Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/1.4
1.4 Strafrecht
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180131:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Artikelen 344a en 344b Sr.
Wet van 8 april 2016 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten met het oog op het verbeteren van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging, alsmede het voorkomen van faillissementsfraude (herziening strafbaarstelling faillissementsfraude), Stb. 2016, 154.
Besluit van 27 mei 2016 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet civielrechtelijk bestuursverbod en van de Wet van 8 april 2016 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten met het oog op het verbeteren van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging, alsmede het voorkomen van faillissementsfraude (herziening strafbaarstelling faillissementsfraude), Stb. 2016, 205.
Kamerstukken 33 994, Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, nr. 3 (MvT), p. 9.
Kamerstukken 33 994, Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, nr. 3 (MvT), p. 9.
Kamerstukken 33 994, Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, nr. 3 (MvT), p. 10.
Kamerstukken 33 994, Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, nr. 3 (MvT), p. 10. Naast de artikelen 2:10 BW en 3:15i BW verwijst de minister ook naar artikel 5, eerste lid, juncto artikel 1, tweede lid, Wfbv.
Voor de volledigheid merk ik op dat in artikel 344a lid 2 onder 1° Sr ook strafbaar is gesteld het opzettelijk niet-afgeven van de op grond van de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie door een bestuurder of commissaris in geval van het faillissement van de rechtspersoon. Deze strafbaarstelling is gerelateerd aan de verplichting tot het onder zich nemen van onder meer bescheiden en gegevensdragers als bedoeld in artikel 92 Fw (Kamerstukken 33 994, Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, nr. 3 (MvT), p. 10). De bewaarplicht komt aan de orde in hoofdstuk 10.
Met opzettelijk wordt gedoeld op alle vormen van opzet, variërend van opzet als oogmerk tot voorwaardelijke opzet.
Zowel het niet-naleven van de afgifteplicht als bedoeld in artikel 344a lid 2 onder 1° Sr als het niet-naleven van de administratie- en bewaarplicht als bedoeld in artikel 344a lid 2 onder 2° Sr wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vijfde categorie.
Voor artikel 344b lid 2 Sr geldt als straf een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie.
D.R. Doorenbos, ‘Criminalisering van de administratieplicht’, Mr. Online 15 augustus 2014.
Kamerstukken 33 994, Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, nr. 3 (MvT), p. 12.
In artikel 1 4° WED wordt vermeld dat ook voor zover dit artikel van toepassing is of van overeenkomstige toepassing is op stichtingen en verenigingen als bedoeld in artikel 2:360 lid 3 BW, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, Europese naamloze vennootschappen, Europese economische samenwerkingsverbanden, Europese coöperatieve vennootschappen of formeel buitenlandse vennootschappen als bedoeld in de Wfbv, sprake is van een economisch delict dat als overtreding strafbaar is gesteld.
De schending van artikel 2:10 lid 1 BW en artikel 3:15i BW leidt tot een hechtenis van ten hoogste zes maanden, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie, artikel 6 lid 1 5° WED.
Kamerstukken 33 994, Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, nr. 3 (MvT), p. 12.
Kamerstukken 33 994, Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, nr. 3 (MvT), p. 12.
D.R. Doorenbos, Financieel strafrecht: een studie inzake strafrechtelijk gesanctioneerde voorschriften uit de bank- en effectenwetgeving (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 1992, p. 337-338.
Schending van de administratieplicht leidt in geval van faillissement van de naamloze vennootschap of besloten vennootschap niet alleen tot de vaststelling van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:138 lid 2/2:248 lid 2 BW met daarbij het risico voor iedere bestuurder aansprakelijk te zijn voor het tekort in de boedel. Schending van de administratieplicht is ook een misdrijf op grond van het Wetboek van Strafrecht.1
Tot de inwerkingtreding van de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude2 op 1 juli 20163 was het niet-naleven van de administratieplicht voor bestuurders en commissarissen van rechtspersonen strafbaar gesteld in de artikelen 341 en 343 Sr, de zogenoemde bedrieglijke bankbreukbepalingen. Uit de Memorie van Toelichting van de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude volgt dat deze bepalingen te wensen overlieten, omdat voor strafbaarstelling het vooruitzicht op het intreden van het faillissement en de opzet op de benadeling van schuldeisers noodzakelijk waren. Wanneer deze beide elementen niet konden worden bewezen, was het in stand houden van een onvolkomen administratie straffeloos.4 De Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude beoogt hierin verandering te brengen op basis van het uitgangspunt dat een onvolledige administratie vrijwel altijd nadelige gevolgen kan hebben voor de rechten van schuldeisers.5 Daaraan voegde de minister nog toe dat bij een lacuneuze boekhouding niet zelden cruciale informatie ontbreekt, die zou kunnen wijzen op strafbare feiten, zoals de onttrekking van goederen aan de boedel. Hij concludeert dat een strafbaarstelling van het niet-naleven van de administratieve verplichtingen in dit opzicht een sleutelpositie vervult bij de bestrijding van faillissementsfraude.6
Met de inwerkingtreding van de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude, is de strafbaarstelling in verband met het niet-naleven van de administratieplicht ondergebracht in de nieuwe artikelen 344a en 344b Sr. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat de minister voor de strafbaarstelling een duidelijk onderscheid maakt tussen de verplichting de administratie aan de curator af te geven (de afgifteplicht), de verplichting een administratie te voeren (de administratieplicht) en de verplichting de administratie te bewaren (de bewaarplicht). Voor de laatste twee verplichtingen verwijst de minister expliciet naar de civielrechtelijke normen die zijn neergelegd in de artikelen 2:10 en 3:15i BW.7 Met de nieuwe artikelen 344a en 344b Sr is er dus een duidelijke samenhang gecreëerd tussen de strafrechtelijke norm(schending) en de civielrechtelijke norm voor de administratieplicht.
In artikel 344a lid 2 onder 2° Sr8 is als een misdrijf strafbaar gesteld het opzettelijk9 door een bestuurder of commissaris tijdens het faillissement van een rechtspersoon of voorafgaand daaraan niet voldoen aan of bewerkstelligen dat niet wordt voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling van het faillissement wordt bemoeilijkt.10
Naast de strafbaarstelling van de opzettelijke niet-naleving van de administratie- en bewaarplicht kent artikel 344b Sr ook een variant voor de schuldige niet-naleving van administratie- of bewaarplicht. Op grond van artikel 344b lid 2 Sr is als misdrijf strafbaar de bestuurder of commissaris van een rechtspersoon aan wiens schuld het te wijten is dat tijdens het faillissement van de rechtspersoon, of voor het faillissement indien het faillissement is gevolgd, niet is voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt.11
Als gevolg van de invoering van de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude is ook het niet-voeren van een administratie zelfstandig strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten.12 De minister motiveerde deze zelfstandige strafbaarstelling ook zonder dat sprake is van een faillissement door erop te wijzen dat de administratieplicht een belangrijke zorgvuldigheidsnorm vormt, die een ieder die deelneemt aan het economische verkeer moet naleven.13 Verder wijst de minister erop dat een zorgvuldige administratie noodzakelijk is om een onderneming gezond te houden. Bij een gebrekkige administratie ontbreekt het inzicht in de financiële huishouding die nodig is voor een adequate interne controle. Een zorgvuldige administratie draagt bij aan het voorkomen van fraude en wanbeheer. Ten slotte merkt de minister in dit kader nog op dat het een gegeven is dat het ontbreken van een zorgvuldige administratie de mogelijkheden tot herstel en vereffening “ernstig bemoeilijkt” in het geval van een faillissement.
Aldus is per 1 juli 2016, ook wanneer geen sprake is van een faillissement, het niet-naleven van de administratieplicht als economisch delict strafbaar gesteld door toevoeging van artikel 2:10 lid 1 BW14 en artikel 3:15i BW aan artikel 1 4° WED.15
Niet duidelijk is waarom voor artikel 2:10 BW alleen het schenden van lid 1 als een overtreding strafbaar is gesteld, terwijl bij de toepasselijkheid van artikel 3:15i BW die beperking niet is opgenomen in artikel 1 4° WED. Dat heeft tot gevolg dat via de schakelbepaling in artikel 3:15i lid 2 BW het niet-naleven van de leden 2 tot en met 4 van artikel 2:10 BW ook als een overtreding strafbaar is gesteld, terwijl dit niet het geval is bij artikel 2:10 BW. Een motivering voor dit verschil is in de wetsgeschiedenis niet te vinden. Vermoedelijk is sprake van een onvolkomenheid in het wetgevingsproces. De vraag rijst of die onvolkomenheid bestaat uit (i) het feit dat bij artikel 2:10 BW overtreding van de leden 2 tot en met 4 niet als een strafbare overtreding is opgenomen in artikel 1 4° WED of (ii) dat in artikel 1 4° WED ten onrechte aan artikel 3:15i BW niet “lid 1” is toegevoegd.
De relevante paragraaf in de Memorie van Toelichting bij de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude, vangt aan met de zin:16
“In aanvulling op de artikelen 344a en 344b Sr wordt voorgesteld het niet-voeren van administratie, ook onafhankelijk van het intreden van een faillissement, zelfstandig strafbaar te stellen als WED-delict.”
In het hieraan voorafgaande deel in de Memorie van Toelichting wordt een expliciet onderscheid gemaakt tussen de administratie- en bewaarplicht, daar waar het gaat om de toepasselijkheid van artikel 2:10 BW en artikel 3:15i BW. Uit de omschrijving van die verplichtingen volgt dat het gaat om het voeren van een administratie enerzijds en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers anderzijds. Deze beide elementen liggen besloten in artikel 2:10 lid 1 BW. De bewaarplicht wordt verder vormgegeven in artikel 2:10 lid 3 (bewaartermijn) en artikel 2:10 lid 4 (elektronisch bewaren). De gehanteerde terminologie van de administratieplicht en de bewaarplicht en het ontbreken van enige referentie aan de leden 2 tot en met 4 van artikel 2:10 BW, maken het aannemelijk dat de omissie is, dat ten onrechte geen “lid 1” is toegevoegd aan artikel 3:15i BW bij het opnemen ervan in artikel 1 4° WED.
Daar kan tegenin worden gebracht dat in de Memorie van Toelichting bij de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude in de paragraaf over de algemene strafbaarstelling van de administratieplicht in de Wet op de economische delicten uitdrukkelijk wordt verwezen naar de “administratievoorschriften van de artikelen 2:10 en 3:15i BW”. In de daarop volgende zin wordt echter weer verwezen naar de “verplichting tot het voeren van een behoorlijke administratie”, hetgeen weer meer lijkt op de in artikel 2:10 lid 1 BW neergelegde verplichting tot het voeren van een administratie en niet op de bewaarplicht.17
Al met al is het – ook in het licht van het legaliteitsbeginsel – beter verdedigbaar te concluderen dat de wetgever ten onrechte “lid 1” niet aan de strafbaarstelling van artikel 3:15i BW heeft toegevoegd. Daardoor is de schending van de verplichtingen in de leden 2 tot en met 4 van artikel 2:10 BW in geval van de toepasselijkheid van artikel 3:15i BW thans ten onrechte, althans onbedoeld, een strafbaar economisch delict.18