor de gemeenschap liggen echter aanmerkelijk hoger dan de uitgekeerde pkv alleen. Zo zet de Belastingdienst circa 70 fte in om ingediende bezwaar- en beroepschriften bpm af te handelen, wat € 8 miljoen per jaar kost. Geschat wordt dat de kosten voor de afhandeling van WOZ-bezwaren door gemeenten (exclusief uitbetaalde proceskosten) zijn gestegen van € 54 miljoen in 2020 naar € 61 miljoen in 2022, en dat daarvan in 2022 zeker ruim € 30 miljoen toe te rekenen valt aan de afhandeling van ncnp-bezwaren. Zoals eerder opgemerkt, kostten ncnp-zaken de Rechtspraak (rechtbanken en gerechtshoven) in de jaren 2018 t/m 2022 gemiddeld circa € 8 miljoen per jaar, waarbij door de jaren heen een stijgende lijn te zien is.57.
6.13
Met de nieuwe maatregelen verwacht het kabinet dat weloverwogener wordt afgewogen of bezwaar of beroep wordt ingesteld en dat daarbij meer gewicht zal toekomen aan het materiële belang van de belastingplichtige.58.De lagere pkv in WOZ- en bpm-zaken strekt ertoe de overcompensatie van proceskosten in die categorieën zaken tegen te gaan. De MvT onderbouwt het bestaan van die overcompensatie (de discrepantie tussen de pkv en de werklast voor ncnp-bureaus) als volgt:59.
“Het kabinet heeft geconstateerd dat de inspanningen die worden geleverd in het kader van procedures tegen een WOZ-beschikking, bpm-aangifte of bpm-naheffingsaanslag dermate afwijken van een groot deel van het overige bestuursrecht, dat een afwijking van de berekening van de vergoeding voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is gerechtvaardigd. Wanneer een rechtsbijstandverlener louter op basis van «no cure no pay» als gemachtigde optreedt, moeten de proceskostenvergoedingen die worden toegekend bij gegronde beroepen ook de kosten dekken van de zaken waarbij geen vergoedingen worden toegekend om in elk geval geen verlies te lijden.
Zowel het WODC60.als het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere
Overheden van de Rijksuniversiteit Groningen (COELO)61.heeft onderzoek gedaan naar de
werkwijze en het verdienmodel van «no cure no pay»-bureaus. Het COELO heeft
geconcludeerd dat (i) de vergoedingen op basis van het Bpb voor wat betreft de WOZ niet
aansluiten bij de inspanning die een bedrijf moet leveren om bezwaar te maken tegen de
WOZ-waarde namens belanghebbenden en (ii) de vergoedingsstructuur op basis van het
Bpb perverse financiële prikkels bevat, en daardoor gedrag beloont dat niet strookt met het
algemeen belang.62.Het onderzoek van het COELO wijst uit dat een hoorzitting gemiddeld
vaak minder dan vijf minuten per object kost en dat de hoorzittingen in de onderzochte jaren
2020 en 2021 – mede als gevolg van de uitbraak van het corona-virus – veelal telefonisch
of via videobellen werden gehouden, maar soms zelfs ook schriftelijk. Bij een deel van de
gemeenten en samenwerkingsverbanden gebeurde dit ook al vóór de coronacrisis.63.Na het
opheffen van de coronamaatregelen is deze praktijk blijven bestaan. Uit de analyse volgt
verder, uitgaande van een schatting van de uren die de vaste werknemers van de acht
bedrijven die landelijk gezien de meeste bezwaren indienen, werken en het aantal bezwaren
dat door die bedrijven is ingediend, dat de behandeling van een bezwaar tegen een WOZ-
beschikking van het begin tot het eind hooguit twee uur kost, inclusief toerekening van overheadwerkzaamheden.64.Er zijn ook geen eisen gesteld aan het opleidingsniveau van de medewerker die aan de hoorzitting deelneemt of de kwaliteit van de uitgewisselde informatie.65.
Het blijkt in de praktijk mogelijk te zijn grotendeels geautomatiseerd grieven toe te voegen aan bezwaarschriften. Als dat niet geautomatiseerd gebeurt, dan wordt vaak gebruikgemaakt van standaardteksten die worden aangevuld met objectspecifieke kenmerken, zoals de naam van een overlastgevende weg.66.De forfaitaire vergoedingen en vergoedingsstructuur in het Bpb zijn gebaseerd op de werkzaamheden die in 1995 nodig waren om een bezwaar in te dienen en een hoorzitting bij te wonen. Het onderzoek van COELO laat zien dat dit voor wat betreft de WOZ niet meer aansluit bij de werkzaamheden die anno nu nodig zijn voor die proceshandelingen.67.
Voor de bpm gelden vergelijkbare overwegingen als voor de WOZ. Hoewel geen empirisch onderzoek beschikbaar is dat inzicht biedt in de inspanning die met een procedure gepaard gaat, is in het WODC-onderzoek wel geconcludeerd dat handelingen door «no cure no pay»-gemachtigden binnen de bpm (sterker dan bij de WOZ) gericht lijken op het profiteren van bestaande wet- en regelgeving. «No cure no pay»-gemachtigden gaan vaak in bezwaar, beroep en hoger beroep en zijn betrokken bij ruim 95% van de bezwaren en beroepen die in dit kader worden gevoerd. De bureaus behandelen bovendien een groot aantal zaken met een beperkte bezetting. De gemachtigde die bij het merendeel van de jaarlijks door de Belastingdienst te behandelen bpm-zaken betrokken is (in 2022 ruim 2.800 nieuwe bezwaarschriften), is directeur-grootaandeelhouder van een BV met drie personeelsleden, waaronder hijzelf. In 2022 had het bedrijf in totaal vier personeelsleden. Dit sterkt het beeld dat ook bij de bpm de afhandeling van een procedure door een gemachtigde beperkte inspanning vergt. Dat beeld wordt ook bevestigd door de waarneming van de Belastingdienst dat binnen de bpm in de regel standaardgrieven worden ingebracht. In gerechtelijke procedures is dit de afgelopen jaren met enige regelmaat bevestigd en is opgemerkt dat de proceshandelingen in zowel bezwaar als beroep een uniform karakter hebben68., waarbij voornamelijk juridische geschilpunten aan de orde worden gesteld, veelal geen verschil van inzicht bestaat over de feiten69.en de gebezigde argumenten per geschil in belangrijke mate overeenkomen. Bovendien is in concrete zaken door de rechter vastgesteld dat indien bij de bepaling van de omvang van de vergoeding voor de bezwaarfase onverkort voor elke individuele zaak wordt vastgehouden aan de forfaitaire bedragen, zonder rekening te houden met de omstandigheid dat gemachtigden in vele soortgelijke zaken rechtsbijstand verlenen, dit zou leiden tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft.70.Deze situatie doet zich nog sterker voor als gevolg van de hogere proceskostenvergoeding die sinds 27 mei 2022 als gevolg van de uitspraak van de Hoge Raad [BNB 2022/106; PJW] ook voor bpm-zaken (en WOZ-zaken) wordt uitgekeerd.71.De conclusie is dan ook dat ook voor de bpm geldt dat de proceskostenvergoeding dermate hoog uitvalt dat afbreuk wordt gedaan aan het doel van het Bpb dat de vergoeding niet meer beoogt te zijn dan een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten. Het leidt bovendien, zoals recentelijk nog overwogen in een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, tot een systeem dat onder toenemende maatschappelijke druk is komen te staan en leidt tot uitkomsten die aan de samenleving niet goed meer zijn uit te leggen.72.”
6.14
Uit de MvT valt af te leiden dat de vermenigvuldigingsfactor van 0,25 is gebaseerd op een uurtarief ad € 50 en de gemiddelde 2 uur die gemachtigden volgens het COELO73.besteden aan een WOZ-bezwaar:74.
“Als wordt uitgegaan van een tegemoetkoming in de kosten van € 50 per uur, komt de vergoeding voor het indienen van een bezwaarschrift (1 punt) en het verschijnen bij een hoorzitting (1 punt) neer op een werkbelasting van ongeveer 3 uur per zaak (€ 296 x 2 punten x wegingsfactor 1 x 0,25 = € 148). Gezien de analyse van het COELO waaruit volgt dat een bezwaar tegen een WOZ-beschikking hooguit twee uur kost, acht het kabinet voor de WOZ een verlaging tot 25% van de huidige vergoeding passend. Dat geldt ook ter zake van de bpm. Hoewel geen empirisch onderzoek is gedaan naar de precieze tijdsinspanning, volgt uit hetgeen hierboven is overwogen over bpm, een vergelijkbaar beeld als voor de WOZ-zaken. Uit het WODC-onderzoek volgt ook dat de handelingen door «no cure no pay»-gemachtigden binnen de bpm (sterker dan bij de WOZ) gericht lijken op het profiteren van bestaande wet- en regelgeving. Om die prikkel te beperken alsmede om het regime voor proceskostenvergoedingen zo uniform mogelijk te houden, wordt voorgesteld om de vergoeding ook voor bpm-zaken tot 25% te verlagen.”
6.15
Een beroep kan gegrond zijn hoewel de belanghebbende op alle materiële punten in het ongelijk wordt gesteld, dus zonder dat het bestreden besluit wordt gewijzigd of vernietigd, bijvoorbeeld als (i) een te lage pkv is toegekend in de vorige instantie, (ii) niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn toegezonden, (iii) er gebreken bestonden in de hoorprocedure, (iv) na de beslissing op bezwaar nieuwe jurisprudentie verschijnt, of (iv) ISV wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ook in die gevallen is een pkv verschuldigd en wordt het griffierecht vergoed. De WHpkv beperkt in die gevallen, waarin de bestreden WOZ-beschikking of bpm-aangifte of -naheffingsaanslag ongewijzigd in stand blijft, de pkv die uit toepassing van het Bpb volgt tot eentiende daarvan. Daarmee wil de wetgever het minder lonend maken om procedurele fouten uit te lokken en de procedure te traineren, en om door te procederen op procedurele gronden hoewel dat niet in het belang is van de belastingplichtige.75.De toelichting op dat punt ter zake van de WOZ76.geldt ook voor de bpm.77.Die toelichting vermeldt:
“Met het voorgestelde artikel 30a, tweede lid, Wet WOZ wordt een koppeling gemaakt tussen de hoogte van de proceskostenvergoeding en de grond waarop een belanghebbende in het gelijk wordt gesteld. Het criterium dat daarvoor wordt gehanteerd is dat het rechtsmiddel bij de bestuursrechter leidt tot vernietiging of wijziging van het bestreden besluit. Hiermee wordt gedoeld op gevallen die zouden leiden tot herroeping door het bestuursorgaan als zij zich in de bezwaarfase hadden voorgedaan. Dit heeft tot doel om gevallen af te bakenen waarin een belanghebbende op een inhoudelijk punt in het gelijk wordt gesteld. Alleen in een dergelijk geval wordt het op grond van het Bpb vastgestelde bedrag dat strekt tot de vergoeding van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vermenigvuldigd met 0,25.
In alle overige gevallen wordt het bedrag dat strekt tot vergoeding van de proceskosten
vermenigvuldigd met 0,10. Het gaat dan bijvoorbeeld om het geval dat het beroep uitsluitend
gegrond wordt verklaard wegens een formeel gebrek in de beslissing op bezwaar, al dan
niet in combinatie met toepassing van artikel 6:22 Awb of als de bestuursrechter de uitspraak
van de voorgaande rechter vernietigt zonder dat het bestreden besluit wordt vernietigd of
gewijzigd. De bestuursrechter kent in dat geval geen vergoeding toe voor de bezwaarfase,
omdat het bestreden besluit niet wordt herroepen. Deze categorie ziet daarnaast op gevallen
waarin de bestuursrechter uitsluitend een beslissing neemt ten aanzien van punten die niet
tot het inhoudelijke geschil behoren, zoals het toekennen van een vergoeding van
immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en het vaststellen van de vergoeding van proceskosten in de vorige instantie. Als een belanghebbende in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld op uitsluitend formele gronden terwijl het bestreden besluit door de rechtbank al is gewijzigd, is de wijziging van dat besluit niet het gevolg van de gegrondverklaring van het hoger beroep, waardoor in hoger beroep de lagere factor geldt.
Net als nu kan de bestuursrechter bij het constateren van een gebrek in de vorige instantie ook een proceskostenvergoeding voor die instantie toekennen als het niet onderkennen van dat gebrek ertoe heeft geleid dat in de vorige instantie geen of een te lage proceskostenvergoeding is toegekend. Indien bijvoorbeeld het beroep leidt tot vernietiging of wijziging van het bestreden besluit, kan de bestuursrechter de proceskostenvergoeding die in de beslissing op bezwaar had moeten worden toegekend alsnog toekennen (factor 0,25), en daarnaast een proceskosten-vergoeding toekennen voor beroep (factor 0,25).”
6.16
De nota naar aanleiding van het verslag78.licht toe dat met vernietiging of wijziging van het bestreden besluit wordt gedoeld:
“…op gevallen die zouden moeten leiden tot herroeping door het bestuursorgaan als zij zich in de bezwaarfase hadden voorgedaan. Met herroeping in de bezwaarfase wordt bedoeld dat een met het besluit beoogd rechtsgevolg wordt gewijzigd. Toegepast op de rechterlijke fase zal het in de regel moeten gaan om een verlaging van de WOZ-waarde of van de verschuldigde bpm door de bestuursrechter.”
6.17
De MvT geeft aan de term ‘bijzondere omstandigheden’ in de artt. 19a(1) en (2) (nieuw) Wet bpm en 30a(1) en (2) (nieuw) Wet WOZ dezelfde betekenis als aan dezelfde term in art. 2(3) Bpb (ik laat voetnoten weg):79.
“Op grond van artikel 2, derde lid, Bpb kan in bijzondere omstandigheden van de forfaitaire proceskostenvergoeding worden afgeweken. Als de voorgeschreven vergoeding onredelijk uitwerkt, biedt de hardheidsclausule aan het bestuursorgaan en de rechter ruimte om in individuele gevallen de hoogte van de vergoeding aan te passen, zowel omhoog als omlaag. De term «bijzondere omstandigheden» in het voorgestelde artikel 30a, eerste en tweede lid, Wet WOZ komt dezelfde betekenis toe als in artikel 2, derde lid, Bpb. Gelet op het doel van die hardheidsclausule wordt dat bedrag niet vermenigvuldigd met de in het voorstel genoemde factor. Dat zou namelijk tot ongewenste uitkomsten leiden. Stel, er wordt een integrale proceskostenvergoeding van € 10.000 toegekend omdat de gemeenteambtenaar tegen beter weten in heeft geprocedeerd. Zonder de afwijkingsmogelijkheid in artikel 30a, eerste en tweede lid, Wet WOZ, zou die vergoeding vervolgens moeten worden vermenigvuldigd met 0,25, waardoor slechts een vergoeding resteert van € 2.500, waardoor het doel – het toekennen van een integrale proceskostenvergoeding – niet wordt bereikt. Als sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, Bpb wordt de vergoeding daarom niet vermenigvuldigd met de in het voorgestelde artikel 30a, eerste en tweede lid, Wet WOZ genoemde factor.”
De NnavV licht nader toe:80.
“In het woord «bijzondere» ligt al besloten dat de uitzondering terughoudend moet worden
toegepast. Bij «bijzondere omstandigheden» kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie
waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid uitzonderlijk hoge
kosten heeft moeten maken voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal,81.of de
inspecteur of gemeenteambtenaar tegen beter weten in procedeert. Een lagere vergoeding is
bijvoorbeeld mogelijk als een belanghebbende uitsluitend op een zeer ondergeschikt punt in het
gelijk wordt gesteld, bijvoorbeeld bij een evidente (reken)fout in het bestreden besluit die
eenvoudig hersteld had kunnen worden als contact met het bestuursorgaan zou zijn
opgenomen.82.In principe kan het bestuursorgaan of de rechter zelf bepalen welke vergoeding
in bijzondere omstandigheden passend is. Het bestuursorgaan of de bestuursrechter kan in dat
geval een andere factor dan 0,25 (of 0,10 in de beroepsfase) toepassen of een afwijkend bedrag aan proceskostenvergoeding toekennen waarmee recht wordt gedaan aan die bijzondere omstandigheden.”
6.18
De MvT vermeldt dat het kabinet ook andere maatregelen heeft overwogen,83.zoals een lager vast bedrag per punt in WOZ- en bpm-zaken. Het kabinet heeft uiteindelijk gekozen voor toepassing van een vermenigvuldigingsfactor op de forfaitaire pkv ex het Bpb omdat dan de pkv in WOZ- en bpm-zaken automatisch meebeweegt met aanpassing van de pkv in het Bpb. Verder is welbewust gekozen voor een wet in formele zin en niet voor een AMvB, zodat beide kamers van het parlement zich er over konden uitspreken.
6.19
Naar aanleiding van uw in 5.2 hierboven geciteerde arrest HR BNB 2022/106 is de medewetgever uitgebreid ingegaan op de vraag of het wetsvoorstel verenigbaar is met het discriminatieverbod in het EVRM en het IVBPR. De MvT beantwoordt die vraag bevestigend omdat de wetgever (i) WOZ- en bpm-procedures niet vergelijkbaar acht met andere bestuursrechtelijke procedures en (ii) voor het geval dat anders zou zijn, er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het pkv-onderscheid tussen WOZ/bpm-procedures en andere procedures:84.
“Het kabinet is van mening dat WOZ- en bpm-procedures wezenlijk verschillen van de meeste andere bestuursrechtelijke procedures en dat daarom een onderscheid in de hoogte van vergoedingen is gerechtvaardigd. Voor wat betreft de WOZ en de bpm sluiten de huidige forfaitaire tarieven niet meer aan bij de oorspronkelijke bedoeling, namelijk een tegemoetkoming in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten.85.Het doel van dit wetsvoorstel is om de overcompensatie die er thans is bij zaken op het gebied van de WOZ en de bpm weg te nemen. Deze procedures verschillen wezenlijk wat betreft hun voorwerp, oorzaak en voornaamste kenmerken, onder meer in de grote hoeveelheid vergelijkbare zaken, de effecten op de proceshouding van gemachtigden, de gemiddelde tijdsinspanning die een bezwaar- of beroepsprocedure van een gemachtigde vergt, het gemiddeld genomen relatief geringe financiële belang en de veronderstelde spanning en frustratie die gepaard gaat met het wachten op een WOZ- of bpm-uitspraak.86.Dat blijkt onder meer uit het in paragraaf 3.1.1 aangehaalde rapport van het COELO. Daaruit volgt dat (i) de vergoedingen op basis van het Bpb voor wat betreft de WOZ niet aansluiten bij de inspanning die een bedrijf moet leveren om bezwaar te maken tegen de WOZ-waarde namens belanghebbenden en (ii) de vergoedingsstructuur op basis van het Bpb perverse financiële prikkels bevat, en daardoor gedrag beloont dat niet strookt met het algemeen belang. Ook verschillende gerechtelijke uitspraken onderschrijven deze observatie.87.Voor de bpm komt daar bij dat het om een aangiftebelasting gaat, zodat massaal tegen de eigen aangifte kan worden geprocedeerd.88.
Zelfs al zou worden aangenomen dat sprake is van gelijke gevallen, dan is er een objectieve
en redelijke rechtvaardiging voor het onderscheid dat dit wetsvoorstel met zich brengt. Een
andere aanpak voor WOZ- en bpm-zaken is gerechtvaardigd doordat in dit type zaken met
een relatief geringe tijdsinspanning per zaak en een relatief hoge kans op een gegrond
bezwaar of beroep een in verhouding hoge proceskostenvergoeding kan worden verkregen.
Dat komt onder meer doordat het bij dit type zaken mogelijk blijkt grotendeels
geautomatiseerd grieven toe te voegen aan bezwaarschriften. Als dat niet geautomatiseerd
gebeurt, dan wordt vaak gebruikgemaakt van standaardteksten die worden aangevuld met
zaakspecifieke kenmerken.89.De kans op een gegrond bezwaar of beroep is in WOZ- en
bpm-zaken relatief hoog door de onzekerheidsmarge die gepaard gaat met
waardevaststelling. Die overcompensatie heeft ertoe geleid dat er een financiële prikkel is
om (door) te procederen of om procedures te vertragen, als gevolg waarvan het
rechtssysteem overbelast is geraakt. Dat blijkt uit concrete signalen vanuit de Belastingdienst, gemeenten en de rechtspraak. Dat heeft tot gevolg dat ook belanghebbenden in andere zaken dan WOZ- en bpm-zaken langer op een uitspraak moeten wachten. Het onderhavige wetsvoorstel beoogt dat probleem aan te pakken. Dat rechtvaardigt dat in dit wetsvoorstel de forfaitaire proceskostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand
wordt verlaagd, een onderscheid wordt gemaakt tussen materieel gegronde beroepen en niet-materieel gegronde beroepen en de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn meer in lijn wordt gebracht met de veronderstelde spanning en frustratie die gepaard gaan met het wachten op een uitspraak in die procedures.”
6.20
Het wetsvoorstel is voor advies voorgelegd aan de Raad voor de Rechtspraak. De MvT vermeldt over diens advies:90.
“In het advies heeft de Raad voor de rechtspraak zijn waardering ervoor uitgesproken dat het kabinet met maatregelen komt. Het wetsvoorstel kan de instroom van WOZ- en bpm-zaken van «no cure no pay»-bureaus beperken, aldus de Raad voor de rechtspraak. Daarbij merkt hij op dat zijn verwachting is dat het aantal zaken niet zal dalen, of mogelijk zelfs verder zal stijgen, totdat de Hoge Raad oordeelt over hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel. Gezien de spoedbehandeling van dit wetsvoorstel is het niet ter internetconsultatie aangeboden.”
6.21
De nota naar aanleiding van het verslag vermeldt over deze onzekerheid die bestaat totdat u hom of kuit heeft gegeven:91.
“Mogelijk besluiten «no cure no pay»-bedrijven die uit zijn op een proceskostenvergoeding steeds in beroep, hoger beroep en cassatie te gaan, totdat de Hoge Raad zich over de maatregelen in dit wetsvoorstel heeft uitgesproken. Het kabinet ziet een dergelijke procedure met vertrouwen tegemoet. Mocht de Hoge Raad evenwel oordelen dat het met dit wetsvoorstel aangebrachte onderscheid onrechtmatig is, dan worden namelijk al die bezwaren en beroepen gegrond verklaard en ontvangen de bedrijven een dubbele proceskostenvergoeding. Eén voor de vorige fase waarin dit dan tot wet verheven wetsvoorstel is toegepast en één voor de fase waarin die beslissing wordt vernietigd. Er is aan de Hoge Raad geen advies gevraagd over de juridische houdbaarheid van dit wetsvoorstel. Bij de keuzes in de advisering door de president van de Hoge Raad en de procureur-generaal bij de Hoge Raad wordt in aanmerking genomen dat zij niet vooruit kunnen lopen op een toekomstige procedure bij de Hoge Raad over de uitleg en toepassing van bepalingen die zijn voorgesteld en mogelijk tot wet worden verheven.92.”
6.22
De Afdeling advisering van de Raad van State had begrip voor het ingrijpen op korte termijn, gezien de geconstateerde overbelasting en het vastlopen van de belastingrechtspraak. Zij adviseerde om de rechtvaardiging voor het onderscheid nader te onderbouwen omdat het voorstel een omslag teweeg zou brengen in het systeem van de bestuursrechtelijke pkv’s. Daarop heeft de regering als volgt gereageerd:93.
“Het kabinet meent overigens niet dat met het voorstel een omslag teweeg wordt gebracht in
het systeem van de bestuursrechtelijke proceskostenvergoedingen, zoals de Afdeling schetst.
De Afdeling wijst op het verschil tussen het huidige systeem waarbij een wegingsfactor dient te
worden toegepast gelet op de zwaarte van de zaak, en het voorstel waarbij een lage
wegingsfactor wordt verplicht. De wegingsfactor waarmee op grond van de zwaarte van de zaak
de hoogte van de proceskostenvergoeding mede wordt bepaald, blijft echter ook gelden als het
voorstel wordt aangenomen. De reden daarvoor is dat het kabinet heeft geconstateerd dat de
inspanningen die worden geleverd in het kader van procedures tegen een WOZ-beschikking,
bpm-aangifte of bpm-naheffingsaanslag dermate afwijken van een groot deel van het overige
bestuursrecht, dat een afwijking van de berekening van de vergoeding voor de kosten van door
een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is gerechtvaardigd. In het voorstel had ook
de waarde per punt kunnen worden verlaagd om hetzelfde doel te bereiken. Het kabinet heeft
daarvoor niet gekozen, zodat de hoogte van de vergoeding meebeweegt met een eventuele
aanpassing van de vergoeding in het Bpb. Dat laat onverlet dat binnen dit type zaken lichtere en zwaardere zaken bestaan.
Dat betekent dat de hoogte van de proceskostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor WOZ- en bpm-zaken wordt bepaald door (i) de punten per verrichte proceshandeling te vermenigvuldigen met (ii) de waarde per punt op grond van het
Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) (€ 296 voor bezwaar en € 837 voor beroep, hoger beroep en cassatie), (iii) de zwaarte van de zaak (variërend van «zeer licht» tot «zeer zwaar») en (iv) de in het voorstel genoemde factor van 0,25 of 0,10. Dat betekent dat bij een zaak waaraan het gewicht «gemiddeld» is toegekend voor de bezwaarfase een vergoeding kan worden toegekend van in totaal € 148 voor het indienen van een bezwaarschrift en voor het verschijnen bij de hoorzitting (2 punten x € 296 x wegingsfactor 1 x 0,25). Voor een beroepszaak met het gewicht «gemiddeld» is die vergoeding in totaal € 418,50 voor het indienen van een beroepschrift en voor het verschijnen ter zitting als de belanghebbende inhoudelijk in het gelijk wordt gesteld (2 punten x € 837 x wegingsfactor 1 x 0,25). Als de zwaarte van de zaak «zeer zwaar» is, bedraagt de vergoeding voor bezwaar € 296 (2 punten x € 296 x wegingsfactor 2 x 0,25) en voor beroep € 837 (2 punten x € 837 x wegingsfactor 2 x 0,25).”
6.23
Bij de behandeling in de Eerste Kamer vroeg de SGP-fractie of het misbruik van de pkv-regeling zodanig is dat de voorgestelde verlaging gerechtvaardigd is, dus of de verlaging proportioneel is. De staatssecretaris van Financiën antwoordde daarop als volgt:94.
“Het doel van de verlaging van de proceskostenvergoeding is om de financiële prikkel weg te nemen om namens een belanghebbende een bezwaarprocedure te starten of door te procederen met de overwegende reden om een proceskostenvergoeding te verkrijgen. Het wetsvoorstel strekt ertoe dat doel te bereiken door de overcompensatie weg te nemen die er op dit moment is bij het toekennen van vergoedingen van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van procedures tegen een WOZ-beschikking, bpm-aangifte, bpm-naheffingsaanslag of administratieve sanctie op grond van de Wahv. Daarmee wordt weer aangesloten bij de oorspronkelijke bedoeling van de regeling, namelijk om een tegemoetkoming te geven in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Het kabinet acht de verlaging van de hoogte van de proceskostenvergoeding daarom proportioneel. Daarbij benadrukt het kabinet dat als de voorgeschreven vergoeding onredelijk uitwerkt, in bijzondere omstandigheden door het bestuursorgaan en de rechter in individuele gevallen de hoogte van de vergoeding kan worden aangepast, zowel omhoog als omlaag.”
6.24
Ook de BBB-fractie stelde vragen over de proportionaliteit van de maatregelen. Zij vroeg onder meer waarom geen onderscheid kan worden gemaakt op basis van de kwaliteit van het bezwaarschrift om aldus de bureaus die volledig geautomatiseerd werken te scheiden van bureaus die inhoudelijk gemotiveerde bezwaarschriften indienen. De staatssecretaris antwoordde als volgt:95.
“Met de differentiatie in de hoogte van de vergoeding voor de beroepsfase, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen beroepen die gegrond zijn om inhoudelijke redenen (toepassing van de factor 0,25) en beroepen die gegrond zijn op louter formele gronden (toepassing van de factor 0,1), wordt in het voorstel reeds een onderscheid gemaakt in de hoogte van de vergoeding op inhoudelijke gronden. Voor de bezwaarfase geldt dit onderscheid niet en geldt bij een gegrond bezwaar altijd de factor 0,25, omdat alleen recht bestaat op een proceskostenvergoeding voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Of een bezwaarschrift kwalitatief hoogstaand is, vergt een subjectief oordeel en is daarmee naar het oordeel van het kabinet als zodanig geen werkbaar criterium.”
Op de vraag van de BBB-fractie of ook alternatieven zijn overwogen en waarom die minder
effectief werden geacht dan de voorgestelde maatregel, heeft de staatssecretaris als volgt geantwoord (ik laat voetnoten weg):96.
“In een brief van 23 maart 2023 is een plan van aanpak uiteengezet om de geconstateerde problematiek op het terrein van de WOZ en bpm aan te pakken. Dat plan van aanpak bestaat uit meerdere maatregelen, waaronder de (al dan niet in gewijzigde vorm) in het wetsvoorstel opgenomen maatregelen. Enkele aanvullende WOZ-maatregelen worden momenteel nog verder verkend. De Tweede Kamer wordt daarover (…) voor het einde van dit kalenderjaar nader geïnformeerd en ik zal uw Kamer daarvan een afschrift doen toekomen. Nadat het plan
van aanpak is gedeeld, zijn ook andere oplossingsrichtingen verkend, waarvan er één in gewijzigde vorm in het wetsvoorstel is geland; het toekennen van een lagere proceskostenvergoeding ingeval een beroep niet materieel gegrond is. De verschillende maatregelen ter verbetering van het WOZ-proces en ter aanpak van de «no cure no pay»-problematiek in de WOZ en bpm worden dus niet gezien als meer of minder effectief, maar eerder als mogelijke aanvulling op elkaar en ter oplossing van verschillende onderdelen van het probleem.
In onder andere paragraaf 3 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel worden de keuzes die zijn gemaakt bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel nader toegelicht. Zo is onder meer overwogen in het geheel geen vergoeding toe te kennen als het beroep op niet-inhoudelijke gronden gegrond wordt verklaard of om de vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af te schaffen. Van de overwogen alternatieven acht het kabinet het gekozen pakket het meest proportioneel, zodat voor het bestuursorgaan een prikkel blijft behouden om een juiste en tijdige beslissing te nemen.”
6.25
De staatssecretaris van Financiën heeft bij de behandeling in de Eerste Kamer nog opgemerkt dat de wet een kwalitatieve doelstelling heeft en niet per se een kwantitatieve:97.
“Aan het wetsvoorstel ligt dus een kwalitatieve doelstelling ten grondslag. Het doel van het wetsvoorstel is niet per se dat het aantal zaken omlaag gaat, maar dat de zaken waarin wordt geprocedeerd meer over de inhoud gaan. Er is dan ook geen kwantitatief doel gesteld. Gelet op het beeld dat er nu is van de zaken waarin wordt geprocedeerd, is de verwachting wel dat het aantal bezwaar- en beroepsprocedures zal dalen als een meer weloverwogen afweging zal worden gemaakt om te gaan procederen.”
6.26
De BBB-fractie in de Eerste Kamer vroeg verder of een lagere vergoeding bij procedurele uitvoeringsfouten dan in gevallen waarin het alleen over de WOZ-waarde gaat art. 1 Grondwet schendt en of het wetsvoorstel niet in strijd is met uw oordeel in HR BNB 2022/106 dat een lagere pkv voor WOZ- en bpm-zaken in strijd is met art. 1 Grondwet. De staatssecretaris antwoordde op de eerste vraag als volgt:98.
“Artikel 1 van de Grondwet bevat het discriminatieverbod, op grond waarvan gelijke gevallen
gelijk moeten worden behandeld, tenzij daarvoor een redelijke en objectieve rechtvaardiging
bestaat. De wetgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid bij het beantwoorden van de vraag
of sprake is van gelijke gevallen en, zo ja, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat
om die gevallen niettemin in verschillende zin te behandelen.99.Het kabinet meent dat
beroepsprocedures waarin een belanghebbende inhoudelijk in het gelijk wordt gesteld niet gelijk
zijn aan beroepsprocedures waarin een belanghebbende uitsluitend vanwege formele redenen
in het gelijk wordt gesteld. Voor zover al sprake is van gelijke gevallen bestaat voor de differentiatie in proceskostenvergoeding een redelijke en objectieve rechtvaardiging. Deze
differentiatie heeft namelijk tot oogmerk om te voorkomen dat procedurele foutjes worden uitgelokt, het proces wordt vertraagd zodat de redelijke termijn wordt overschreden en dat uitsluitend wordt doorgeprocedeerd op formele gronden terwijl dat niet in het belang is van belanghebbende. Verder leidt de huidige overcompensatie er mede toe dat uitvoerings- en rechterlijke organisaties dreigen vast te lopen, zodat burgers en ondernemers langer moeten wachten op de uitkomst in andere procedures. De wet maakt voor de bezwaarfase al een onderscheid tussen op inhoudelijke en op formele gronden geslaagde bezwaarprocedures,
doordat alleen recht op proceskostenvergoeding bestaat als het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (artikel 7:15, tweede lid,
van de Awb). Slaagt een bezwaarprocedure op louter formele gronden dan bestaat geen recht
op proceskostenvergoeding.”
Op de tweede vraag antwoordde de staatssecretaris:100.
“Uit het genoemde arrest volgt dat het in het Bpb gemaakte onderscheid onvoldoende onderbouwd is, zodat de Hoge Raad dit buiten toepassing laat. In het onderhavige wetsvoorstel
heeft het kabinet onderbouwd waarin WOZ- en bpm-procedures zich onderscheiden van andere procedures en, voor zover al sprake is van gelijke gevallen, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om te differentiëren in de hoogte van de proceskostenvergoeding wegens kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Bij amendement is de reikwijdte van dit wetsvoorstel uitgebreid tot Wahv-zaken.”
6.27
Naar aanleiding van uw arrest van 12 juli 2024 (zie 5.8 hierboven) heeft het kabinet aangekondigd het lagere tarief voor fiscale bezwaarzaken te schrappen uit het Bpb, zodat per 1 januari 2025 voor alle bestuursrechtelijke bezwaren dezelfde hogere puntwaarde zal gelden.101.De twee keer zo hoge puntwaarde102.in overige bestuursrechtelijke zaken zou aldus vanaf 1 januari 2025 ook gaan gelden in WOZ- en bpm-zaken. Daardoor zou de met de WHpkv ingevoerde verlaging van bezwaarkostenvergoedingen in WOZ- en bpm-zaken teniet worden gedaan. Het kabinet acht dat onwenselijk en heeft daarom bij nota van wijziging bij het Belastingplan 2025 voorgesteld de vermenigvuldigingsfactor voor bezwaarkostenvergoeding in WOZ- en bpm-zaken in art. 19a(1) Wet bpm en art. 30a(1) Wet WOZ vanaf 2025 te halveren van 0,25 naar 0,125:103.
“Gevolgen HR-arrest voor WOZ- en bpm-bezwaren
Het gevolg van het HR-arrest [van 12 juli 2024; PJW] is dat de waarde in bezwaar per punt voor overige bestuursrechtelijke zaken, dat thans dubbel zo hoog is, in beginsel ook wordt toegepast in belasting- en premiezaken. De Hoge Raad heeft zich in het HR-arrest niet uitgelaten over de toepassing van de factor voor WOZ- en bpm-bezwaren, zoals ingevoerd bij de Wet herwaardering pkv WOZ en bpm. Het HR-arrest betrof een geschil over de inkomstenbelasting. Wat daarvan ook zij, zorgt de hiervoor bedoelde wijziging van het Bpb per 1 januari 2025 ervoor dat een aanpassing van de factor in ieder geval aangewezen is om zo in de buurt te blijven van de hoogte van de pkv in WOZ- en bpm-bezwaarzaken die de wetgever voor ogen stond. Het
kabinet stelt daarom voor om de factor met ingang van 1 januari 2025 te halveren van 0,25 naar 0,15 [bedoeld zal zijn 0,125; PJW].
Gevolg wijziging Besluit proceskosten bestuursrecht voor pkv in WOZ- en bpm-bezwaarzaken
Zonder verlaging van de factor zou de hiervoor bedoelde aanpassing van het Bpb ertoe leiden dat de bestaande factor toegepast moet worden op een vergoeding die ruim twee keer zo hoog is. De vergoeding (bij 2 punten en een gemiddelde weging) zou dan uitkomen op € 312.104.
Deze aanzienlijke afwijking van de door de wetgever redelijk geachte pkv (bij 2 punten en een gemiddelde weging) van € 148 is niet beoogd door de wetgever en zou het effect van de Wet herwaardering pkv WOZ en bpm wat bezwaarzaken betreft grotendeels tenietdoen. Om die reden stelt het kabinet voor om de factor van 0,25 te verlagen naar 0,125 voor WOZ- en bpm-bezwaarzaken.105.Op deze manier blijft het effect van de Wet herwaardering in stand, doordat het bedrag van de vergoeding per saldo op een vergelijkbaar niveau blijft als bij de met Wet
herwaardering pkv WOZ en bpm is beoogd.106.
Geen aanpassing Wahv nodig
Het HR-arrest heeft geen gevolgen voor het administratief beroep in Wahv-zaken. Hier gold namelijk reeds de (hogere) puntwaarde voor overige zaken. Aanpassing van de factor van 0,25 is voor deze zaken daarom niet nodig.107.
Verhouding tot het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet
Bij de invoering van de Wet herwaardering pkv WOZ en bpm heeft het kabinet uitgebreid toegelicht dat het onderscheid in proceskostenvergoedingen voor WOZ-en bpm-zaken ten opzichte van overige zaken geen schending van het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet oplevert.108.Het HR-arrest doet niet af aan de argumenten die destijds zijn aangedragen.109.Overigens erkent ook de Hoge Raad dat in sterk toenemende mate belasting-procedures worden gevoerd over geschillen met een klein fiscaal belang, in de hoop en verwachting een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en een daaraan gekoppelde pkv te verkrijgen.110.
In opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum (WODC) heeft Pro Facto onderzoek gedaan naar ‘oneigenlijk gebruik’ van bestuursrechtelijke procedures met het oog op proceskostenvergoedingen. In het eerder dit jaar gepubliceerde onderzoeksrapport [zie onderdeel 8 hieronder; PJW] concluderen de onderzoekers dat ‘oneigenlijk gebruik’ van bestuursrechtelijke procedures met het oog op het verkrijgen van pkv in hoofdzaak voorkomt binnen de rechtsgebieden WOZ, bpm en Wahv.111.
De onderzoekers hebben buiten de hiervoor genoemde rechtsgebieden gezocht naar tekenen van de opkomst van bedrijven die op basis van no-cure-no-pay (ncnp) werken, maar die bleken er – afgezien van mogelijk de parkeerbelastingen – niet te zijn.112.Dit onderzoeksresultaat ondersteunt de stelling van het kabinet dat bezwaar- en beroepsprocedures in de WOZ, bpm en Wahv wezenlijk verschillen van procedures in andere bestuursrechtelijke rechtsgebieden.
Het kabinet blijft derhalve bij het standpunt dat WOZ- en bpm-procedures wezenlijk verschillen van andere bestuursrechtelijke procedures en dat daarom een onderscheid in de hoogte van vergoedingen is gerechtvaardigd.”
7. Rechtspraak
A. Toetsing van formele (belasting)wetten aan de volkenrechtelijke discriminatie-verboden
7.1
De nieuwe artikelen 19a Wet bpm en 30a Wet WOZ kunnen niet getoetst worden aan het gelijkheidsbeginsel in art. 1 Grondwet, gegeven de vigerende interpretatie van het toetsingsverbod in art. 120 Grondwet ter zake van formele wetgeving. Ik ga voorbij aan mijn gerede twijfel of de WHkpv überhaupt een mensenrechtelijke discriminatiekwestie produceert die beoordeeld kan worden door de belastingrechter (zie de onderdelen 9.8, 9.9 en 9.12 hieronder) en toets die bepalingen hieronder aan de discriminatieverboden in Protocol 12 EVRM en art. 26 IVBPR, waaraan een formele wet (wel) getoetst moet worden op basis van de artt. 93 en 94 Grondwet. Die artikelen stellen wettelijke bepalingen die rechtstreeks werkend internationaal recht schenden buiten toepassing.
7.2
De sprongcassatieprocedure HR BNB 2013/230113.betrof het 150-km-criterium dat op 1 januari 2012 in art. 10e(2)(b)(2) Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 werd ingevoerd als voorwaarde voor toepassing van de 30%-regeling in de loonbelasting. Volgens die regeling kan aan een ‘ingekomen werknemer’ zonder nader bewijs 30% van het (bruto)loon als onbelaste vergoeding voor ‘extraterritoriale kosten’ worden verstrekt. Die regeling beoogt de komst van schaarse buitenlandse kennis naar Nederland te vergemakkelijken. Het nieuwe criterium stelde als eis dat de werknemer in de 24 maanden vóór aanvang van de tewerkstelling in Nederland op meer dan 150 km afstand van de grens met Nederland woonde, om toegang tot de regeling uit te sluiten in gevallen waarin verondersteld kan worden dat de werknemer kan forenzen (grensarbeiders) en daarom geen of weinig extraterritoriale kosten heeft. Aldus moest de regeling ook concurrentieverstoring in de grensstreek tegengaan. De belanghebbende voldeed niet aan dit criterium maar wilde wel toegang tot de 30%-regeling omdat hij zich gediscrimineerd achtte, in strijd met (i) het vrije verkeer van werknemers ex art. 45 VWEU en (ii) art. 26 IVBPR, art. 14 EVRM en Protocol 12 EVRM. Mijn voormalig ambtgenoot Niessen concludeerde:114.
“6.5 De door de besluitgever aangebrachte wijziging (de 150 km-grens) in de voorwaarden van de 30%-regeling berust op de veronderstelling dat er in het algemeen gesproken een grotere kans op hogere kosten van die aard zal zijn naarmate de uit het buitenland afkomstige werknemer voordat hij in Nederland in dienst treedt, op een grotere afstand van de Nederlandse grens woont.
6.6.
Die veronderstelling berust op redelijke gronden. Naarmate de genoemde afstand groter is, is immers de kans groter dat de werknemer redelijkerwijs niet heen en weer kan reizen tussen woon- en werkplaats, ook niet alleen in de weekenden, en daarin aanleiding vindt om de woonplaats van hemzelf en zijn gezin te verleggen naar Nederland.
6.7
De besluitgever is niet gehouden om voor dergelijke redelijkerwijs voor eenieder aannemelijke feiten bewijs aan te dragen alvorens hij daarop een regeling baseert. Dat hij daarvoor een generieke regel stelt in plaats van een individuele, is niet van elke redelijkheid ontbloot. De wetgever hoeft ook niet voor elk bijzonder geval een regeling te treffen (HR 8 juli 1988, nr. 24 964, BNB 1988/302).
6.8
De keuze voor het criterium '150 km afstand van de grens met Nederland' is arbitrair en mogelijk niet in ieders ogen de beste keuze, maar niet zodanig onredelijk of disproportioneel dat de rechter daarin zou kunnen treden. Misschien moet anders worden geoordeeld voor zover het betreft werknemers die niet op het vasteland van Europa wonen, maar een dergelijk geval is nu niet aan de orde.
6.9
Opmerking verdient dat de keuze voor de afstand tussen de woonplaats voor indiensttreding en de werkplaats in Nederland als alternatief criterium eveneens bezwaren zou oproepen, te weten wegens de vergelijking met ingezetenen voor wie eveneens aanmerkelijke reisafstanden (tot circa 400 km) mogelijk zijn.
6.10
De keuze voor het genoemde criterium is klaarblijkelijk mede ingegeven door de wens de bewoners van de buitenlandse grensstreek zoveel mogelijk op dezelfde wijze te behandelen als de bewoners van de grensstreek aan Nederlandse zijde (vgl. onderdeel 4.9 en 4.12).
6.11
De wijziging van de onderhavige regeling is noch naar ratio noch naar tekst in strijd met de delegatie waarop zij berust (zie onderdeel 4.1).
6.12
De regeling brengt met zich dat onder meer werknemers uit België en Luxemburg niet en die uit bijvoorbeeld Beieren en Andalusië wel voor de faciliteit in aanmerking komen.
6.13
Dat wil echter niet zeggen dat sprake is van discriminatie in de zin van het verdragsrechtelijk gelijkheidsbeginsel of het vrije verkeer van werknemers. Het onderscheid naar afstand ten opzichte van de Nederlandse grens is immers niet alleen objectief en redelijk maar vormt ook een onderscheid waarin de bedoelde groepen werknemers in het licht van de doelstelling van de regeling niet aan elkaar gelijk zijn (vgl. onderdeel 5.7).
6.14
Van enige discriminatie in verdragsrechtelijke zin is derhalve geen sprake.”
7.3
Ook u verwierp het beroep op art. 26 IVBPR, art. 14 EVRM en Protocol 12 EVRM omdat de afweging van de wetgever niet van elke redelijke grond ontbloot was (het criterium van het EHRM in sociaal-economische zaken: (not) devoid of reasonable foundation; een soort willekeurtoets):
“3.12.1. Bij de beoordeling van dat middel moet worden vooropgesteld dat artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM, evenals artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Hierbij verdient
opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. EHRM 22 juni 1999, nr. 46 757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (EHRM 10 juni 2003, nr. 27 793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2).
3.12.2.
Het hiervoor in 3.8 vermelde doel van de onderhavige regeling kan voor de toepassing van de in 3.12.1 bedoelde verdragsbepalingen worden aanvaard als een legitiem doel. De wijze waarop de wetgever door het stellen van het 150-kilometercriterium in het Uitvoeringsbesluit dit doel heeft willen bereiken, heeft weliswaar een enigszins grof karakter, maar blijft binnen de hiervoor in 3.12.1 bedoelde ruime beoordelingsmarge. Gezien de nadelen die verbonden zijn aan alternatieve mogelijkheden om ditzelfde doel te bereiken (zie hiervoor onder 3.10) kan niet worden gezegd dat de keuze van de wetgever voor het 150-kilometercriterium van redelijke grond ontbloot is.
3.12.3.
Het tweede middel faalt daarom.”
7.4
Voor het beroep op art. 45 VwEU achtte u prejudiciële vragen aan het HvJ EU noodzakelijk. U hield dat Hof ter zake van diens proportionaliteitstoets de margin of appreciation voor die het EHRM de staten laat en vroeg naar de verhouding van die proportionaliteitstoets en ‘grove’ wetgeving waarvan de grofheid ingegeven kan zijn door uitvoerbaarheidseisen:
“3.10.1. Het lijdt geen twijfel dat het 150-kilometercriterium geschikt is om het hiervoor in 3.8.3 vermelde doel te bereiken. Die grens leidt ertoe dat de 30%-regeling niet meer van toepassing is in bepaalde gevallen waarin kan worden aangenomen dat geen sprake is van noemenswaardige extraterritoriale kosten, omdat de werknemer gemakkelijk tussen zijn woonplaats en de plaats van werkzaamheden in Nederland op en neer kan reizen.
3.10.2.
De wijze waarop dit doel wordt bereikt, door het stellen van een algemeen 150-kilometercriterium, roept wel de vraag op of de wetgever hiermee niet verder is gegaan dan noodzakelijk is. Door dit criterium, zonder rekening te houden met de afstand tot de plaats van de werkzaamheden, worden immers ook werknemers van toepassing van de 30%-regeling uitgesloten die in redelijkheid niet dagelijks op en neer kunnen reizen tussen hun buitenlandse woonplaats en de plaats van hun werkzaamheden in Nederland, en die daardoor geconfronteerd zullen worden met noemenswaardige extraterritoriale kosten, evenals werknemers die meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens wonen (zie hiervoor onder 3.6.7).
3.10.3.
De door de Rechtbank ter rechtvaardiging aangevoerde omstandigheid dat werknemers als belanghebbende een onbelaste vergoeding kunnen krijgen voor hun werkelijke (aantoonbare) extraterritoriale kosten, neemt niet weg dat voor werknemers als belanghebbende sprake kan zijn van een nadeel ten opzichte van ingekomen werknemers die meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens wonen (zie hiervoor onder 3.3.7 en 3.3.8).
3.10.4.
De rechtspraak van het HvJ maakt niet duidelijk welke maatstaven hebben te gelden bij beoordeling van de proportionaliteit van een maatregel die een (indirect) onderscheid maakt naar nationaliteit of anderszins het vrije verkeer belemmert met een gerechtvaardigd doel, en daartoe een algemeen geformuleerd, eenvoudig uitvoerbaar criterium hanteert waardoor die onderscheidende of belemmerende regeling ook van toepassing is in gevallen waarin dat niet strikt noodzakelijk is indien enkel wordt gelet op de verwezenlijking van het daarmee beoogde doel. Het ligt naar het oordeel van de Hoge Raad voor de hand dat de rechter een dergelijke regeling, die gebaseerd is op een algemeen geformuleerd criterium, niet reeds buiten
toepassing dient te laten zodra er enkele gevallen zijn waarin zij iemand treft (in dit geval door hem een fiscaal voordeel te onthouden) hoewel de achterliggende gedachte van de regeling daartoe in die gevallen geen aanleiding geeft. Het is immers eigen aan wetgeving dat daarin algemeen toepasbare criteria worden geformuleerd. Aldus komt aan de wetgever van een lidstaat op dit punt een zekere beoordelingsmarge toe; het EHRM gunt de verdragsluitende staten ook een “margin of appreciation” bij de beoordeling of een onderscheid gerechtvaardigd is (zie punt 3.12.1 hierna [hierboven geciteerd; PJW]). Uit de rechtspraak van het HvJ valt echter niet af te leiden welke mate van grofheid hierbij kan worden aanvaard. Kan grofheid van het onderscheidende criterium ook worden aanvaard indien in een aanmerkelijk deel of zelfs in de meerderheid van de gevallen die daardoor getroffen worden, de achterliggende gedachte van
de regeling daartoe geen aanleiding geeft? Of kan aan de wetgever een nog verder gaande beoordelingsmarge worden gegund, zoals de Rechtbank heeft gedaan door als maatstaf te hanteren of het onderscheidende criterium (in dit geval het 150-kilometercriterium) op volstrekt willekeurige gronden berust? Speelt daarbij alleen een rol in welk percentage van de gevallen het onderscheidende criterium haar doel voorbij schiet, of dienen ook andere factoren mee te wegen, zoals de uitvoerbaarheid van de regeling?
3.10.5.
Ten aanzien van het 150-kilometercriterium moet in dit verband worden opgemerkt dat in dit geding tot dusverre geen feitelijke gegevens zijn aangevoerd waaruit blijkt hoeveel werknemers daardoor van de 30%-regeling worden uitgesloten hoewel zij daadwerkelijk noemenswaardige extraterritoriale kosten moeten maken (zie punt 3.6.7 hiervoor).
3.10.6.
Verder zou met betrekking tot dit criterium een rol kunnen spelen dat keuze voor een afstand van minder dan 150 kilometer tot de Nederlandse grens, bijvoorbeeld een afstand van 100 kilometer, tot gevolg zou hebben dat er meer gevallen zullen zijn waarin de 30%-regeling kan worden toegepast hoewel die regeling daarvoor naar haar oorspronkelijke, hiervoor in 3.8.2 vermelde, strekking niet is bedoeld.
3.10.7.
Ook rijst de vraag of de wetgever had kunnen en moeten volstaan met een regeling die het vrije verkeer minder belemmert, door aan te knopen bij de afstand tussen de woonplaats en de plaats van de werkzaamheden in Nederland. De Staatssecretaris heeft er in zijn verweerschrift op gewezen dat een dergelijk criterium moeilijker is toe te passen en aanleiding kan geven tot geschillen (zie ook punt 3.3.10 hiervoor). Daarom rechtvaardigen (ook) doelmatigheids-overwegingen volgens de Staatssecretaris de keuze voor het eenvoudiger toe te passen criterium van de afstand tussen de woonplaats en de Nederlandse grens.
(…).”
U vroeg het HvJ daarom onder meer of het 150-kilometercriterium in de 30%-regeling verder ging dan noodzakelijk om het daarmee beoogde doel te bereiken.
7.5
Ik maak uit dit arrest op dat u bij de toets van formele wetgeving aan het EVRM-discriminatieverbod – anders dan bij de toets van lagere regelgeving aan art. 1 Grondwet in BNB 2022/106 (zie 5.2 hierboven) – zeer weinig eisen stelt aan het realiteitsgehalte van de veronderstelling waarop de formele wetgever het onderscheidende criterium (in casu: 150 km van de grens) baseert, namelijk de veronderstelling dat de ‘extraterritoriale kosten’ significant lager zijn of niet bestaan als de belastingplichtige minder dan 150 km van de grens woont omdat hij in dat geval forenst.
7.6
Ik merk op dat het niet eens om formele wetgeving ging: het 150-km-criterium stond niet in een formele wet, maar in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting, een Amvb op basis van art. 31a(2)(e) Wet LB 1964 (tekst 2012). In het licht daarvan is het contrast tussen uw uiterst terughoudende toetsing van die Amvb aan het EVRM (niet van redelijke grond ontbloot) en uw strenge toetsing van het Bpb (eveneens een Amvb) aan art. 1 Grondwet in de zaak HR BNB 2022/106 (zie 5.2 hierboven) opmerkelijk. Dat u toch de formele-wet-toets aanlegde in de 150-km-zaak, wordt mogelijk verklaard door de achtergrond van het 150-km-criterium:115.de Tweede Kamer verzocht de staatssecretaris van Financiën in 2011 om aanscherping van de 30%-regeling, onder meer door grensarbeiders uit te sluiten. De aanscherping was bovendien bij de behandeling van het Belastingplan 2012 met de Staten-Generaal besproken, waarbij ook een concept van de uitwerking in het Uitvoeringsbesluit LB 1965 aan de Tweede Kamer was gezonden. En de 30%-regeling zelf is wél neergelegd in een formele wet.
7.7
Op 24 februari 2015 heeft het HvJ uw prejudiciële vragen beantwoord.116.Dat limieten worden gesteld voor de afstand tot de woonplaats van werknemers en voor de hoogte van de vrijstelling, leidt volgens dat antwoord op zichzelf niet tot een belemmering van het vrije werknemersverkeer, ook niet als die limieten een zekere grofheid hebben (r.o. 34). Maar dat is anders als een forfaitaire regeling systematisch leidt tot een duidelijke overcompensatie van de werkelijke extraterritoriale kosten van kwalificerende werknemers, hetgeen de verwijzende rechter moest nagaan (r.o. 35); u dus. Maar dat is nogal lastig voor een cassatierechter die niet over feiten gaat. Daar paste u een mouw aan in uw eindbeslissing117.door ’s Hofs antwoord op te vatten als inhoudende (r.o. 2.2):
“… dat bij de beoordeling van de mogelijke strijdigheid van de 30%-regeling met artikel 45 VWEU niet beslissend is dat in individuele gevallen sprake zou kunnen zijn van duidelijke en structurele overcompensatie. Beslissend is of de 30%-regeling systematisch tot gevolg heeft dat werknemers duidelijk worden overgecompenseerd.”
7.8
U beantwoordde die vraag vervolgens zonder verwijzing naar de feitenrechter ontkennend op basis van uw uit de parlementaire geschiedenis getrokken conclusies dat een zeker empirisch onderzoek(je) was gedaan en dat toch getracht was om de vrijstelling te laten aansluiten bij de werkelijke kosten:
“2.3. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de 30%-regeling (…) volgt dat de wetgever aan deze regeling ten grondslag heeft gelegd de bevinding dat de kosten die worden opgeroepen door uitoefening van een dienstbetrekking na uitzending naar Nederland, aanmerkelijk hoger zijn dan die welke worden veroorzaakt door een dienstbetrekking hier te lande, uitgeoefend door een hier te lande woonachtige werknemer. Op basis van een enquête onder ondernemingen die het meest gebruik plegen te maken van naar Nederland uitgezonden werknemers is voorts geconcludeerd dat deze extra kosten 35 percent van het loon benaderden (…). Bij Besluit van 20 december 2000, Stb. 2000, 640, is het forfaitaire percentage verlaagd tot 30 percent omdat, volgens de toelichting op dat besluit, dit percentage in veel gevallen voldoende bleek te zijn. Met ingang van 1 januari 2012 is de 30%-regeling beperkt door introductie van de 150 kilometer-grens omdat werknemers die voorafgaand aan de tewerkstelling in Nederland binnen 150 kilometer van de grens wonen in de regel in beperktere mate zullen worden geconfronteerd met extraterritoriale kosten verbonden aan het werken in Nederland, bijvoorbeeld doordat zij niet verhuizen maar forenzen (…). Uit dit een en ander moet worden afgeleid dat aan de vaststelling van de limieten van de 30%-regeling feitelijk onderzoek ten grondslag is gelegd, dat deze limieten betrekkelijk recent zijn vastgesteld, dat de regeling enige malen is heroverwogen en dat daarbij is getracht om de vrijstelling te laten aansluiten bij de werkelijke extraterritoriale kosten.
Uit het door de Advocaat-Generaal uitgevoerde onderzoek blijkt niet dat de 30%-regeling in de praktijk systematisch aanleiding geeft tot een duidelijke overcompensatie van de werkelijk gemaakte extraterritoriale kosten (zie onderdeel 11 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).
Voorts verdient opmerking dat de overwegingen van het HvJ over systematische overcompensatie slechts zien op die ingekomen werknemers die voordien meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens woonden. Aangenomen mag worden dat die werknemers in het algemeen meer extraterritoriale kosten hebben dan andere ingekomen werknemers en dat bij hen dus minder snel sprake zal zijn van duidelijke overcompensatie dan bij de gehele populatie van ingekomen werknemers waarop de wetgever het oog had toen de limiet voor de vrijstelling werd gesteld op 30 percent van het desbetreffende loon.
Weliswaar laat zich denken dat het hanteren van een vast percentage van het loon bij (zeer) hoge beloningen tot overcompensatie zal leiden, doch dat betekent niet dat de regeling
systematisch tot een duidelijke overcompensatie leidt.
Op basis van deze overwegingen kan niet worden geoordeeld dat de vrijstelling voor kostenvergoedingen, zoals voorzien in de 30%-regeling, systematisch leidt tot een duidelijke overcompensatie van de werkelijk gemaakte extraterritoriale kosten.”
7.9
Ook voor de EU-rechtelijke discriminatietoets achtte u het dus niet nodig dat de aan het onderscheid ten grondslag liggende veronderstellingen van de wetgever betekenisvol op hun realiteitsgehalte worden getoetst. Het door u genoemde ‘feitelijk onderzoek’ bestond immers slechts uit de wensen van de meest belanghebbenden bij de regeling. Gegeven dat de opdracht van het HvJ meebracht dat u niet slechts het 150-km-criterium, maar de hele regeling op haar proportionaliteit moest toetsen, dus de formele wet aan het EU-rechtelijke discriminatieverbod moest toetsen, gaf u aldus de formele wetgever ook bij de EU-rechtelijke discriminatietoets veel meer ruimte dan de lagere wetgever. In HR BNB 2022/106 zette u de met een enquête onder belanghebbenden vergelijkbare wensen en zorgen vanuit de gemeenten, de VNG en de belastingdienst immers weg als onvoldoende onderbouwing van het realiteitsgehalte van de door die gremia geuite ‘klachten en vrees’ over/voor parasitaire verdienmodellen die de ambtelijke en rechterlijke dienstverlening jegens serieuze rechtszoekenden frustreerden.
7.10
Meussen uitte in BNB 2016/152 kritiek op het ontbreken van onafhankelijk onderzoek naar de aan de 30%-regeling ten grondslag liggende veronderstellingen. Hij wees op een kritisch rapport van de rekenkamer uit 2016 (de effectiviteit van de regeling was onduidelijk; de hoogte van de onbelaste vergoeding is nooit goed onderbouwd; onduidelijk was of de maatregelen om de uitgaven omlaag te brengen effectief waren; de informering van de Tweede Kamer liet te wensen over) en op een publicatie in NRC Handelsblad van 31 mei 2016 die vermeldde dat 52.000 werknemers gebruik maakten van de regeling, die jaarlijks € 700 miljoen belastinggeld kostte waarvan iets meer dan een kwart ging naar een kleine groep expats met een inkomen boven € 200.000 per jaar en dat veel expats na afloop van de regeling (maximaal acht jaar) weer uit Nederland vertrokken. Hij zag daarin aanwijzingen voor een duidelijke systematische overcompensatie.
7.11
In de zaak HR BNB 2014/30118.was u nóg minder kritisch op niet-onderbouwde stellingen van de formele wetgever. Die zaak betrof de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet (SW), die verkrijging van ‘ondernemingsvermogen’ vrijstelt. Aanvankelijk bestond een – veel meer voor de hand liggende119.- betalingsregeling voor de liquiditeitsproblemen die kunnen ontstaan door erf- of schenkbelasting bij schenking of vererving van ondernemingsvermogen, maar die was vervangen door een minder voor de hand liggende grondslagvrijstelling die - nog minder voor de hand liggend - steeds verder verhoogd werd en daardoor op den duur geen enkel verband meer hield met enig liquiditeitsproblemen. De belanghebbende in die zaak had ander vermogen geërfd dan ‘ondernemingsvermogen’, maar wilde uiteraard dezelfde enorme vrijstelling als verkrijgers van ‘ondernemingsvermogen’. Hij beriep zich op het discriminatieverbod in art. 26 IVBPR en art. 14 EVRM jo. art. 1 Protocol I EVRM. U zette eerst het bekende toetsingskader uiteen (r.o. 3.3.1):
“Artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM, in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij
het EVRM, verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, doch alleen die
welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve
rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Dit betekent dat alleen sprake is van discriminatie indien het
gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke
verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde
gerechtvaardigde doel (zie EHRM 29 april 2008, Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, no.
13378/05, EHRC 2008/80, paragraaf 60). Hierbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan
de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van
de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten
worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke
rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. onder
meer EHRM 22 juni 1999, no. 46757/99, Della Ciaja en anderen tegen Italië, BNB 2002/398),
en het zojuist genoemde arrest van het EHRM in de zaak Burden, paragraaf 60). Indien het niet
gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht,
ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd,
tenzij het van redelijke grond ontbloot is (vgl. onder meer EHRM 12 april 2006, Stec en anderen
tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 65731/01, RSV 2007/44, paragraaf 52, en EHRM 4
november 2008, Carson en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 42184/05, paragrafen 73 en 80). Dit laatste kan niet snel worden aangenomen. Het onderscheid moet van dien aard zijn dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is (“manifestly without reasonable foundation”, zie EHRM 7 juli 2011, Stummer tegen Oostenrijk, no. 37452/02, paragraaf 89, met verdere verwijzingen).”
7.12
Verschil in behandeling tussen verkrijging van ondernemingsvermogen en niet-ondernemingsvermogen behoeft uiteraard rechtvaardiging omdat beide verkrijgingen gelijk zijn in het licht van het doel van de heffing van schenkings- en successierecht (r.o. 3.3.2). Uit de wetsgeschiedenis volgde dat de wetgever de faciliteit had gecreëerd ‘onder meer’ omdat de heffing van successie- en schenkingsrecht bij verkrijging van ondernemingsvermogen liquiditeitsproblemen kan oproepen die de continuïteit van ondernemingen in gevaar kan brengen. De faciliteit zou die continuïteit kunnen bevorderen, met name bij familiebedrijven, wat weer zou kunnen bijdragen aan werkgelegenheid, economische diversiteit en stabiliteit. Ook zou de faciliteit ondernemerschap kunnen stimuleren. U achtte deze gestelde doelen gerechtvaardigd (r.o. 3.3.8). Dat moge zo zijn, maar beoordeeld had moeten worden of de maatregel geschikt is om die gestelde doelen te bereiken. Dat een enorme vrijstelling voor de verkrijging en handhaving van een 5%-aandelenbezit ondernemerschap zou stimuleren in voldoende mate om de vergaand ongelijke behandeling van verkrijgers van niet-ondernemingsvermogen te kunnen rechtvaardigen, lijkt uiterst onwaarschijnlijk; gestimuleerd worden eerder belastingvrij schenken en voorspelbaar oneigenlijk gebruik. U ging alleen in op de enge proportionaliteitstoets. Op dat punt betoogde de belanghebbende dat de voortdurende verhoging van het vrijstellingspercentage niet steunde op enig gedegen onderzoek naar de noodzaak ervan. U oordeelde:
“3.3.10. In de hiervoor (…) vermelde wetsgeschiedenis is enkele malen verwezen naar uitgebrachte rapporten, waarin op verhoging van de vrijstellingspercentages werd aangedrongen omdat de bestaande faciliteit niet als toereikend werd ervaren. Voor zover het bedoelde betoog inhoudt dat het onderscheid niet op onderzoek berust, faalt het daarom.
3.3.11.
De bedoelde rapporten bevatten weliswaar signalen en wensen uit de praktijk, maar daaruit blijkt niet van een gedegen empirisch onderzoek naar de omvang van de gestelde problemen. Die rapporten en de andere argumenten van de wetgever geven evenmin duidelijke aanwijzingen waarom juist een verhoging van het vrijstellingspercentage die problemen zou oplossen. Uit dit een en ander volgt evenwel niet dat de faciliteit zoals deze in het onderhavige jaar gold, van redelijke grond is ontbloot. Het verbod van discriminatie gaat niet zo ver dat een maatregel die met het oog op een in de praktijk ervaren probleem onderscheid maakt tussen gelijke of in relevante opzichten vergelijkbare gevallen, slechts toelaatbaar is indien het bestaan en de omvang van dat probleem en de effectiviteit van de gekozen oplossing empirisch zijn vastgesteld. Gelet op de hem toekomende beoordelingsvrijheid mag de fiscale wetgever een dergelijk onderscheid ook baseren op veronderstellingen omtrent het probleem en de effectiviteit van de daarvoor gekozen oplossing, tenzij deze veronderstellingen zo weinig voor de hand liggen dat het evident onredelijk is ze aan het onderscheid ten grondslag te leggen (vgl. HR 7 juni 2000, nr. 34793, ECLI:NL:HR:2000:AA6124, BNB 2000/374).
3.3.12.
Met de onderhavige faciliteit heeft de wetgever een oplossing willen bieden voor in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij bedrijfsopvolgingen. Voor zover de wetgever zich daarbij heeft gebaseerd op veronderstellingen omtrent de noodzaak en de doelmatigheid van de te treffen maatregelen, kan niet worden gezegd dat die veronderstellingen zo weinig voor de hand
liggen dat zij evident onredelijk zijn. Er zijn aanwijzingen dat in een aanzienlijk deel van de gevallen waarin de faciliteit van toepassing is, geen sprake is van liquiditeitsproblemen. Daarmee is echter niet gezegd dat de wetgever niet kon uitgaan van de veronderstelling dat zich bij vererving en schenking van ondernemingsvermogen zonder de onderhavige faciliteit in
een aanzienlijk aantal gevallen een belemmering zou voordoen voor ongewijzigde voortzetting van de economische bedrijvigheid binnen de kring van de schenker of de erflater. Ook anderszins bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat die veronderstelling evident onredelijk is. De wetgever heeft er mede uit overwegingen van uitvoerbaarheid voor gekozen om daarvoor een generieke maatregel te treffen in de vorm van de onderhavige faciliteit. Dat de
faciliteit een bijdrage levert aan de oplossing van de bedoelde liquiditeitsproblemen, in de gevallen waarin zij zich voordoen, en daarmee de beoogde voortzetting van ondernemings-activiteiten bevordert, kan niet worden ontkend. De faciliteit is bovendien niet uitsluitend daarvoor bedoeld, maar heeft mede tot doel het ondernemerschap meer in het algemeen te stimuleren.”
De ook door u vastgestelde duidelijke overinclusiveness van deze vrijstelling – die daarmee een fiscaal privilege inhoudt – achtte u daarom geen discriminatie van de verkrijgers van niet-ondernemingsvermogen, ook niet ten opzichte van het ‘aanzienlijke’ aantal wél vrijgestelde verkrijgers die geen of een veel kleiner liquiditeitsprobleem hadden, omdat volgens u ‘niet ontkend kan worden’ dat de maatregel wel ‘een bijdrage levert’ aan vermijding van liquiditeitsproblemen (ik merk op dat dat bij geen enkele vrijstelling, teruggaaf of vermindering van belasting ‘ontkend kan worden’) en ‘mede tot doel had’ ondernemerschap te stimuleren. Aan die laatste bewering van de wetgever (dat de vrijstelling bij overlijden of schenken in enige significante mate ‘ondernemerschap’ zou stimuleren) lag überhaupt geen spoor van enig ‘onderzoek’ ten grondslag. Wat de rechtvaardiging wegens liquiditeitsproblemen betreft, verwees u slechts naar de parlementaire geschiedenis, die slechts verwees naar ‘uitgebrachte rapporten’ met ‘signalen en wensen uit de praktijk’, die ‘aandringen’ op verhoging van de vrijstelling. Ik maak hieruit op dat de klacht van de belastingplichtige dat het onderscheid niet op enig gedegen onderzoek berustte, gegrond was.
7.13
Omdat het om een fiscaal privilege gaat, breidde u dat privilege terecht niet uit tot alle niet-geprivilegieerden, maar wat mijns inziens ontbrak, was de aanzegging dat fiscale privileges beëindigd moeten worden door de vanuit liquiditeitsprobleem-oogpunt evidente en ongerechtvaardigde overinclusiveness (= disproportionaliteit) te beëindigen, en dat als de wetgever de enorme vrijstelling toch zou willen handhaven vanwege haar beweerdelijke ondernemerschapstimulerende kwaliteiten, hij daaraan minstens enige onderbouwing ten grondslag zou moeten leggen die de rechter in staat zou stellen om de geschiktheid en proportionaliteit van de vrijstelling voor c.q. in verhouding tot dat gestelde doel te beoordelen. U vergelijke uw arrest van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 (zie 5.8 e.v. hierboven): “Aangezien de mogelijkheid niet valt uit te sluiten dat de hier omstreden regeling (…) in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet, is het naar het oordeel van de Hoge Raad aangewezen dat de rechter die bepaling bij gebreke van een toetsbare motivering buiten toepassing laat”.120.
7.14
Pauwels121.zag in uw overwegingen over de (dis)proportionaliteit van de vrijstelling geen antwoord op de vragen of een minder vergaande maatregel dan de ruimhartige vrijstelling mogelijk was geweest en of de maatregel wel redelijk is bezien vanuit de vergelijking tussen degenen die ondernemingsvermogen verkrijgen en degenen die privévermogen verkrijgen.
7.15
In HR BNB 2010/3122.veronderstelde u veronderstellingen van de wetgever over misbruik. De wetgever had geen bepaalde reden gegeven voor een onderscheid in aftrekbaarheid van de afkoop van alimentatieverplichtingen in de Wet IB 1964 tussen enerzijds ex-gehuwden en ex-geregistreerde partners en anderzijds andere ex-samenwonende partners. De staatssecretaris stelde in cassatie dat zijns inziens de achtergrond van het onderscheid moest zijn de vrees van de wetgever voor misbruik en dat die vrees het onderscheid rechtvaardigde. Het Hof had dat verschil als discriminatoir aangemerkt en had daarom de afkoopsom van f 100.000 die de belanghebbende zijn ex-partner moest betalen in aftrek toegelaten hoewel zij noch echtgenoten, noch geregistreerde partners waren geweest.123.U overwoog op het cassatieberoep van de staatssecretaris:
“3.3.1. Uit de ontstaansgeschiedenis van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 blijkt dat de wetgever bij wijze van uitzondering op het systeem van de wet een voorziening heeft getroffen, die de afkoopsommen van (alleen) echtscheidingsuitkeringen aftrekbaar stelt (vgl. Kamerstukken II 1963/64, 5380, nr. 33, blz. 32, rk.). Inmiddels heeft de wetgever deze uitzondering verruimd: ingevolge het bepaalde in artikel 2, lid 5, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst 2000) zijn bepalingen van de belastingwet die rechtsgevolgen verbinden aan het aangaan, het bestaan, de beëindiging of het beëindigd zijn van een huwelijk van overeenkomstige toepassing op het aangaan, het bestaan, de beëindiging onderscheidenlijk het beëindigd zijn van een geregistreerd partnerschap. Een afkoopsom van een alimentatieverplichting, betaald aan de gewezen geregistreerde partner is derhalve eveneens aftrekbaar (sinds 1 januari 1998, …).
3.3.2.
Gelet op de gevallen waartoe de toegestane uitzondering beperkt is gehouden, moet worden aangenomen dat de wetgever de aftrekmogelijkheid heeft willen beperken tot gevallen waarin aan vormvoorschriften moet worden voldaan, zodat manipulatie minder waarschijnlijk is.
(…).
3.5.
In zijn in het beroepschrift aangehaalde brief van 27 november 1996 heeft de Staatssecretaris, ter rechtvaardiging van het verschil in behandeling, onder meer gewezen op het "vormvoorschrift" dat wel geldt voor de leefvorm van het huwelijk (en van het eveneens in de brief genoemde, toen nog aanstaande geregistreerd partnerschap), maar niet voor de leefvorm van ongehuwd (en ongeregistreerd) samenwonen. Hiermee is kennelijk bedoeld dat minder waarschijnlijk is dat degenen die hun samenwoning formaliseren door huwelijkssluiting, onderscheidenlijk partnerschapsregistratie - met alle gevolgen die de wet daaraan verbindt - achtereenvolgens die formele relatie beëindigen, een alimentatie overeenkomen, die alimentatie afkopen, om vervolgens de samenwoning te hervatten; een reeks van handelingen die de Staatssecretaris, blijkens het slot van zijn vermelde brief, in de verhouding tussen ongehuwde (en ongeregistreerd) samenwonenden niet denkbeeldig acht, en aanmerkt als (fiscaal)
ongewenste inkomensoverdracht.
3.6.
Niet kan worden gezegd dat dit motief voor handhaving van het verschil in behandeling, dat aansluit bij het in 3.3.2 genoemde kennelijke argument voor een beperkte uitzondering, van redelijke grond ontbloot is. De door de wetgever gemaakte keuze daarvoor dient derhalve te worden geëerbiedigd.”
U aanvaardde aldus als niet van redelijke grond ontbloot de veronderstelde veronderstelling van misbruikrisico als rechtvaardiging voor het verschil in behandeling.
Uit het arrest blijkt niet aan welk discriminatieverbod u toetste, maar gegeven de toetsingsintensiteit (‘niet van redelijke grond ontbloot’) en gegeven dat de aftrekbepaling in een formele wet stond, moet verondersteld worden dat u toetste aan de discriminatieverboden in het EVRM en IVBPR.
7.16
Van Roij (FED 2009/41) achtte de discriminatoire gevolgen van de veronderstelling van veronderstelde vrees voor misbruik onevenredig omdat haars inziens die veronderstelde vrees ongegrond was en het discriminatoire onderscheid dan geen zinvol doel diende (ik laat voetnoten weg):
“Zelfs ervan uitgaande dat de rechter de grootst mogelijke terughoudendheid moest betrachten
omdat alleen ingeval van willekeur het beroep van belanghebbende kans van slagen zou
hebben, kan de door de Hoge Raad geaccepteerde rechtvaardigingsgrond het oordeel hier niet
dragen. Het verschil in behandeling ten aanzien van de aftrekbaarheid van een afkoopsom van
onderhoudsverplichtingen tussen ex-echtgenoten en ongehuwd ex-samenwonenden houdt,
blijkens rechtsoverweging 3.5, verband met de vrees van de wetgever voor een opzetje waarin
ongehuwd samenwonenden een (fiscaal) ongewenste inkomensoverdracht zouden kunnen
creëren door achtereenvolgens de relatie te beëindigen, een alimentatie overeen te komen, die alimentatie af te kopen en vervolgens de samenwoning te hervatten. Ik wil best aannemen dat er ongehuwd samenwonenden zijn die omwille van fiscaal gewin deze weg zouden willen bewandelen, maar voor dergelijk misbruik bestaat geen gerechtvaardigde vrees. In situaties waarin de geschetste reeks van handelingen tezamen één onscheidbaar geheel vormen komt simpelweg als gevolg daarvan aan de afzonderlijke handelingen geen zelfstandige (fiscale) betekenis toe. De relatieverbreking, financiële afwikkeling en daaropvolgende verzoening weerspiegelen dan slechts een bedachte waarheid. Wat er echt gebeurt is dat partijen kunstmatig relatiehoppen omwille van een door hen gewenst fiscaal resultaat. Het is deze echte en niet de bedachte waarheid die op haar fiscale merites moet worden beoordeeld. Eventueel creatief gebruik van een te introduceren wettelijke aftrekmogelijkheid van afkoopsommen tussen ongehuwd ex-samenwonenden sorteert mijns inziens dus gezien de genoemde bestrijdingsmogelijkheid in de uitvoeringssfeer niet het gewenste effect.”
7.17
In HR BNB 2013/230 (30%-regeling), HR BNB 2014/30 (bedrijfsopvolgingsvrijstelling) en HR BNB 2010/3 (afkoop alimentatieverplichting) liet u de fiscale wetgever aldus op grond van de wide margin of appreciation-doctrine van het EHRM op sociaal-economisch – waaronder fiscaal – terrein een vrijwel ongelimiteerde (politieke) beoordelingsruimte. Ook de WHpkv WOZ en bpm ligt op dat sociaal-economische terrein en lijkt mij heel ver verwijderd van het verdachte terrein van onderscheidingen op basis van aangeboren of persoonskenmerken of privé-samenlevingsvormen, waarvoor de grondrechten gelden die de EVRM- en IVBPR-opstellers voor ogen hadden.124.
B. De wide margin of appreciation in de EHRM-rechtspraak over onderscheid in fiscale wetgeving
7.18
In de zaak Della Ciaja v Italy,125.over ongelijke erfbelastingheffing, oordeelde het EHRM voor het eerst126.dat de wetgever een wide margin of appreciation geniet bij het fiscaal verschillend behandelen van overigens vergelijkbare gevallen:
“For the purposes of Article 14 a difference of treatment is discriminatory if it 'has no objective and reasonable justification', that is if it does not pursue a 'legitimate aim' or if there is not a 'reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to
be realised'. Moreover in the field of taxation the Contracting States enjoy a wide margin of appreciation in assessing whether and to what extent differences in otherwise similar situations justify a different treatment (cf. the Karlheinz Schmidt v. Germany judgment of 18 July 1994, Series A no. 291-B, p. 32, § 24 and the Darby judgment, quoted above, p. 12, § 31; see also Eur. Comm. HR, N° 11089/84, Dec. 11 11 86, D.R. 49, pp. 181, 190-191). In particular, it is not sufficient for the applicants to complain merely that they have been taxed more than others, but they must show that the tax in question operates to distinguish between similar taxpayers on
discriminatory grounds (see, mutatis mutandis, Eur. Comm. HR, N° 13013/87, Dec. 14.12.88, D.R. 58, pp. 163, 188).”
7.19
In het arrest Stec a.o. v UK127.overwoog het EHRM dat de nationale autoriteiten, vanwege hun kennis van hun maatschappij en dier behoeften, in principe beter dan het EHRM kunnen beoordelen wat op sociaal-economisch terrein in het algemeen belang is, en dat hij daarom differentiërende keuzes van de nationale wetgever in general measures of economic or social strategy respecteert, tenzij zij manifest van redelijke grond zijn ontbloot. Voor onderscheidingen op basis van persoonskenmerken daarentegen zal de nationale wetgever very weighty reasons moeten kunnen aanvoeren. Ook overwoog hij dat het discriminatieverbod ook geschonden kan worden door gelijke behandeling (over één kam scheren) van ongelijke gevallen:
“51. Article 14 does not prohibit a member State from treating groups differently in order to correct “factual inequalities” between them; indeed in certain circumstances a failure to attempt to correct inequality through different treatment may in itself give rise to a breach of the Article (…). A difference of treatment is, however, discriminatory if it has no objective and reasonable justification; in other words, if it does not pursue a legitimate aim or if there is not a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised. The Contracting State enjoys a margin of appreciation in assessing whether and to what extent differences in otherwise similar situations justify a different treatment (…).
52. The scope of this margin will vary according to the circumstances, the subject matter and the background (…). As a general rule, very weighty reasons would have to be put forward before the Court could regard a difference in treatment based exclusively on the ground of sex as compatible with the Convention (…). On the other hand, a wide margin is usually allowed to the State under the Convention when it comes to general measures of economic or social strategy (…). Because of their direct knowledge of their society and its needs, the national authorities are in principle better placed than the international judge to appreciate what is in the public interest on social or economic grounds, and the Court will generally respect the legislature’s policy choice unless it is “manifestly without reasonable foundation” (…).”
7.20
In de zaak Burden and Burden v UK128.achtte de grote kamer van het EHRM het successierechtelijke verschil in behandeling tussen enerzijds gehuwden en geregistreerde partners (vrijstelling) en anderzijds samenlevende familieleden (geen vrijstelling) niet in strijd met het discriminatieverbod van art. 14 EVRM jo. art. 1 Protocol I EVRM, omdat de nationale wetgever, gegeven diens ruime beoordelingsvrijheid op sociaal-economisch terrein mocht menen dat twee bejaarde en sinds hun geboorte in hun geboortehuis samenlevende zusters voor de erfbelasting niet vergelijkbaar waren met gehuwd samenwonenden of samenwonende geregistreerde partners. Hij overwoog dat bij hun erfbelasting-vrijstellingbeleid voor verschillende categorieën van langstlevenden “States, in principle, remain(..) free to devise different rules in the field of taxation policy”:
“60. The Court has established in its case-law that in order for an issue to arise under Article 14 there must be a difference in the treatment of persons in relevantly similar situations (D.H. and Others v. the Czech Republic [GC], no. 57325/00, § 175, ECHR 2007). Such a difference of treatment is discriminatory if it has no objective and reasonable justification; in other words, if it
does not pursue a legitimate aim or if there is not a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised. The Contracting State enjoys a margin of appreciation in assessing whether and to what extent differences in otherwise similar situations justify a different treatment, and this margin is usually wide when it comes to general measures of economic or social strategy (Stec and Others v. the United Kingdom [GC], nos. 65731/01 and 65900/01, §§ 51–52, ECHR 2006-VI).
(…).
62. (…) the relationship between siblings is qualitatively of a different nature to that between married couples and homosexual civil partners under the United Kingdom’s Civil Partnership Act. The very essence of the connection between siblings is consanguinity, whereas one of the defining characteristics of a marriage or Civil Partnership Act union is that it is forbidden to close family members (…). The fact that the applicants have chosen to live together all their adult lives, as do many married and Civil Partnership Act couples, does not alter this essential difference between the two types of relationship.
63. Moreover, the Grand Chamber notes that it has already held that marriage confers a special
status on those who enter into it. The exercise of the right to marry is protected by Article 12 of
the Convention and gives rise to social, personal and legal consequences (…). In Shackell (cited
above), the Court found that the situations of married and unmarried heterosexual cohabiting couples were not analogous for the purposes of survivors’ benefits, since “marriage remains an institution which is widely accepted as conferring a particular status on those who enter it”. The Grand Chamber considers that this view still holds true.
64. Since the coming into force of the Civil Partnership Act in the United Kingdom, a homosexual couple also has the choice to enter into a legal relationship designed by Parliament to correspond as far as possible to marriage (…).
65. As with marriage, the Grand Chamber considers that the legal consequences of civil partnership under the 2004 Act, which couples expressly and deliberately decide to incur, set these types of relationship apart from other forms of cohabitation. Rather than the length or the supportive nature of the relationship, what is determinative is the existence of a public undertaking, carrying with it a body of rights and obligations of a contractual nature. Just as there can be no analogy between married and Civil Partnership Act couples, on the one hand, and heterosexual or homosexual couples who choose to live together but not to become husband and wife or civil partners, on the other hand (see Shackell, cited above), the absence of such a legally binding agreement between the applicants renders their relationship of cohabitation, despite its long duration, fundamentally different to that of a married or civil partnership couple. This view is unaffected by the fact that, (…), member States have adopted a variety of different rules of succession as between survivors of a marriage, civil partnership and those in a close family relationship and have similarly adopted different policies as regards the grant of inheritance-tax exemptions to the various categories of survivor; States, in principle, remaining free to devise different rules in the field of taxation policy.
66. In conclusion, therefore, the Grand Chamber considers that the applicants, as cohabiting sisters, cannot be compared for the purposes of Article 14 to a married or Civil Partnership Act couple. It follows that there has been no discrimination and, therefore, no violation of Article 14 taken in conjunction with Article 1 of Protocol No. 1.”
C. Enige rechtspraak van feitenrechters over ncnp-bijstand in WOZ- en bpm-zaken
7.21
De MvT bij de WHpkv (zie 6.5 en 6.13 hierboven) verwijst naar uitspraken waarin feitenrechters zich hebben uitgelaten over de effecten van ncnp-procesvertegenwoordiging in WOZ- en bpm-zaken. Ik citeer die zaken.
7.22
Op 20 juli 2023 oordeelde de Rechtbank Amsterdam dat de ncnp-gemachtigde onnodig had doorgeprocedeerd over een WOZ-beschikking, kennelijk voor eigen gewin, met het oog op een pkv in beroep.129.De partijen waren het voor de zitting al eens geworden over de WOZ-waarde en de pkv in de bezwaarfase, maar de gemachtigde had het beroep niet ingetrokken. Voor de Rechtbank was daardoor in geschil wie veroordeeld moest worden in de proceskosten in beroep: de belanghebbende wegens onrechtmatig gebruik van procesrecht of de heffingsambtenaar omdat die aan het beroep was tegemoetgekomen. De Rechtbank veroordeelde de belanghebbende (symbolisch) in de proceskosten wegens misbruik van procesrecht, daartoe overwegende als volgt over de werkwijze van diens ncnp-gemachtigde (ik laat voetnoten weg):
“5. Niet in geschil is dat eiseres in beroep foto’s van de woning heeft ingebracht en dat deze foto’s er toe hebben geleid dat het geschil, behoudens de proceskosten in beroep, is geëindigd.
6. De rechtbank heeft verder vastgesteld, zoals ook op de zitting is besproken, dat op de ochtendzitting van 8 juni 2023 vijf zaken van hetzelfde no-cure-no-pay-bureau (verder: het bureau) zijn behandeld. De zaken zijn er niet op geselecteerd, maar laten wel allemaal dezelfde handelwijze van het bureau zien. Die houdt in dat in het bezwaarschrift van het bureau (namens de cliënt) en/of op de hoorzitting door het bureau wordt gesteld dat de woning (deels) in slechte staat verkeert. Vervolgens reageert het bureau niet op herhaaldelijke verzoeken van de heffingsambtenaar om onderbouwing van de stelling met bewijs, zoals foto’s. Als er foto’s worden overgelegd, zoals in deze zaak, gebeurt dat pas in de beroepsfase.
8. Op de zitting is de gemachtigde van eiseres gevraagd de werkwijze van het bureau toe te lichten. Hij heeft onder meer meegedeeld dat na een intakeprocedure, een cliënt in kan loggen in een portaal om te zien in welke fase het dossier zich bevindt. De gemachtigde kon
desgevraagd niet bevestigen dat er in de bezwaarfase verder nog contact is met een cliënt. Met betrekking tot deze zaak kon de gemachtigde ook niet bevestigen dat de verzoeken om informatie van de heffingsambtenaar zijn doorgegeven aan eiseres. Dat geldt zowel voor de verzoeken om informatie van verweerder, als de informatiebeschikking die de heffingsambtenaar heeft genomen, waarin expliciet is gewezen op de verplichting om gegevens die van belang zijn over te leggen. In de beroepsfase is eiseres door het bureau wel verzocht om foto’s over te leggen.
9. De rechtbank leidt hieruit af dat het kennelijk de vaste werkwijze van het bureau is om verzoeken van de heffingsambtenaar om onderbouwing in de bezwaarfase niet door te geven aan de cliënt en daar niet op te reageren richting de heffingsambtenaar. Met deze werkwijze ontneemt het bureau de heffingsambtenaar de mogelijkheid om in de bezwaarfase een juist besluit te nemen en het geschil op die wijze te laten eindigen. De filterfunctie van de bezwaarfase gaat met deze handelwijze teniet en er wordt behoefte aan een beroepsfase gecreëerd, ongeacht of dat nodig is om het geschil te beëindigen. Dit leidt ertoe dat onnodig wordt geprocedeerd, kennelijk voor gewin van het bureau, met het oog op een te verkrijgen proceskostenvergoeding in beroep. De onderhavige zaak - waar in de beroepsfase alsnog foto’s zijn overgelegd en waarin op basis daarvan partijen het al snel eens zijn geworden over de WOZ-waarde – getuigt van deze handelwijze en daarmee is onnodig een beroepsfase uitgelokt. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Van een professioneel rechtsbijstandverlenend bureau mag en moet een andere handelwijze worden verwacht.
10. Hoewel het verwijt dat de rechtbank hier maakt gericht is op het bureau en niet op eiseres zelf, wordt het gedrag van het bureau wel aan haar toegerekend. Dat betekent dat de rechtbank aanleiding ziet eiseres te veroordelen in de proceskosten van verweerder.
11. Hoewel aan de maatstaf daarvoor dus is voldaan, zal de rechtbank het verzoek van de heffingsambtenaar om zijn proceskosten vast te stellen op € 837,- niet honoreren. (…). Van eigen kosten van de heffingsambtenaar die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken, zodat de rechtbank over de beroepsfase geen proceskostenveroordeling uit zal spreken.”
7.23
Op 9 december 2021 zag de Rechtbank Gelderland in het automatisme van identieke proceshandelingen van een ncnp-bureau in een zeer groot aantal bpm-zaken een bijzondere omstandigheid die noopte tot verlaging van de pkv per zaak volgens het Bpb:130.
“56. (…), maakt de zaak (…) onderdeel uit van een groot cluster aan zaken die in beroep (uiteindelijk) gezamenlijk zijn behandeld. Er is derhalve sprake van een uitzonderlijk groot aantal zaken die een sterke inhoudelijke samenhang vertonen, waardoor de proceshandelingen voor het overgrote deel een uniform karakter hebben, en dus niet zijn afgestemd op de bijzonderheden van de desbetreffende zaak. Dit geldt ook voor de bezwaarfase. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) waaronder strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken. In dit geval zou het leiden tot een proceskostenvergoeding die de werkelijk gemaakte kosten ver zou overtreffen.131.
57. De rechtbank heeft daarom in goede justitie de vergoeding voor de proceskosten vastgesteld
op € 50. Hierbij heeft de rechtbank voorop gesteld dat in het fiscale bestuursrecht vergoedingen
op grond van het Bpb het karakter hebben van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten.132.
Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat de proceshandelingen
in zowel bezwaar als beroep een zo uniform karakter hebben dat per zaak sprake is van slechts
marginale meerkosten. Tot slot heeft de rechtbank gekozen voor afgeronde bedragen die in samenhang moeten worden gezien met de vergoedingen die in zaken van andere belanghebbenden uit het cluster worden toegekend. Er is dus geen relatie met de concrete zaken waarop een uitspraak ziet en dus ook niet met de reden van het toekennen van de proceskostenvergoeding. Evenmin is er een rechtstreekse relatie met de eventuele kosten die
aan de bezwaar- dan wel de beroepsprocedure zouden kunnen worden toegerekend. Deze proceskostenvergoeding is in voorkomend geval een aanvulling op een in bezwaar al toegekende proceskostenvergoeding. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat deze tegemoetkoming in de kosten niet in strijd is met het VWEU of artikel 47 van het Handvest, zoals
de gemachtigde heeft aangevoerd. Anders dan in de zaak waarnaar gemachtigde heeft
verwezen,133.maken de belanghebbenden in dit cluster, vanwege het no cure no pay-model dat de gemachtigde al vele jaren hanteert, geen hogere kosten om hun eventueel aan het Unierecht te ontlenen rechten te gelde te maken dan de vergoedingen die bij een gegrondverklaring uit het forfaitaire stelsel voortvloeien (en samenhangende schadevergoedingen). De gemachtigde stelt wel dat de forfaitaire vergoedingen te laag zijn om rechtsbescherming te kunnen bieden, maar hij heeft die stelling niet onderbouwd en het tegendeel lijkt juist te mogen worden aangenomen op grond van de vele duizenden procedures die de gemachtigde voert.”
In het door de Rechtbank genoemde arrest HR BNB 2016/26134.overwoog u:
“2.3.2. (…). Het Hof heeft (…) geoordeeld dat in het geval van belanghebbende sprake is van bijzondere omstandigheden. Het heeft daarbij in aanmerking genomen dat (i) de gemachtigde (…) in enkele duizenden soortgelijke zaken rechtsbijstand verleent, (ii) tussen partijen geen verschil van inzicht bestaat over de feiten, (iii) in alle zaken in wisselende combinaties steeds dezelfde, zuiver juridische geschilpunten voorkomen, (iv) de in alle zaken namens de onderscheidene belanghebbenden gebezigde argumenten per rechtsvraag in belangrijke mate met elkaar overeenkomen, en (v) in de bezwaarfase voor alle door de gemachtigde als rechtsbijstandsverlener in den lande ingediende bezwaarschriften tezamen niet meer dan twee hoorgesprekken hebben plaatsgevonden. Indien, zo vervolgt het Hof, met deze bijzondere omstandigheden geen rekening wordt gehouden en bij de bepaling van de omvang van de vergoeding onverkort voor elke individuele zaak wordt vastgehouden aan het puntensysteem, leidt dit zonder twijfel tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Overwegende dat dit, gelet op het doel en de strekking van het Besluit, onwenselijk is, is het Hof afgeweken van het puntensysteem. Niettemin heeft het Hof zich bij de vaststelling van de vergoeding georiënteerd op het puntensysteem van het Besluit teneinde te komen tot een proceskostenveroordeling die naar het oordeel van het Hof recht doet aan doel en strekking van het Besluit.
(…).
2.6.1.
De overige klachten richten zich tegen het (…) oordeel van het Hof dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit (…).
2.6.2.
Voor zover de klachten inhouden dat het Hof ten onrechte of op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat sprake is van bijzondere omstandigheden falen zij, omdat zij eraan voorbij zien dat, ook indien rekening wordt gehouden met de terughoudendheid die bij de toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit geboden is, het oordeel van het Hof dat – onder de daarbij in aanmerking genomen omstandigheden – ten aanzien van de onderhavige zaak en de ingetrokken zaak van het (…) puntensysteem moet worden afgeweken, aangezien het voor elke individuele zaak vasthouden aan dat puntensysteem leidt tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen de omstandigheid dat de vergoedingen op grond van het Besluit het karakter hebben van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten (zie HR 25 september 2015, nr. 14/04107, ECLI:NL:HR:2015:2794).”
7.24
Op 22 april 2021 deed het Hof Den Bosch vergelijkbaar uitspraak in een bpm-procedure:135.
“4.30. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moet maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.31.
Het hof acht bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, Besluit aanwezig, doch wel omstandigheden die leiden tot toekenning van een lagere kostenvergoeding.136.Deze bijzondere omstandigheden bestaan uit de omstandigheid dat de gemachtigde (…) in enkele duizenden soortgelijke zaken rechtsbijstand verleent, tussen partijen in geen van die zaken verschil van inzicht bestaat over de feiten, in alle zaken partijen in wisselende combinaties steeds over dezelfde juridische geschilpunten van mening verschillen en de in alle zaken namens de onderscheidene belanghebbenden gebezigde argumenten per rechtsvraag in belangrijke mate met elkaar overeenkomen.”
7.25
Op 6 juli 2021 verlaagde ook het Hof Arnhem-Leeuwarden het forfaitaire pkv-bedrag in een bpm-zaak.137.Na herhaling van het uitgangspunt van het Bpb dat de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden terughoudend moet worden toegepast, overwoog hij:
“4.19. (…). Voor een afwijking van de forfaitaire regeling is aanleiding als het voor elke individuele zaak vasthouden aan die regeling leidt tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft (HR 9 oktober 2015, nr. 14/04108, ECLI:NL:HR:2015:2990, BNB 2016/26). Daarbij dient in aanmerking te worden genomen de omstandigheid dat de vergoedingen op grond van het Besluit het karakter hebben van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten (HR 25 september 2015, nr. 14/04107, ECLI:NL:HR:2015:2794, BNB 2016/11).
4.20.
Wanneer bij de bepaling van de omvang van de vergoeding onverkort voor elke individuele zaak wordt vastgehouden aan de forfaitaire bedragen zonder rekening te houden met de omstandigheid dat de gemachtigde van belanghebbende in duizenden soortgelijke zaken rechtsbijstand verleent, en in alle zaken, zij het steeds in wisselende combinaties, voornamelijk juridische geschilpunten aan de orde zijn gesteld, waarbij de gebezigde argumenten per geschil in belangrijke mate overeenkomen, zal dit naar het oordeel van het Hof leiden tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Daarom zal het Hof afwijken van de forfaitaire bedragen van het Besluit. De punten per proceshandeling spelen nu geen rol meer (vgl. HR 9 oktober 2015, nr. 14/04108, ECLI:NL:HR:2015:2990, BNB 2016/26). Het Hof zal ter zake van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, evenals de Rechtbank, voor de bezwaar- en de beroepsfase uitgaan van in totaal € 808,50. Het hoger beroep faalt derhalve.”
7.26
Ook in een WOZ-zaak verlaagde het Hof Den Bosch op 12 april 2023 de pkv:138.
“4.19. Het hof is van oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3 van het Besluit die aanleiding geven tot een lagere vergoeding, aangezien:
- de gemachtigde van belanghebbende in een veelvoud aan soortgelijke zaken rechtsbijstand verleent;
- in het overgrote deel van die zaken partijen over dezelfde juridische geschilpunten van mening verschillen; en
- de in velerlei zaken, namens de onderscheidene belanghebbenden, in de gedingstukken gebezigde argumenten in belangrijke mate met elkaar overeenkomen;
- de gemachtigde in alle zaken die op de zitting van 1 maart 2023 zijn behandeld vrijwel gelijkluidende hoger beroepschriften had ingediend, ondanks de onderling verschillende en onvergelijkbare onroerende zaken.
Er is daarom sprake van een groot aantal zaken die op veel punten een sterke inhoudelijke samenhang vertonen, waardoor de proceshandelingen van de gemachtigde van belanghebbende voor een zeer groot deel een uniform karakter hebben, en dus niet zijn afgestemd op de bijzonderheden van de desbetreffende zaak. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit vrijwel identieke stukken die de gemachtigde van belanghebbende heeft ingediend (de zogeheten pinpoint-brieven, hoger beroepschriften als ook uitstel-verzoeken) voor niet alleen deze zaak, maar ook vele andere zaken waar de WOZ-waarden van andere onroerende zaken
in geschil zijn of waren en waarvoor hij als gemachtigde optreedt. Onder die omstandigheden kan de gemachtigde volstaan met het samenstellen van gedingstukken door in veel gevallen slechts de naam en het zaaknummer op de betreffende stukken aan te passen.
Indien met deze bijzondere omstandigheden geen rekening wordt gehouden en bij de bepaling van de omvang van de vergoeding onverkort voor elke individuele zaak wordt vastgehouden aan het puntensysteem zoals opgenomen in het Besluit, leidt dit zonder twijfel tot een
vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Dat is onwenselijk gelet op het doel en de strekking van het Besluit. De vergoedingen op grond van het Besluit hebben immers het karakter van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten.139.Het hof wijkt daarom af van het puntensysteem.140.”
7.27
In een bpm-uitspraak van 31 mei 2023 kende het Hof Den Bosch de belanghebbende ondanks overschrijding van de redelijke termijn voor bezwaar en beroep geen ISV toe, expliciet overwegende dat het forfaitair toekennen van pkv’s en ISV’s tot uitkomsten leidt die in de samenleving niet meer zijn uit te leggen:141.
“4.25. De beslissing dat de lengte van de bezwaar- en beroepsprocedure van deze rentezaak geen grond oplevert voor een financiële genoegdoening draagt bij aan het herstellen van het vertrouwen van belastingbetalers in de overheid. Kijkend naar de uitspraken van feitenrechters142.en de maatschappelijke beleving dat procederen in belastingzaken is verworden tot een verdienmodel van grootverbruikers van het recht,143.constateert het hof dat het huidige systeem van forfaitair toekennen van vergoedingen onder toenemende maatschappelijke druk is komen te staan terwijl ook de eenvoud en uitvoerbaarheid onvoldoende is gewaarborgd. Dit geldt voor (proces)kostenvergoedingen, die in beginsel een tegemoetkoming in de gemaakte kosten beogen te zijn, maar ook voor de schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn van € 500 per half jaar overschrijding vanwege veronderstelde spanning en frustratie. Deze forfaitaire systemen in hun huidige vorm leiden tot uitkomsten die in de samenleving niet meer zijn uit te leggen.”
7.28
De MvT bij de WHpkv noemt ook gevallen uit de rechtspraak waarin belanghebbenden niet eens wisten dat er in hun naam procedures werden gevoerd of zij daarvoor geen toestemming hadden gegeven (zie onderdeel 10.2 van de conclusie in de zaak met nr. 24/01942). Ik geef ook die rechtspraak weer:
7.29
Op 30 september 2022 wees de Rechtbank Oost-Brabant144.in een WOZ-procedure ondanks overschrijding van de redelijke termijn het verzoek om immateriële schadevergoeding af. De belastingplichtige bleek nl. geen idee te hebben dat er nog een beroepsprocedure in zijn naam liep, laat staan dat namens hem een verzoek om immateriële schadevergoeding was gedaan, nu de inmiddels door de gemeente aangepaste WOZ-waarde niet meer in geschil was. De Rechtbank overwoog:
“3.19. Uit een mailwisseling met eiser van juni 2021 was de heffingsambtenaar gebleken dat de WOZ-waarde bij eiser niet meer in geschil was. Omdat het volgens de heffingsambtenaar in dat geval enkel nog kon gaan om schadevergoeding, heeft de gemachtigde [van de heffingsambtenaar; PJW] op 5 september 2022 telefonisch contact opgenomen met eiser om na te gaan of sprake was van bijzondere omstandigheden. In een e-mailbericht van 5 september 2022 heeft eiser schriftelijk zijn reactie gegeven op de vraag van de heffingsambtenaar over
geleden emotionele schade. In dit e-mailbericht, dat de heffingsambtenaar met de brief 6 september 2022 aan de rechtbank heeft gezonden, is het volgende te lezen:
“Ik was verbaasd dat u mij vandaag belde i.v.m. een zitting voor a.s. vrijdag. Ik wist niet dat er een zitting wordt behandeld op mijn naam. Voor mij is de zaak namelijk al lang afgedaan. In juni 2020 [lees: 2021] is er een taxateur van de gemeente bij mij langsgekomen i.v.m. een namens mij ingediend beroep tegen de WOZ-waarde. Ik wist niets van een lopende beroepsprocedure. Van [naam] , die namens mij beroep heeft ingediend, heb ik niets meer vernomen nadat hij een volmacht van mij heeft ontvangen. Na het gesprek met de taxateur en de door hem opgemaakte taxatiematrix heb ik aangegeven mij te kunnen vinden in de (aangepaste) WOZ-waarde van 546.000 E per 1.1.2019. Echter, ik dacht (en denk) echter nog steeds dat ik de volmacht niet kan/mag intrekken. Zekerheidshalve heb ik dat toen niet gedaan en doe ik dat nu ook niet. Dit staat echter los van het feit dat ik de hiervoor genoemde gecorrigeerde waarde juist acht.
U gaf aan dat er namens mij een verzoek om immateriële schadevergoeding is ingediend. U vroeg mij vandaag in dit verband of er contact is geweest tussen [naam] en mij. Te weten over de emotionele schade die ik zou hebben geleden. Ook vroeg u of ik destijds op de hoogte ben geweest van het feit dat ik met de ondertekening van de volmacht ook heb getekend voor het feit dat eventuele vergoedingen vanwege persoonlijk geleden schade ten gunste van de heer [naam] zouden komen (in plaats van mij). Op beide vragen kan ik nee beantwoorden.
Ik voeg daarbij nadrukkelijk aan toe dat ik geen stress heb ondervonden van deze procedure. Ik heb telefonisch aan u aangegeven dat ik ‘hier geen nacht minder om geslapen heb’; immers voor mij was e.e.a. al lang opgelost. (..)
Het verzoek om immateriële schadevergoeding dat namens mij is ingediend is dan ook niet in overleg met mij gedaan en daarom ook ten onrechte gedaan. Er is geen sprake van immateriële schade aan mij zijde. Zou dat wel het geval zijn geweest dan vind ik echter dat ik daar recht op zou hebben gehad. En dus niet de heer [naam] .”
3.21.
Uit de inhoud van het (…) e-mailbericht van eiser van 5 september 2022 blijkt dat van enige onzekerheid over een op hem rustende belastingdruk geen sprake is geweest. Dit brengt mee dat niet wordt verondersteld dat eiser hangende de procedure immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Het namens eiser gedane verzoek om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt daarom afgewezen.”
7.30
Op 27 juli 2023 heeft de Rechtbank Gelderland145.twee bpm-beroepen niet-ontvankelijk verklaard omdat de belanghebbenden geen toestemming hadden gegeven voor het namens hen voeren van een procedure. De ene belanghebbende had verklaard dat de handtekening onder de machtiging niet van hem is146.en de andere had verklaard dat zijn handtekening was gebruikt zonder zijn toestemming. In laatstgenoemde zaak overwoog de Rechtbank:147.
“2. De inspecteur heeft (…) het gemotiveerde standpunt ingenomen dat [naam 4] [de zelfbenoemde gemachtigde; PJW] niet optreedt met toestemming van belanghebbende. Daarbij heeft de inspecteur onder meer gewezen op een e-mailbericht van belanghebbende van 17 februari 2022 waarin belanghebbende het volgende heeft verklaard naar aanleiding van de afwikkeling van een eerdere zaak (18/2486):
“Geachte heer [naam 1],
Ik kan het me herinneren dat we elkaar via de telefoon hebben gesproken. Had toen aangegeven dat ze zonder mijn toestemming bepaalde dingen hebben uitgespookt! Als het moet doe ik direct aangifte!
Had een auto uit het buitenland gekocht die ingevoerd moest worden. Dat hebben ze voor mij gedaan. Achteraf bleek (had ik van u toen via de tel vernomen) dat ze in bezwaar (…?) zijn gegaan. Hiervoor hebben ze mijn handtekening gebruikt zonder dat ik het wist!
Dit zijn hun gegevens: (…)
Mijn contactpersoon van toen: (…)
Heeft u hier voldoende aan?
Groet,
[eiser]”
Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank (…) onderzocht of de handtekening, zoals die is geplaatst onder de door [naam 4] overgelegde volmacht, door belanghebbende is gezet. Daartoe heeft de rechtbank aan zowel [naam 4], als aan belanghebbende, een brief met bijlagen (…) gezonden met daarin het verzoek om een reactie. [naam 4] heeft per e-mailbericht van 25 februari 2022 aangegeven dat belanghebbende mogelijk in verwarring is en dat ten kantore van [naam 5] ([naam 5]) een machtiging is afgegeven. [naam 4] verwijst in die e-mail tevens naar een vergelijkbare zaak bij het Gerechtshof Den Bosch148.waarin hij een "passende factuur" heeft gestuurd in de situatie waarin een belanghebbende heeft aangegeven de machtiging in te willen trekken. Desgevraagd heeft belanghebbende, bij e-mailbericht van 24 februari 2022, het volgende verklaard:
“…,
Ze hebben zonder mijn toestemming bezwaar ingediend. Waarschijnlijk om de BPM die ik heb betaald (zonder dat ik er achter zou komen) terug te krijgen.
Volgens mij valt dit onder fraude, want ze hebben mijn handtekening gebruikt zonder mijn toestemming!
Met vriendelijke groet,
[voornaam eiser]”
3. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de twee verklaringen van belanghebbende dat hij geen toestemming heeft gegeven om namens hem een (beroeps)procedure te voeren. Dat [naam 4] verklaart dat belanghebbende ten kantore van [naam 5] wel ‘een machtiging’ heeft ondertekend, strookt niet met de stellige ontkenning van belanghebbende. Een verklaring van [naam 5] ontbreekt, terwijl de geschetste gang van zaken juist dringend vraagt om een uitleg van zijn kant. Daarnaast geldt dat, ook al zou belanghebbende ten kantore van [naam 5] een machtiging aan laatstgenoemde hebben afgegeven, daaruit nog niet voortvloeit dat dit een volmacht tot het instellen van een beroepsprocedure betrof, noch dat [naam 4] bevoegd was dit namens belanghebbende te doen. Naar het oordeel van de rechtbank is tegenover de gerezen
twijfel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat bevoegdelijk beroep is ingesteld door [naam 4]. De rechtbank zal het beroep daarom, in afwijking van de eerder gegeven tussenuitspraak, niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling van de zaak. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat van een intrekking van de procedure door belanghebbende geen sprake is. Er is immers nooit bevoegdelijk een procedure gestart.”
7.31
In twee andere bpm-uitspraken van dezelfde datum heeft de Rechtbank Gelderland het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen, omdat zij aannemelijk achtte dat de belanghebbenden in kwestie niet op de hoogte waren van de lopende procedure. Zij overwoog in de ene zaak:149.
“5. De voormalige gemachtigde heeft gesteld dat de redelijke termijn is overschreden en dat daarom recht bestaat op een vergoeding van immateriële schade. (…) De redelijke termijn (…) in deze zaak is overschreden. De rechtbank is echter van oordeel dat in dit geval geen sprake is van spanning en frustratie bij de belanghebbende vanwege de duur van de procedure, aangezien de belanghebbende niet op de hoogte was van de procedure. Naar aanleiding van de weigering [door de Rechtbank; PJW] van de voormalige gemachtigde [als gemachtigde;
PJW] heeft belanghebbende dit aan de rechtbank medegedeeld. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade daarom af.”
In de andere zaak150.overwoog zij:
“5. De voormalige gemachtigde heeft gesteld dat de redelijke termijn is overschreden en dat daarom recht bestaat op een vergoeding van immateriële schade. (…) De redelijke termijn (…) in deze zaak is overschreden. De rechtbank is echter van oordeel dat in dit geval geen sprake is van spanning en frustratie bij de belanghebbende vanwege de duur van de procedure, aangezien de belanghebbende niet op de hoogte was van de procedure. Naar aanleiding van de weigering [door de Rechtbank; PJW] van de voormalige gemachtigde [als gemachtigde; PJW} in deze en in vele andere zaken, hebben meerdere belanghebbenden de rechtbank medegedeeld niet op de hoogte te zijn van de procedure. De rechtbank heeft daarom aannemelijk geacht dat in zaken waarin niet is gereageerd op de weigeringsbeslissing en geen nieuwe gemachtigde is aangewezen, de belanghebbende niet wist dat op zijn naam de onderhavige procedure is begonnen. Bij brief heeft de rechtbank belanghebbende dit vermoeden voorgehouden en in de gelegenheid gesteld om het aan te geven als hij wel op de hoogte was van de procedure. Daarvan heeft belanghebbende geen gebruik gemaakt. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade daarom af.”
8. Rapporten van onderzoeken naar ncnp-verdienmodellen in WOZ- en bpm-zaken
8.1
Naar de verdienmodellen van ncnp-gemachtigden in WOZ- en bpm-zaken en de gevolgen daarvan voor de rechtsbescherming is wél onderzoek gedaan waarvan de resultaten ook wél zijn gepubliceerd. In chronologische volgorde zijn verschenen:
A. Van beroep in bezwaar. Werkwijze en verdienmodel ‘no cure no pay’ bedrijven WOZ en BPM, rapport van onderzoek door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie-centrum (WODC), uitgevoerd in opdracht van de minister voor Rechtsbescherming en gepubliceerd in februari 2021;151.
B. De hoogte en de structuur van de kostenvergoeding voor bedrijven die helpen bij het maken van bezwaar tegen woz-beschikkingen rapport van onderzoek door het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO), uitgevoerd in opdracht van de VNG en gepubliceerd in november 2021;152.en
C. Op (proces)kosten gejaagd? Onderzoek naar ‘oneigenlijk gebruik’ van bestuurs-rechtelijke procedures met het oog op proceskostenvergoedingen, uitgevoerd door het WODC in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, gepubliceerd in juni 2024.153.
8.2
De inhoud van de rapporten A en B is door de regering gebruikt als onderbouwing van de WHpkv. U zie daarover de onderdelen 6.5, 6.13, 6.14 en 6.19 hierboven.
8.3
Rapport C is van ná de inwerkingtreding van de WHpkv, maar niet minder relevant omdat het ziet op de bij de behandeling en de invoering van de wet bestaande situatie en omdat de toetsing aan het IVBPR en het EHRM erop neerkomt te beoordelen of de veronderstellingen die de wetgever ten grondslag heeft gelegd aan een wettelijk onderscheid, al dan niet devoid of reasonable foundation zijn (zie 7.3 en 7.11 hierboven). Rapport C is gebaseerd op jurisprudentie- en literatuuronderzoek en interviews met onder meer ncnp-bureaus, de Waarderingskamer, het Centraal Justitieel Incassobureau, de belastingdienst, gemeenten, de VNG, bestuursrechters en academici. Het bevat dus geen kwantitatieve analyse, maar is wel véél beter, onafhankelijker en concreter dan de schimmige ‘uitgebrachte rapporten’ met alleen maar ‘signalen en wensen uit de praktijk’ die ‘aandrongen’ op verhoging van de vrijstelling voor ondernemingsvermogen die u in HR BNB 2014/30 voldoende grond achtte voor het oordeel dat de bedrijfsopvolgingsregeling geen discriminatie van de niet-geprivilegieerden zou zijn.
8.4
Het WODC kon ook in rapport C geen eenduidige definitie geven van ‘oneigenlijk gebruik’ van bestuursrechtelijke procedures, anders dan de algemene werkdefinitie “het instellen van bezwaar en beroep volgens de regels van de wet, maar in strijd met de bedoelingen van de wettelijke bepalingen in de Awb”.154.De onderzoekers zagen op zowel systeem- als zaakniveau indicatoren die erop wijzen dat WOZ- en bpm-procedures worden ingezet met als doel inning van pkv’s (en ISV’s) zonder dat het eigenlijke doel van het Bpb gediend werd, nl. het bieden van rechtsbescherming aan en het behartigen van de belangen van belastingplichtigen. Zij schrijven:155.
“Op systeemniveau wordt oneigenlijk gebruik van procedures geassocieerd met het verkrijgen van aanzienlijke bedragen aan proceskostenvergoedingen door het instellen van een overmatig aantal rechtsmiddelen. Oneigenlijk gebruik kenmerkt zich op systeemniveau doordat dit gebruik is gericht op het uitlokken van systeemfalen. Dit zou zich uiten in het door NCNP-bureaus aanhangig maken van veel bezwaar- of beroepsprocedures, die vervolgens zo langdurig en complex mogelijk worden gemaakt. Dit kan leiden tot onnodige vertraging en belasting van de bezwaar- en beroepsprocedure.
Op zaaksniveau kan het een indicatie voor oneigenlijk gebruik zijn wanneer het belang van de gemachtigde bij het voeren van een procedure groter is dan dat van de belanghebbende. Het doel van de procedure is niet primair gericht op het behartigen van de belangen van de rechtzoekende maar op financieel gewin voor de gemachtigde. Het is echter van belang op te merken dat niet-financiële belangen vaak lastig in kaart zijn te brengen, waardoor het vaststellen van mogelijk oneigenlijk gebruik niet eenvoudig is.”
Uitgaande van de omstandigheden die de rechtspraak indicatief acht voor van misbruik van recht hebben de onderzoekers de volgende indicatoren geïdentificeerd die duiden op oneigenlijk gebruik van de pkv-regeling:156.
“Op systeemniveau geldt dat het aantal zaken dat door een bepaalde gemachtigde wordt gevoerd een indicator is voor mogelijk oneigenlijk gebruik. Hierbij is van belang of een gemachtigde zaken aanhangig blijft maken die kansloos kunnen worden geacht. Daarnaast speelt het patroon van procesgedrag van een gemachtigde in verschillende zaken. Hierbij kan worden gedacht aan het (te) laat indienen van processtukken, de inzet van processuele bevoegdheden als ingebrekestellingen en het niet verschijnen op een (hoor)zitting.
Op zaaksniveau zijn er diverse indicatoren die kunnen wijzen op oneigenlijk gebruik. Het betreft
het opnemen van niet-relevante gronden in een bezwaar- of beroepsschrift, het gebruik van
standaardgronden, het benutten van elke proceshandeling ook al heeft dit geen toegevoegde
waarde, het indienen van gronden die geen materiële gevolgen hebben voor belanghebbende,
het laat indienen van nadere gronden en bewijsstukken en tot slot de verhouding tussen het
financiële belang van de gemachtigde en het (potentiële) belang van de belanghebbende. Hierbij geldt de kanttekening dat andere dan financiële belangen, zoals het gevoel van procedurele rechtvaardigheid en het gevoel hebben gehoord te worden, niet of nauwelijks meetbaar zijn. Uit het jurisprudentieonderzoek blijkt daarnaast dat de proceshouding van een gemachtigde reden kan zijn om misbruik van het recht aan te nemen. Dit zou wellicht ook een rol kunnen spelen bij de beoordeling van mogelijk oneigenlijk gebruik.
Voor het ontwikkelen van een toetsingskader op zaaksniveau kan verder aansluiting worden
gezocht bij enkele van de in het Bloemendaal-vonnis157.genoemde indicatoren. Het betreft de aard en omvang van de belangen, de kans van slagen van het beroep en de mate waarin naar redelijke verwachting de genoemde belangen zijn gediend met een succesvolle afloop van de beroepsprocedure. Met name de laatste indicator, die een koppeling legt tussen de ingediende rechtsmiddelen en de mogelijkheid om een materieel belang van belanghebbende te dienen,
lijkt relevant.”
8.5
De onderzoekers hebben (p. 43) “bij het jurisprudentieonderzoek (…) gekeken naar proceskostenvergoedingen op grond van art. 8:75 Awb, maar ook naar de mogelijkheid van het verkrijgen van immateriële schadevergoeding als de duur van procedures de redelijke termijn overschrijdt”. Daarover rapporteren zij op p. 65:
“We zien daarnaast dat er sprake is van een forfaitair systeem bij proceskostenvergoedingen
en immateriële schadevergoedingen. Afwijking vergt een uitgebreide en op de zaak toegespitste motivering door het bestuursorgaan en de rechter. Het enkele feit dat sprake lijkt te zijn van een grote mate van standaardisering van bezwaar- en beroepschriften, en dat er dankzij automatisering waarschijnlijk minder directe kosten aan een zaak zijn besteed dan wordt vergoed door de standaard proceskostenvergoeding, is in de jurisprudentie onvoldoende grond gebleken om deze vergoeding naar beneden bij te stellen.
De hoogte van de immateriële schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn, die aanzienlijk is ten opzichte van de mogelijke financiële baten van belanghebbenden bij een standaardzaak, zorgt voor een prikkel om bestuursorganen en de rechtspraak zodanig zwaar te belasten dat structurele overbelasting ontstaat.”
8.6
Op basis van de interviews concluderen de onderzoekers dat ncnp-gemachtigden vooral actief zijn en dat oneigenlijk gebruik zich vooral voordoet op de rechtsgebieden die al in beeld waren, namelijk die van de WOZ, de bpm en de verkeersboetes ingevolge de Wahv,158.maar dat ncnp-bureaus steeds vaker op lijken te treden ook bij parkeerbelastingzaken. Deze rechtsgebieden hebben met elkaar gemeen dat (i) een hoog volume aan besluiten wordt genomen zodat gelegenheid bestaat voor grootschalige rechtshulpverlening en (ii) een groot aantal geautomatiseerde standaardbeschikkingen wordt gegeven, waardoor ook geautomatiseerd standaardbezwaren opgesteld kunnen worden.159.
8.7
Bestuursorganen en gesprekspartners uit de rechtspraak verwachten een daling van het aantal bezwaren en administratieve beroepen door de WHpkv, maar met de kanttekening dat onbedoelde neveneffecten kunnen optreden, bijvoorbeeld het effect dat ncnp-gemachtigden geen zaken meer selecteren om te procederen, maar door middel van nog verdergaande automatisering nog grootschaliger gaan procederen.160.
8.8
Het rapport somt de volgende oorzaken op voor oneigenlijk gebruik van pkv’s:161.
- afwijking van het forfaitaire pkv- en ISV-systeem vergt een uitgebreide en op de zaak toegespitste motivering door bestuursorganen en rechters. Het enkele feit dat het om vergaande standaardisering van bezwaar- en beroepschriften gaat, waardoor minder directe kosten aan een zaak worden besteed dan worden vergoed door de standaard pkv, is in de rechtspraak onvoldoende grond gebleken om de pkv naar beneden bij te stellen. De aanzienlijke hoogte van de ISV bij overschrijding van de redelijke termijn is een prikkel om bestuursorganen en de rechtspraak zodanig te belasten dat structurele overbelasting ontstaat.
- Meer specifiek zijn de besluiten op het gebied van – onder meer – de WOZ en bpm kwetsbaar voor bezwaar, aangezien bij waarderingen altijd veel ruimte voor discussie is. De taxatiemethode leidt ertoe dat waardevaststellingen niet in alle gevallen goed onderbouwd kunnen worden; bij de WOZ ligt de kwetsbaarheid erin dat het bestuursorgaan een exacte waardering moet vaststellen en ook bij de bpm is de waarde van een te importeren voertuig subjectief.
8.9
Het rapport noemt ook mogelijke andere maatregelen dan die van de WHpkv, zoals:162.
- Regulering van en toezicht op de ncnp-markten, waarbij onderzocht kan worden of een regeling voor rechtshulpverleners in het (fiscale) bestuursrecht of een (verplichte) registerstatus de kwaliteit van dienstverlening kan verbeteren;
- Hervorming van het WOZ-stelsel door (i) eens in de twee of drie jaar onroerende zaken te waarderen, (ii) in categorieën te waarderen163.in plaats van een exacte waarde of (iii) vooraankondigingen te gebruiken, zodat de gebruiker in een eerder stadium gevraagd kan worden of de relevante kenmerken van de onroerende zaak moeten worden aangevuld of aangepast; en
- Een systeem van digitaal procederen met tussenkomst van een arbitrageforum onderzoeken. In Engeland en Frankrijk is ervaring opgedaan met dergelijke systemen. Daarmee zou de doorlooptijd van procedures kunnen worden verkort.
8.10
Bij brief van 18 juni 2024 heeft de minister voor Rechtsbescherming op rapport C gereageerd.164.De regering ziet vooralsnog geen reden om de alternatieven van toezicht op de ncnp-markten en een ander waarderingssysteem voor de WOZ te verkennen. Overigens verkent het ministerie van Financiën al een aantal aanvullende maatregelen ter verbetering van het WOZ-proces.165.Het kabinet zet in op verbetering van het primaire proces met als doel de kwaliteit en aanvaardbaarheid van primaire besluiten te verbeteren. Verder organiseert het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de komende periode een expertmeeting met betrokken organisaties om te verkennen welke oplossingsrichtingen voor oneigenlijk gebruik bij procedures tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting kunnen worden uitgewerkt. Na monitoring van de WHpkv, waartoe begin 2025 een invoeringstoets zal worden uitgevoerd, zal het kabinet bezien of aanvullende maatregelen nodig zijn.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑10‑2024
Beschikking van de Minister van Justitie van 29 december 1993, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Algemene wet bestuursrecht, zoals deze luidt met ingang van 1 januari 1994, Stb. 1994, 1.
Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3 (MvT), p. 151.
Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3 (MvT), p. 150.
Het Liquidatietarief is een niet-bindende richtlijn vastgesteld in overleg tussen de NOvA en de rechtspraak. De burgerlijke rechter kan dus van het liquidatietarief afwijken. Zie bv. HR NJ 2009, 234, r.o. 3.5 en HR NJ 1998, 571, r.o. 3.3. Het handboek Het Nederlands burgerlijk procesrecht op p. 158, vermeldt: “Kostenveroordeling op basis van de in de praktijk gehanteerde forfaitaire ‘liquidatietarieven’ wil veelal zeggen dat de verliezer niet de volledige kosten van de advocaat van zijn wederpartij, maar slechts een bijdrage in deze kosten behoeft te dragen. De gedachte daarachter is dat de drempel voor toegang tot de rechter anders te hoog kan worden.”
Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3 (MvT), p. 151-152.
Idem, p. 153.
Besluit van 22 december 1993, houdende nadere regels betreffende de proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedures (Besluit proceskosten bestuursrecht), Stb. 1993, 763 (inwerkingtreding 1 januari 1994), laatstelijk gewijzigd op 22 december 2023, Stcrt. 2023, 35874 (inwerkingtreding 1 januari 2024).
Nota van toelichting bij Besluit van 22 december 1993, houdende nadere regels betreffende de proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedures (Besluit proceskosten bestuursrecht), Stb. 1993, 763, p. 6-7.
Idem, p. 8-9.
Nota van toelichting bij het Besluit van 22 december 1993, houdende nadere regels betreffende de proceskosten-veroordeling in bestuursrechtelijke procedures (Besluit proceskosten bestuursrecht), Stb. 1993, 763, p. 10.
HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415, BNB 2011/180 met noot Albert; Belastingblad 2013/530 met noot Redactie; NTFR 2011/792 met noot Niessen-Cobben.
ABRvS 18 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH3232, AB 2009/164 met noot De Waard, r.o. 2.5.
Wet openbaarheid bestuur (oud); inmiddels vervangen door de Wet open overheid.
ABRvS 23 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD8321, AB 2009, 73 met noot Bitter, r.o. 2.7.
HR 7 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6841, Belastingblad 2011/1193 met noot Noordermeer-Van Loo; NTFR 2011/2247 met noot Thijssen, r.o. 4.
HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531, AB 2013/44 m.nt. Koenraad; Belastingblad 2012/519 m.nt. Kruimel; BNB 2012/317 m.nt. Pechler; FED 2013/21 m.nt. Van der Wal; JB 2012/273 m.nt. Keinemans; JG 2012/73 m.nt. Koenraad; NTFR m.nt. Lammers; USZ 2012/339 m.nt. Redactie, r.o. 3.3.1-3.3.3.
Besluit van 8 december 2020 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met een verhoging van het tarief voor de vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep, Stb. 2020, 524.
Nota van toelichting bij het Besluit van 8 december 2020 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met een verhoging van het tarief voor de vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep, Stb. 2020, 524, p. 3.
HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, AB 2022/370 met noot Noordegraaf; Belastingblad 2022/288 met noot Monsma; BNB 2022/106 met noot Van Brummelen; FED 2022/82 met noot Thomas; NLF 2022/1096 met noot Hennevelt; NTFR 2022/2490 met noot Elbert; V-N 2022/24.13 met noot Redactie.
Voetnoot in origineel: Vgl. HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2495, rechtsoverweging 2.4.1.
Voetnoot in origineel: Vgl. HR 7 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6124, rechtsoverweging 5.5, en HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:648, rechtsoverweging 4.3.
Voetnoot in origineel: Vgl. HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:648, rechtsoverweging 4.3.
Voetnoot in origineel: Zie voor deze reactie onderdeel 3.1 van de Nota van toelichting bij het Besluit van 8 december 2020.
Voetnoot in origineel: Dit onderscheid doet zich bijvoorbeeld ook voor bij toetsing aan het EVRM (ruime beoordelingsmarge) versus toetsing aan de fundamentele vrijheden van het Unierecht (zekere beoordelingsmarge), vgl. HR 9 augustus 2013, 12/05577, ECLI:NL:HR:2013:474.
HR 12 juli 2024, na conclusie Koopman, ECLI:NL:HR:2024:1060, Belastingblad 2024/280, m.nt. Lanser; NLF 2024/1885, m..nt. Thomas; NTFR 2024/1244 m.nt. Van de Merwe; V-N 2024/33.18 m.nt. Redactie.
Voetnoot in origineel: Zie de Nota van toelichting in Stb. 2002, 113, blz. 6.
Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2001/02, 27 024, nr. 16, blz. 4.
Voetnoot in origineel: Vgl. HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415, r.o. 3.5.2.
Voetnoot in origineel: Zie de Nota van toelichting bij het Besluit, Stb. 1993, 763, blz. 6.
Voetnoot in origineel: Vgl. CRvB 1 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2016, ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452, en HR 8 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:34, rechtsoverweging 5.1.
Voetnoot in origineel: Vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, rechtsoverweging 5.8.
In vergelijkbare zin ook de redactie van V-N 2024/15.20 (noot bij de conclusie van mijn ambtgenoot Koopman) en V-N 2024/33.18 (noot bij het arrest).
Aldus ook de annotatoren Lanser in Belastingblad 2024/280 en Thomas in NLF 2024/1885.
Voetnoot in origineel: NTFR 2022/236.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 2, onder verwijzing naar Kamerstukken II 2022/23, 29 279, nr. 776 (Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 23 maart 2023, kenmerk 2023-0000070399).
Het toepassingsbereik van de wet is uitgebreid tot de Wahv als gevolg van het amendement van het Kamerlid Van Dijk c.s.; zie Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 7 (Amendement van het Lid Inge van Dijk c.s.).
Zie Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 11.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 2.
De MvT verwijst als voorbeeld naar Rb. Amsterdam 20 juli 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:4717. Zie daarover meer in 7.21 hieronder.
De MvT verwijst naar Kamerstukken II 2020/21, 29 279, nr. 639 (Brief van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 februari 2021) en Kamerstukken II 2022/23, 29 279, nr. 734 (Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 30 september 2022).
De MvT verwijst naar Bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 29 279, 796.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 6.
Voetnoot in origineel: Afgerond op hele procenten. Het percentage van de bezwaarprocedures die werden gevoerd door «no cure no pay»-gemachtigden betreft het percentage van de bezwaren die in het betreffende jaar zijn ingediend. Het percentage van de (hoger) beroepsprocedures die werden gevoerd door «no cure no pay»-gemachtigden betreft het percentage van de (hoger) beroepen die in het betreffende jaar werden afgedaan door respectievelijk de rechtbanken en gerechtshoven.
Voetnoot in origineel: Van beroep in bezwaar. Werkwijze en verdienmodel «no cure no pay» bedrijven WOZ en BPM, Den Haag: WODC 2021, p. 54, 79 en 94.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 7.
Voetnoot in origineel: Van beroep in bezwaar. Werkwijze en verdienmodel «no cure no pay» bedrijven WOZ en BPM, Den Haag: WODC 2021, p. 43 en 51.
Voetnoot in origineel: In 2020 werd voor de bpm € 267.175 aan proceskostenvergoedingen en vergoedingen vanimmateriële schade uitgekeerd. In 2021 liep dat bedrag op tot € 481.051 en in 2022 ging het om € 657.332.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 7-8.
Voetnoot in origineel: Jaarverslag Rechtspraak 2022 (bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 29 279, nr. 796).
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 6 (NnavV), p. 3-4.
Idem.
De MvT dateert van 19 september 2023.
Inmiddels is bekend dat de totaal uitbetaalde pkv in WOZ-zaken in 2023 een forse € 41 miljoen bedroeg. Zie https://www.waarderingskamer.nl/over-ons/woz-in-cijfers (online geraadpleegd op 1 augustus 2024).
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 6 (NnavV), p. 5-6.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 8.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 9-11.
Voetnoot in origineel: Van beroep in bezwaar. Werkwijze en verdienmodel «no cure no pay» bedrijven WOZ en BPM, Den Haag: WODC 2021.
Voetnoot in origineel: De hoogte en de structuur van de kostenvergoeding voor bedrijven die helpen bij het maken van bezwaar tegen woz-beschikkingen, Groningen: COELO, Rijksuniversiteit Groningen 2021.
Voetnoot in origineel: Ibid., p. 47-50.
Voetnoot in origineel: Ibid., p. 33.
Voetnoot in origineel: Ibid., p. 18-20.
Voetnoot in origineel: Ibid., p. 15.
Voetnoot in origineel: Ibid., p. 47.
Voetnoot in origineel: Ibid., p. 48.
Voetnoot in origineel: Rechtbank Gelderland 9 december 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:6567. [PJW: zie 7.22 hieronder.]
Voetnoot in origineel: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 22 april 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1273. [PJW: zie 7.23 hieronder.]
Voetnoot in origineel: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6485; gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 12 april 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1211. [PJW: zie 7.24 en 7.25 hieronder.]
Voetnoot in origineel: HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752.
Voetnoot in origineel: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 31 mei 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1795. [PJW: zie 7.27 hieronder.]
Gedoeld wordt op de analyse van het COELO zoals gepubliceerd in De hoogte en de structuur van de kostenvergoeding voor bedrijven die helpen bij het maken van bezwaar tegen woz-beschikkingen, Groningen: COELO, Rijksuniversiteit Groningen 2021.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 11.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 12.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 25.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 27: “Voor de toelichting op het voorgestelde artikel 19a Wet BPM 1992 wordt verwezen naar de toelichting op artikel I (artikel 30a Wet WOZ).”
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 6 (NnavV), p. 7.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 24.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 6 (NnavV), p. 9.
Voetnoot in origineel: Stb. 1993, 673.
Voetnoot in origineel: Zie bijv. CRvB 30 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:952.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 18.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 19-20.
Voetnoot in origineel: Zie hierover uitgebreider paragraaf 3.1.1.
Voetnoot in origineel: Zie hierover met name de paragrafen 1, 3.1.1 en 3.2.
Voetnoot in origineel: Zie de in de paragrafen 3.1.1, 3.2 en 3.3 aangehaalde jurisprudentie.
Voetnoot in origineel: Artikel 26, tweede lid, AWR.
Voetnoot in origineel: Zie hierover paragraaf 3.1.1 hierboven, waarin onder meer het rapport van het COELO wordt besproken.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 23.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 6 (NnavV), p. 15.
Voetnoot in origineel: Zie het jaarverslag van de Hoge Raad over 2022 onder «contacten met de wetgever».
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 4 (Advies Afdeling advisering Raad van State en nader rapport), p. 6.
Kamerstukken I 2023/24, 36 427, nr. C (Nota naar aanleiding van het verslag), p. 3.
Idem, p. 4.
Idem, p. 5-6.
Kamerstukken I 2023/24, 36 427, nr. E (Nota naar aanleiding van het tweede verslag), p. 2.
Idem, p. 5.
Voetnoot in origineel: Zie bijvoorbeeld HR 10 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4768.
Idem, p. 6.
Kamerstukken II 2024/25, 36 602 (Belastingplan 2025), nr. 2024Z14986 (Nota van wijziging), p. 5 en 7.
Onderdeel B2 van de bijlage bij het Bpb kent thans € 310 per punt toe voor bezwaarbijstand in fiscale zaken en € 624 in niet-fiscale zaken (tarief 2024).
Kamerstukken II 2024/25, 36 602 (Belastingplan 2025), nr. 2024Z14986 (Nota van wijziging), p. 7-8.
Voetnoot in origineel: 0,25 (factor) x 2 (punten) x € 624 (tarief) x 1 (weging) = € 312.
Voetnoot in origineel: Het HR-arrest heeft geen invloed op de hoogte van de uit te keren proceskostenvergoeding in Wahv-zaken. Een aanpassing van de factor in artikel 13a, tweede lid, Wahv is dus niet nodig.
Voetnoot in origineel: Voor de volledigheid merkt het kabinet op dat de factor zoals ingevoerd met de Wet herwaardering enkel voor bezwaarzaken wordt aangepast. Het basistarief dat geldt voor (hoger-)beroepszaken blijft immers ongemoeid door het HR-arrest en de wijziging van het Bpb.
Voetnoot in origineel: Zie artikel 13a, tweede lid, Wahv.
Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2023/24, 36427, nr. 3, p. 18-21.
Voetnoot in origineel: Zie o.a. Kamerstukken II 2023/24, 36427, nr. 3, p. 19-20, en nr. 6, p. 7.
Voetnoot in origineel: HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, rechtsoverweging 3.4.2.
Voetnoot in origineel: ‘Op (proces)kosten gejaagd?, onderzoek naar ‘oneigenlijk gebruik’ van bestuursrechtelijke procedures met het oog op proceskostenvergoedingen’, Pro Facto, Groningen, 10 april 2024, paragraaf 4.3.2, p. 43-46.
Voetnoot in origineel: ‘Op (proces)kosten gejaagd?, onderzoek naar ‘oneigenlijk gebruik’ van bestuursrechtelijke procedures met het oog op proceskostenvergoedingen’, Pro Facto, Groningen, 10 april 2024, p. 7. Sommige ncnp-bureaus lijken zich volgens de onderzoekers steeds meer te richten op bezwaren tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting. BZK zal in de komende periode een expertmeeting organiseren met de betrokken organisaties om te verkennen welke oplossingsrichtingen voor oneigenlijk gebruik in dit rechtsgebied kunnen worden uitgewerkt.
HR 9 augustus 2013, na conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:HR:2013:474, BNB 2013/230 met noot Meussen; JAR 2013/233 met noot Van Gasteren; NTFR 2013/1671 met noot Pancham; V-N 2013/37.13 met noot Redactie.
Conclusie A-G Niessen 1 mei 2013, ECLI:NL:PHR:2013:CA0873, NTFR met noot Van Mulbregt; V-N 2013/36.14 met noot Redactie.
Zie de conclusie van A-G Niessen vanaf par. 4.3.
HvJ EU 24 februari 2015, na conclusie A-G Kokott, C-512/13 (Sopora), ECLI:EU:C:2015:108, BNB 2015/133 met noot Meussen; FED 2015/34 met noot De Groot; NJ 2015/316 met noot Zwemmer; NTFR 2015/1064 met noot Steijn; V-N 2015/14.16 met noot Redactie.
HR 4 maart 2016, na conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:HR:2016:360, BNB 2016/152 met noot Meussen; FED 2016/129 met noot De Wilde en Wisman; NTFR 2016/860 met noot Steijn; V-N 2016/15.19 met noot Redactie.
HR 22 november 2013, na conclusie A-G IJzerman, ECLI:NL:HR:2013:1211, BNB 2014/30 (https://www.inview.nl/document/id05bf0ee61be7444ca90f56f09616946c/bnb-2014-30-bedrijfsopvolgingsfaciliteit-schenk-en-erfbelasting-niet-in-strijd-met-discriminatieverbod/ecli-nl-hr-2013-1211-bnb-2014-30-bedrijfsopvolgingsfaciliteit-schenk-en-erfbelasting-niet-in-strijd-met-discriminatieverbod?ctx=WKNL_CSL_17&anchor=documentgegevens&tab=tekst) met noot Happé; FED 2014/30 met noot Gubbels. Zie ook de vier andere op dezelfde dag gewezen en gelijkluidende arresten met nrs. ECLI:NL:HR:2013:1212 (BNB 2014/31 met noot Happé), ECLI:NL:HR:2013:1206 (V-N 2013/59.21 met noot Redactie), ECLI:NL:HR:2013:1209 (NTFR 2013/2324 met noot Schols) en ECLI:NL:HR:2013:1210.
Zie onder meer: CPB, Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, april 2022, p. 1, M.J. Hoogeveen, De kwaliteit van de fiscale bedrijfsopvolgingswetgeving, diss. Tilburg, Sdu Den Haag, 2011, p. 521 en C.G. Dijkstra, L.A.G.M. van der Geld, R.L.M.C. Janssen, FW.J.M Schols e.a., De bedrijfsopvolgingsregeling gewikt en gewogen. Een peiling onder professionals en een verkenning onder ondernemers, 2022, p. 5; te raadplegen via https://www.ru.nl/sites/default/files/2024-01/rapport_de_bedrijfsopvolgingsregeling_gewikt_en_gewogen.pdf.
Zie ook HR 13 september 2024 (forensenbelasting Gulpen), na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2024:1178, Belastingblad 2024/345 met noot Monsma; NLF 2024/2172 met noot Froentjes; NTFR 2024/1466 met noot Dijkstra; V-N 2024/41.19 met noot Redactie.
M.R.T. Pauwels, ‘Belastingen en mensenrechtenverdragen: kroniek 2011-2013’, MBB 2014/4, p. 183.
HR 14 november 2008, na conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:HR:2008:BD0181, BNB 2010/3 met noot Happé; FED 2009/41 met noot Van Roij; NTFR 2008/2243 met noot Vrolijks; V-N 2008/55.5 met noot Redactie.
Zie r.o. 3.2 en Gerechtshof Amsterdam 20 augustus 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ9883, NTFR 2004/1383 met noot Maat. Overigens heeft het Hof niet uitdrukkelijk geoordeeld welk discriminatieverbod volgens hem is geschonden, hoewel in de ‘inhoudsindicatie’ van rechtspraak.nlart. 26 IVBPR wordt genoemd.
Zie P.J. Wattel, De reikwijdte van fundamentele rechten in belastingzaken, NJV-preadvies, Handelingen NJV 1995-I; Tjeenk Willink Zwolle 1996, p. 195.
EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, ECLI:NL:XX:1999:AV1935, BNB 2002/398 m.nt. Happé (Della Ciaja/Italië).
Zie R.H. Happé, Het gelijkheidsbeginsel: de rechtspraak van het EHRM biedt meer ruimte dan de Hoge Raad benut, in: L.J.A. Pieterse (red.), Draaicirkels van formeel belastingrecht, Amersfoort: SDU (2009), p. 179-180. Happé meent dat het EHRM met dit arrest de margin of appreciation voor belastingzaken preciseert. In de rechtspraak tot dan toe kende het EHRM steeds een certain margin toe aan de wetgever toe en in dit arrest werd dat voor belastingzaken verruimd naar een wide margin.
EHRM 12 april 2006, nrs. 67531/01 en 65900/01, ECLI:CE:ECHR:2006:0412JUD006573101 (Stec en anderen/Verenigd Koninkrijk).
EHRM 29 april 2008, nr. 13378/05, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805, NJ 2008, 306 met noot Alkema (Burden and Burden/Verenigd Koninkrijk).
Rechtbank Amsterdam 20 juli 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:4717.
Rechtbank Gelderland 9 december 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:6567.
Voetnoot in origineel: Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2990.
Voetnoot in origineel: Hoge Raad 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2794.
Voetnoot in origineel: HvJ EU 28 juli 2016, zaak C-57/15, United Video Properties Inc, ECLI:EU:C:2016:611.
HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2990, BNB 2016/26 met noot van Eijsden, NTFR 2015/2881 met noot J.M. van der Vegt.
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 22 april 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1273.
Voetnoot in origineel: Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 24 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3979.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6485.
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 12 april 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1211.
Voetnoot in origineel: zie Hoge Raad 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415.
Voetnoot in origineel: vergelijk Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2990 en Hof ’s Hertogenbosch 24 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3972.
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 31 mei 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1795, NTFR 2023/1053 met noot Huygen van Dyck-Jagersma.
Voetnoot in origineel: Onder meer Rechtbank Noord-Nederland 4 april 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:1154, r.o. 12 (gering financieel belang invorderingsrentebeschikking BPM-teruggave), Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 juni 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:3148, r.o. 2.21 (uitzondering op de veronderstelling van spanning en frustratie vanwege ‘procederen tegen beter weten in’ BPM kampeerauto’s), Rechtbank Gelderland 22 maart 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:1686, r.o. 22-24 (rentebeschikkingszaak is accessoir aan BPM-zaak, gering financieel belang en onwetendheid procedure bij belanghebbende), Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31 maart 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1949, r.o. 2.2 (WOZ, € 50 vergoeding per half jaar overschrijding).
Voetnoot in origineel: Onder meer tot uitdrukking komende in media-uitingen (voor een kleine greep daaruit betreffende de WOZ zie conclusie A-G Pauwels, ECLI:NL:PHR:2023:290, onderdeel 3.2 en het artikel ‘Casino-procederen: een commercieel bureau bezwaar laten maken tegen je boetes en aanslagen en hopen dat je wint’ uit de NRC van 19 april 2023) en in de brief Staatssecretaris van Financiën van 23 maart 2023, 2023-0000070399.
Rechtbank Oost-Brabant 30 september 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:4103, Belastingblad 2023/6 met noot Monsma.
Rechtbank Gelderland 27 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4366, NTFR 2023/1581 met noot Bosman en Rechtbank Gelderland 27 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4368.
Rechtbank Gelderland 27 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4368, r.o. 2-3.
Rechtbank Gelderland 27 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4366, NTFR 2023/1581 met noot Bosman.
Voetnoot in origineel: Terug te vinden in Gerechtshof Den Bosch 26 oktober 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3795.
Rechtbank Gelderland 27 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4369.
Rechtbank Gelderland 27 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4370.
Het rapport is als bijlage gevoegd bij Kamerstukken II 2020/21, 29 279, nr. 639 (Brief van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 februari 2021) en online te raadplegen via https://open.overheid.nl/documenten/ronl-8909b0c1-8ac2-45aa-b8f6-2cbe1fd44e5b/pdf.
Online te raadplegen via https://www.coelo.nl/images/rapporten/Rapport_bezwaar_woz_door_bedrijven.pdf.
Het rapport is als bijlage gevoegd bij Kamerstukken II 2023/24, 29 279, nr. 864 (Brief van de Minister voor Rechtsbescherming van 18 juni 2024) en online te raadplegen via https://open.overheid.nl/documenten/dpc-ac20e87f00eb5209c60d97ec82588e36f431dc62/pdf.
Idem, p. 5.
Idem, p. 63-64.
Idem, p. 64-65.
Toevoeging PJW: bedoeld is Rb Noord-Holland 8 april 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:3145. Het rapport verwijst ernaar in verband met de (on)mogelijkheid voor de overheid om met een onrechtmatige daadsactie tegen gemachtigden in WOZ- en Bpm-zaken oneigenlijk gebruik en misbruik van procesrecht te beteugelen.
Idem, par. 4.3.2 (p. 43 e.v.) en 4.4.3 (p. 56 e.v.).
Idem, p. 43.
Idem, p. 67.
Idem, p. 65-66.
Idem, p. 67-68.
Ik neem aan dat daarmee waardeklassen worden bedoeld.
Brief van 18 juni 2024, ‘Kabinetsreactie WODC-onderzoek naar ‘oneigenlijk gebruik’ van proceskostenvergoedingen’, kenmerk 5533407.
Idem, p. 6. De minister verwijst naar Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 133, p. 8-9 inzake die verkenning en Kamerstukken II 2023/24, 29 279, nr. 828, p. 1 inzake de voortgang van die verkenning.