Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/8.2.5
8.2.5 Entiteit
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS602951:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
F. den Hollander, ‘Ballotage voor de fiscale eenheid in de omzetbelasting’, WFR 1987, p. 1201, merkt op dat de entiteitgedachte al door J. Reugebrink werd bestreden. Kritisch is ook C.P. Tuk in zijn noot bij het arrest van HvJ EG van 12 juni 1979, in de gevoegde zaken 181/78 en 229/78, BNB 1980/44. Van Hilten en Van Kesteren (2007) denken echter dat het mogelijk is dat een combinatie van verschillende natuurlijke personen als een entiteit en dus als een ondernemer wordt aangemerkt, indien de samenwerking tussen deze personen enige duurzaamheid bezit.
R.R.J.M. Keijsers concludeert in zijn noot bij HR 6 november 1985, nr. 23 026, FED 1986/844, dat de entiteit uitsluitend ziet op groeperingen van natuurlijke personen. D.G. van Vliet, ‘Samen één ondernemer voor de omzetbelasting’, WFR 1986, p. 609, beschrijft echter dat in oudere jurisprudentie is bevestigd dat rechtspersonen die een fiscale eenheid vormen, ook als een combinatie op grond van art. 7, eerste lid, Wet OB 1968 hadden kunnen worden beschouwd. Ook G.J. van Norden (2007) meent dat zowel natuurlijke als rechtspersonen onderdeel zouden moeten kunnen zijn van een entiteit, die als één belastingplichtige voor de omzetbelasting moet worden aangemerkt. De onderdelen van een entiteit zouden daarentegen afzonderlijk belastingplichtig moeten zijn voor economische activiteiten die zij los van de entiteit verrichten. Een en ander vloeit volgens hem voort uit HvJ EG van 27 januari 2000, nr. C-23/98 (Heerma), BNB 2000/297. In de conclusie A-G Van Hilten van 5 november 2007, nr. 43 742, V-N 2008/12.21, wordt de gedachte van een entiteit tussen een VOF en een BV ook niet ten principale ter discussie gesteld.
Een combinatie van personen die een ‘entiteit’ vormt, kan als één ondernemer in de zin van art. 7 lid 1 Wet OB 1968 worden aangemerkt. In TC 28 november 1977, nr. 11177, BNB 1978/89, werd een groep loonslagers als één ondernemer beschouwd, omdat zij gezamenlijk facturen uitreikten en ook gezamenlijk facturen ontvingen. Uit HR 4 juli 1984, nr. 22 272, BNB 1984/257 en HR 6 november 1985, nr. 23 026, BNB 1986/45, volgt dat sprake is van een entiteit indien de samenstellende delen organisatorisch een eenheid vormen, en zich ook naar buiten toe als eenheid presenteren. In de recentere jurisprudentie lijkt de toepassing van de entiteitgedachte op rechtspersonen overigens steeds te worden verworpen. Dat was onder meer het geval in HR 7 november 2003, nr. 37 800, BNB 2004/66, de uitspraak die voorafging aan het Arthur Andersen-arrest van het HvJ EG. In de in paragraaf 8.2.4 genoemde conclusie van 5 november 2007, nr. 43 742, V-N 2008/12.21, besluit A-G Van Hilten eveneens dat de daar bedoelde VOF en de BV zich niet als een eenheid presenteert, die gezamenlijk economische activiteiten verricht. In deze zaak is daarom volgens haar geen sprake van een entiteit.
In de entiteitgedachte kan zowel organisatorische als economische verbondenheid worden herkend. In de literatuur bestaat overigens geen eensluidende mening over de juistheid van de entiteitgedachte.1 Ook is niet duidelijk of het leerstuk alleen openstaat voor combinaties van natuurlijke personen, of dat rechtspersonen eveneens een ‘entiteit’ kunnen vormen.2