Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/6.2.3.2
6.2.3.2 Precariorechten
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS613684:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Sinds 19 mei 2004 is het niet meer mogelijk precariobelasting te heffen ter zake van niet gevulde mantelbuizen ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, omdat sprake is van een wettelijke gedoogplicht. De gedoogplicht voor niet gevulde mantelbuizen is beperkt tot tien jaar (artikel 5.2, achtste lid Tw). Als een niet gevulde mantelbuis niet binnen tien jaar in gebruik wordt genomen, vervalt de gedoogplicht en kan precariobelasting worden geheven. De aanleggers krijgen zo ruim de tijd om de voorzieningen zelf in gebruik te nemen of door (andere) aanbieders van elektronische communicatienetwerken te laten gebruiken. De regeling geldt voor voorzieningen die na 1 februari 2007 zijn aangelegd. Voor ongebruikte kabels, lege mantelbuizen of andere ondergrondse ondersteuningswerken of beschermingswerken die al in de grond liggen geldt een overgangsregeling (artikel 20, vijfde lid, van de Tw).
Motie van lid De Pater-Van der Meer, Kamerstukken II 2004/05, 29 800 B, nr. 9.
Uit: Advies Stuurgroep verkenning decentraal belastinggebied, mei 2005, p. 5.
Brief van 25 augustus 2005, inzake het kabinetsstandpunt Eenhoom, te vinden op de website van het Ministerie van BZK (http://www.minbzk.nYactueel?ActItmldt=54685).
Kamerstukken II 2006/07, 30 800 B en 30 800 VII, nr. 18.
Kamerstukken I 2006/07 , 30 475 C, memorie van antwoord, p. 8.
Deze circulaire is te vinden op de site van het Ministerie van BZK (http://www.bzk.nUalgemeneonder delen/uitgebreid_zoeken?Zoe=precario%208JoeWay=or&ZoeOrd=relevance&Sttntm=8ffindDIm=8E pager_page=1).
Zie p. 25 van de Circulaire Gemeentefonds van 20 mei 2008, eveneens te vinden op de site van het Ministerie van BZK. Bij vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor 2009 (Kamerstukken II 2008/09, 31 700 B, nr. 2, p. 5 e.v. en 29 e.v.) is de afschaffing van de precario bevestigd en tevens weergegeven dat dit door middel van een wijziging in de Gemeentewet wordt verankerd. Zie ook de vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor 2010 (Kamerstukken II 2009/10, 32 123 B, nr. 2, p. 30 e.v.
Kenmerk brief: 2010-0000171398, te vinden op de website van het Ministerie van BZK.
Precariobelasting is een algemene belasting waarvan de opbrengsten naar de algemene middelen van de gemeenten gaan. Deze belasting stond in dit verband vooral ter discussie vanuit het perspectief van de rechtsongelijkheid. Voor telecomnetten van telecombedrijven bestaat immers een uitzondering, maar deze geldt niet voor elektriciteitsnetten en waterleidingen. De gedachte achter de vrij stelling van telecombedrijven is dat voor gemeentelijke precarioheffing geen plaats is omdat de regulering van die markt primair een rijksaangelegenheid is. Ook is de gedoogplicht ter zake van telecomnetten ingevoerd om de verdere ontwikkeling van elektronische infrastructuren te versnellen.1 Voor de heffing van precariobelasting is vereist dat gemeenten uitdrukkelijk of stilzwijgend voorwerpen van derden onder, op, of boven de gemeentegrond accepteren. De gemeente moet het hebben van voorwerpen dus kunnen verbieden, terwijl in sommige gevallen de gemeente voorwerpen moet gedogen. Bij dit laatste is de vraag of gemeenten precario mogen heffen voor objecten die zij gedogen. In beginsel is het uitgangspunt dat indien een publiekrechtelijke gedoogverplichting geldt er geen precario kan worden geheven en dat als sprake is van een privaatrechtelijke toestemming wel precario geheven kan worden. Tijdens de vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2005 is een motie ingediend met het verzoek om de problematiek van de heffing van precario op ondergrondse infrastructuur van nutsbedrijven te betrekken bij de verkenning decentraal belastinggebied.2 Deze verkenning is uitgevoerd door de Stuurgroep onder leiding van Bas Eenhoorn en heeft geresulteerd in een rapport met ten aanzien van de heffing van precario het volgende advies:3
`Ten eerste de variant waarin benadrukt wordt dat gemeenten de mogelijkheid hebben om precario te heffen op de ondergrondse infrastructuur. Dat staat echter op gespannen voet met de situatie voor telecomnetwerken. Daar geldt namelijk een gedoogplicht, zodat er geen sprake is van heffing van precario. De tweede variant is het vrijstellen van heffing op de ondergrondse infrastructuur. De gederfde inkomsten van gemeenten dienen dan wel van een andere dekking te worden voorzien. De Stuurgroep adviseert de tweede variant als onderdeel van het totaalpakket, waarbij de dekking van het verlies aan inkomsten (en de verdeeleffecten) zou kunnen worden opgevangen door de 'nieuwe' belasting opcenten op de IB/LB.'
In een brief aan de Tweede Kamer heeft de minister van BZK het kabinetsstandpunt verwoord ten aanzien van het advies van de stuurgroep. Dit standpunt was:4
`Het kabinet zal tegemoet komen aan de wensen van de Tweede Kamer en de gedoogplicht voor telecombedrijven doortrekken naar ondergrondse infrastructuur van nutsbedrijven. De Gemeentewet zal hierop worden aangepast. Tevens zal door de werkgroep worden onderzocht of de gedoogplicht kan worden uitgebreid met alle ondergrondse kabels en leidingen.'
Het standpunt ten aanzien van de heffing van precariorechten werd echter weer gewijzigd. In een brief aan de Tweede Kamer schrijft (ditmaal) de staatssecretaris van BZK:5
`Hoewel ik sympathie koester voor de achterliggende gedachte van de moties, ben ik toch om juridische en technische redenen tot de conclusie gekomen dat deze lijn niet moet worden gevolgd. Invoering van een nieuwe vrijstelling in de precariobelasting zou leiden tot een ongewenste lastendrukverschuiving. (...) Daarnaast zijn er nog diverse technische redenen om deze vrijstelling thans niet in te voeren zoals onder andere de problematiek van de bekostiging van het leggen en verleggen van de kabels, eigendoms- en definitiekwesties. (...) Na bestudering van deze problematiek ben ik tot de conclusie gekomen dat een gedeeltelijke afschaffing van de bevoegdheid tot heffing van precariobelasting als hier bedoeld te veel problemen op zou roepen. Ik stel daarom voor de discussie over precario-belasting ook in een breder kader te bezien: de toekomst van het belastinggebied van lokale overheden. De relevante vraag is of precario als instrument voor gemeenten noodzakelijk is.'
Vervolgens is in de parlementaire geschiedenis van de Wion het volgende opgemerkt:6
`In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie naar de stand van zaken ten aanzien van een landelijke regeling van precariobelasting op ondergrondse netten, merk ik op dat geen landelijke regeling zal worden voorgesteld tot afschaffing van de heffing van precariobelasting op ondergrondse kabels en leidingen. Ik verwijs hiervoor naar de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties van 10 juli jl. (Kamerstukken II 2006/07, 30 800 B en 30 800 VII, nr. 18). De Vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer heeft naar aanleiding hiervan schriftelijk vragen gesteld (vra2007bzk-19 van 21 september 2007), die de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een dezer dagen zal beantwoorden. In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie in hoeverre gemeenten reeds tot het heffen van een precariobelasting op ondergrondse netten zijn overgegaan, kan ik meedelen dat dit momenteel geldt voor minder dan 40 gemeenten.'
Hoewel het ernaar uitzag dat géén landelijke regeling tot afschaffing van de precario-belasting op ondergrondse netten zou worden voorgesteld, leek dit uitgangspunt tóch weer gewijzigd. In de Circulaire Provinciefonds van 24 juni 2008 staat namelijk het antwoord van de Staatssecretaris van BZK:7
`Tijdens het Algemeen Overleg van 6 maart 2008 heeft de Tweede Kamer aangedrongen om te komen tot de vrijstelling voor ondergrondse infrastructuur van nutsbedrijven op precario. Dit voornemen was eerder gemeld in voorafgaande circulaires, maar nog niet geëffectueerd als gevolg van de vraag naar de dekking van de gederfde inkomsten bij gemeenten en provincies. Dit op grond van artikel 2 Financiële verhoudingswet. Het is de bedoeling om de wens van de Kamer zo uit te voeren dat alleen de onder- en bovengrondse infrastructuur van nutsbedrijven en netbeheerders wordt vrijgesteld. Dit is wetstechnisch goed af te bakenen. De precariobelasting blijft bestaan als regulerend instrument ter zake van onder andere terrassen en andere objecten boven, op en in de openbare grond. De compensatie voor de te derven inkomsten van de provincies ligt bij de provinciale opcenten. Het streven is de wetswijziging per 1 januari 2010 in te laten gaan. De voorbereiding van de wetgeving en de parlementaire behandeling zijn naar inschatting niet voor 2009 af te ronden.'
In de Circulaire Gemeentefonds is het voorgaande eveneens afgekondigd met daarbij het verzoek aan gemeenten om hoge aanslagen die thans worden opgelegd aan nutsbedrijven geleidelijk vanaf 2009 af te bouwen omdat daarna geen precario meer geheven zal kunnen worden op de ondergrondse infrastructuur. De dekking van de gederfde inkomsten voor gemeenten zouden gezocht moeten worden in de OZB.8 In een brief aan de Tweede Kamer van 1 april 2010 heeft de minister van BZK aangegeven dat gelet op het kritische advies van de Raad van State het wetsvoorstel vrij stelling precariobelasting op netwerken van nutsbedrijven, niet in te dienen. De minister eindigt de brief met de zin: 'Gewogen al deze argumenten komt het kabinet tot de conclusie dat dit niet het juiste moment is om het wetsvoorstel in te dienen bij uw Kamer.' Hieruit lijkt te volgen dat de afschaffing van precariorechten op netwerken van nutsbedrijven in de toekomst alsnog zal worden doorgevoerd.9 Kortom, na een zeer uitvoerige discussie waarbij de standpunten meermaals zijn veranderd, lijkt te volgen dat op termijn de precariobelasting voor ondergrondse netten — dus niet alleen voor telecomnetten — zal worden afgeschaft.