Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/4.5.2.1
4.5.2.1 Ondervragen van getuigen ter terechtzitting?
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Van Dijk e.a. 2006, § 10.5.3 en Vande Lanotte & Haeck 2004, § 2.4. Zie ook Harris e.a. 2009, p. 259.
Harris e.a. 2009, p. 322.
EHRM 20 november 1989, nr. 11454/85, NJ 1990, 245, m.nt. Alkema (Kostovski t. Nederland).
Zie meer recent bijv. ook EHRM27 februari 2001, no. 33354/96, NJ 2002, 101 m.nt. Schalken (Lucà t. Italië), § 39 en EHRM (GK) 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06, EHRC 2012/56, m.nt. Spronken (Al-Khawaja & Tahery t. Verenigd Koninkrijk), § 118.
EHRM 26 maart 1996, nr. 20524/92, NJ 1996/741, m.nt. Knigge (Doorson t. Nederland), § 82 en EHRM 6 mei 2003, nr. 48898/99 (Perna t. Italië), § 29.
Zie EHRM 10 mei 2012, nr. 28328/03 (Aigner t. Oostenrijk).
Voorwaarde is wel dat het verhoor in het vooronderzoek met de nodige waarborgen is omgeven. Zo oordeelde het Hof dat een mogelijkheid tot het stellen van vragen in de vorm van een ‘confrontation interview’ zoals dat in Rusland voorkomt, waarbij wel de verdachte maar niet zijn raadsman aanwezig is, in beginsel niet heeft te gelden als een effectieve ondervragingsgelegenheid. Dit volgt onder meer uit EHRM 13 maart 2012, nr. 5605/04, EHRC 2012, 109 (Karpenko t. Rusland), § 67-69 en EHRM 14 januari 2010, nr. 23610/03 (Melnikov t. Rusland), § 23.
Zie ook Jackson & Summers 2012, p. 344-345.
EHRM 13 maart 2012, nr. 5605/04, EHRC 2012, 109 (Karpenko t. Rusland).
In het hiervoor genoemde principe dat al het bewijsmateriaal op het onderzoek ter terechtzitting moet worden geproduceerd zoals dat aan het ondervragingsrecht ten grondslag ligt, wordt door verschillende continentale auteurs het onmiddellijkheidsbeginsel gelezen.1 Hoewel artikel 6 EVRM is geschreven voor het onderzoek ter terechtzitting,2 is het niet noodzakelijk dat de verdachte de gelegenheid tot ondervraging wordt geboden in de rechtszaal ten overstaan van de beslissende rechter. Een daartoe geboden mogelijkheid in het vooronderzoek zal in beginsel volstaan. De standaardoverweging zoals geformuleerd in Kostovski t. Nederland in 1989 luidt in dit verband als volgt.
‘41. In principle, all the evidence must be produced in the presence of the accused at a public hearing with a view to adversarial argument (...). This does not mean, however, that in order to be used as evidence statements of witnesses should always be made at a public hearing in court: to use as evidence such statements obtained at the pre-trial stage is not in itself inconsistent with paragraphs 3 (d) and 1 of Article 6, provided that the rights of the defence have been respected. As a rule, these rights require that an accused should be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him, either at the time the witness was making his statement or at some later stage of the proceedings (...)’.3
Het ondervragingsrecht kan volgens het EHRM worden uitgeoefend op het moment dat de getuige zijn verklaring aflegde of in een later stadium van de procedure.4 Het uitoefenen van het ondervragingsrecht is derhalve niet aan het onderzoek ter terechtzitting gebonden. Indien een verzoek daartoe wordt gedaan, is het aan de nationale rechter om te beoordelen of het noodzakelijk is om de getuige op het onderzoek ter terechtzitting te horen.5 Heeft de mogelijkheid tot ondervraging in het vooronderzoek niet bestaan, dan dient een verzoek van de verdediging tot het horen van belastende getuigen op het onderzoek ter terechtzitting in beginsel te worden gehonoreerd. Dat geldt ook in de situatie waarin de verdediging al wel rechtstreeks vragen heeft kunnen stellen aan de getuige, maar daartoe opnieuw een verzoek doet omdat nieuw bewijs naar voren is gekomen dat aanleiding geeft tot het stellen van nadere vragen aan de getuige.6
Uit het gegeven dat het Hof niet eist dat het ondervragingsrecht ter terechtzitting wordt uitgeoefend, volgt reeds dat schriftelijke verklaringen opgetekend in het vooronderzoek in beginsel toelaatbaar zijn als bewijsmiddel. Dit is overigens geen strikt logische gevolgtrekking. Het Hof zou immers ook nog kunnen eisen dat de beslisser rechtstreeks kennisneemt van het bewijsmateriaal en de getuige zelf hoort, ook al heeft de verdediging hem al in een eerder stadium vragen kunnen stellen. Echter, in het eerder verwoorde en op artikel 6 lid 3 sub d EVRM gebaseerde uitgangspunt van het Hof staat niet de rechter (of jury), maar de verdachte centraal. Als de verdachte op enig moment de gelegenheid heeft gehad zijn ondervragingsrecht uit te oefenen, zijn in een eerder stadium van het strafproces afgelegde verklaringen toelaatbaar voor het bewijs.7 Of deze verklaringen ook daadwerkelijk bruikbaar zijn voor het bewijs, staat vervolgens ter beoordeling van de feitenrechter.
Bij het voorgaande is wel een nuancering op zijn plaats en die is dat in de jurisprudentie van het Hof op dit punt wel enige ambivalentie te bespeuren valt.8 Want hoewel als regel geldt dat het ondervragingsrecht ook kan worden uitgeoefend buiten het onderzoek ter terechtzitting om, deed het Hof recent voorkomen alsof het uitoefenen van het ondervragingsrecht alleen bij uitzondering kan geschieden in het vooronderzoek. Dit was het geval in de zaak Karpenko tegen Rusland, waar het als volgt overwoog.
‘68. (...) The Court has consistently held that the evidence must be produced “live” before the body called upon to assess the case and determine the facts. This relates in the first place to the trial, which is the central aspect of criminal proceedings and applies to witness evidence, which the defence must be able to question in open court (...).’
‘70. (...) the Court reiterates that it occasionally accepted that the reading out of witness statements obtained at the pre-trial stage was not inconsistent with Article 6 §§ 1 and 3 (d) of the Convention. At the same time, it has seen that situation as an exception which required convincing justification, such as an impossibility to examine an absent or otherwise missing witness when the authorities’ reasonable efforts to secure his or her presence were futile (...)’9
Het Hof zegt hier dat het bewijs live moet worden gepresenteerd ten overstaan van de beslissende rechter (of jury) en lijkt te betogen dat een ondervragingsmogelijkheid in het vooronderzoek alleen volstaat, als er een goede reden is om de getuige in kwestie niet op het onderzoek ter terechtzitting te horen. Het is niet duidelijk hoe dit standpunt valt te verenigen met eerdere jurisprudentie en de meer inquisitoir getinte wijze van proces voeren in veel van de lidstaten waarin getuigen veelal niet ter terechtzitting verschijnen en de verdediging haar rechten vooral in het vooronderzoek dient te verwezenlijken.