Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/6.3.1.3
6.3.1.3 Oligarchische clausules
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649665:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Timmermans 2012, p. 660, met verdere verwijzingen; Kemp & Renshof 2020, p. 53.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 59.
Oligarchische clausules kunnen ook vanuit het perspectief van de bevoegdheidsverdeling binnen de vennootschap worden beschouwd. Zie in dat verband Klaassen 2007, p. 131-152 en p. 171-174 en Hezer & Kemp 2019b. Zie over oligarchische clausules verder Boelens 1946 en Dorhout Mees 1933, p. 104-105.
Meer specifiek: in de context van vennootschappen met een notering aan een gereglementeerde markt.
Anders: Nowak 2017, p. 226.
In veel statuten (van beursvennootschappen) komen zogeheten oligarchische clausules voor. Deze bepalingen hebben de strekking om de bevoegdheden van de algemene vergadering in te perken ten faveure van het bestuur en de rvc.1 Doordat oligarchische clausules de bevoegdheden van de algemene vergadering inperken, kunnen zij (direct of indirect) van invloed zijn op (de reikwijdte van) het agenderingsrecht van kapitaalverschaffers.2 De volgende oligarchische clausules worden onderscheiden: (a) de initiatiefrechtclausule, (b) de bepaling dat een besluit van de algemene vergadering alleen kan worden genomen na voorafgaande goedkeuring door de rvc of een ander orgaan (goedkeuring vooraf), (c) de bepaling dat een door de algemene vergadering genomen besluit de goedkeuring van de rvc of een ander orgaan behoeft (goedkeuring achteraf), en (d) de bepaling dat een besluit een zwaardere meerderheid behoeft als het voorstel tot het nemen van het besluit afkomstig is van een kapitaalverschaffer (zwaardere meerderheid). Een combinatie van clausules is ook mogelijk. Er bestaat discussie over de vraag of deze clausules in strijd komen met het wettelijke agenderingsrecht van kapitaalverschaffers.3 Voor zover ik kan nagaan, is de discussie enkel in de context van beursvennootschappen gevoerd.4 Mijn eigen opvattingen, die ik hierna sub a tot en met d geef, hebben evenwel betrekking op alle typen vennootschappen, tenzij anders aangegeven. Voorts hebben zij (eveneens tenzij anders aangegeven) betrekking op het wettelijke convocatierecht van art. 2:110 en 2:111 BW/2:220 en 2:221 BW.5
6.3.1.3.a De initiatiefrechtclausule6.3.1.3.b Goedkeuring vooraf6.3.1.3.c Goedkeuring achteraf6.3.1.3.d Zwaardere meerderheid