Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/5.3.2.3
5.3.2.3 Schending bestuursrechtelijke norm als onrechtmatigheidsgrondslag
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284544:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Kortmann 2006 bepleit voor alle besluiten – dus ook begunstigende besluiten – een gelijktrekking van de ongeldigheid en de onrechtmatigheid. Zie Kortmann 2006, p. 36 en hoofdstuk 6. Vgl. ook Schueler 2004, p. 84 en bijv. M.W. Scheltema in zijn annotatie onder HR 27 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1378, NJ 1997/158 (Sprangers/Staat).
Zie Van Ommeren 1996, p. 13. Schlössels/Zijlstra 2017, p. 98 en Schlössels/Schutgens/Zijlstra 2019, p. 426-427. Vgl. HR 27 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AM9331, AB 1987/241 (Methadonbrief-arrest) waarin de Hoge Raad bepaalt dat het ingrijpen van de overheid in rechten van burgers zonder wettelijke grondslag een onrechtmatige daad oplevert. Vgl. ook Schutgens 2009, §4.4.2 onder b.
Overigens is het ook mogelijk dat op een overheidslichaam nog zelfstandig een zorgvuldigheidsplicht rust in het kader van een door een ander bestuursorgaan te nemen besluit. Dit deed zich voor in HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1212, NJ 2014/387, m.nt. S.D. Lindenbergh (Bibob-advies). Daarin had het bureau Bibob, onderdeel van de Staat, een foutief Bibob-advies gegeven. Op basis daarvan had de burgemeester een exploitatievergunning ingetrokken. Het nemen van dat besluit is onrechtmatig, omdat het strijdt met de eis dat er ernstig, uit dat rapport blijkend, gevaar moet zijn dat de vergunning gebruikt zal worden voor het plegen van strafbare feiten. De Staat is daarnaast zelfstandig aansprakelijk voor de schending van de door het bureau Bibob in acht te nemen zorgvuldigheidsplicht bij de totstandkoming van dat rapport.
In werkelijkheid gaat het uiteraard niet om een ‘correctie’, maar om het vinden van een zelfstandige zorgvuldigheidsnorm mede op basis van de wettelijke norm.
Zie HR 17 januari 1958, ECLI:NL:HR:1958:AG2051, NJ 1961/568 (Tandartsen I) en de daaraan voorafgaande conclusie van A.G. Langemeijer. Zie verder bijv. uitvoerig Lankhorst 1992, p. 25 e.v.; nr. 138; Den Hollander 2016, p. 154 e.v.; Asser/Sieburgh 6-IV 2019 en Van der Kooij 2019, nr. 401 e.v.
HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1598, NJ 2007/504, m.nt. M.R. Mok (Gemeente Barneveld/Gasunie). Ik ben mij er overigens bewust van dat het voorbeeld strikt genomen thuis hoort in de categorie ‘bezwarende besluiten met schade voor derden’. Voor het inzicht in de werking van deze ‘correctie’ maakt het verschil echter niet uit.
Overigens nam het hof ook aan dat art. 164 van de planvoorschriften strekte tot bescherming van het van de belangen van de omwonenden ‘afgeleide belang’ van de Gasunie. De op de onzorgvuldigheidsnorm gebaseerde aansprakelijkheid betrof dus een obiter dictum. De Hoge Raad liet het rechtsoordeel met betrekking tot de relativiteit met een iets gewijzigde motivering in stand en verwierp wegens gebrek aan belang de tegen het obiter dictum gerichte klachten. Dit arrest komt in hoofdstuk 7 en 8 nog uitvoerig aan de orde.
263. Bij bezwarende besluiten schuilt de onrechtmatigheid steeds (naast de eventuele rechtsinbreuk) in de schending van de bestuursrechtelijke norm die tevens tot de ongeldigheid ervan leidt.1 Deze gelijktrekking strookt met de gedachte dat de burger meent dat het bezwarend optreden jegens hem niet is toegestaan. Daartoe zoekt hij bescherming van een bestuursrechtelijke norm die dat bezwarend optreden begrenst of plichten oplegt die het overheidslichaam bij het nemen van het besluit in acht moet nemen.
Het voorgaande leidt ertoe dat, anders dan bij begunstigende besluiten, de relativiteitsdiscussie zich wel afspeelt rond de norm die tot ongeldigheid van het besluit leidt. Hoofdstuk 8 gaat daarop uitvoerig in.
264. De geschonden norm bepaalt dus of sprake is van een doen of een nalaten. Strijdt het besluit met normen die inhoudelijke grenzen stellen aan het besluit, dan kwalificeert het nemen van het bezwarend besluit als een onrechtmatig doen. Het aantal voorbeelden is eindeloos. Men kan denken aan algemene beginselen van evenredigheid, gelijkheid en vertrouwen alsmede aan geschreven regels zoals (Europese) wetgeving, beleidsregels etc. Rust op het overheidsorgaan bij het nemen van het bezwarend besluit een bepaalde niet nagekomen verplichting, dan is sprake van een onrechtmatig nalaten. Men kan daarbij bijvoorbeeld denken aan hoorplichten, terinzageleggingsplichten, advies- of informatie-inwinningsverplichtingen etc.
265. Een onbevoegd of zonder wettelijke grondslag genomen bezwarend besluit strijdt (tevens) met het legaliteitsbeginsel. Dat beginsel biedt namelijk bescherming tegen beperkend overheidshandelen zonder wettelijke grondslag, zoals eenzijdige inbreuken op de vrijheid van de burger, persoonlijkheidsrechten, eigendom en vermogensrechten.2 Het betreft dus een onrechtmatig doen, omdat het beginsel het nemen het bezwarende besluit verbiedt.
266. Het nemen van een besluit in strijd met een wettelijke norm levert onder omstandigheden ook een schending van een zorgvuldigheidsnorm op.3 Dit staat in de literatuur bekend als de ‘correctie’ Langemeijer.4 Deze leer wordt toegepast als de door de laedens geschonden geschreven norm op zichzelf niet strekt tot bescherming van de gelaedeerde tegen de schade zoals deze is ingetreden, maar het handelen van de laedens mede in het licht van die geschonden norm wel onzorgvuldig is. De wettelijke norm kleurt de maatschappelijke zorgvuldigheid.5 Die zorgvuldigheidsnorm is veelal min of meer gelijk aan de geschreven norm. Dat betekent dat waar de geschreven norm een doen of juist nalaten impliceert, de ongeschreven norm dat ook doet.
Een voorbeeld is het hof-oordeel voorafgaand aan het Hoge Raad-arrest in de zaak Gemeente Barneveld/Gasunie.6 De gemeente geeft een bouwvergunning af aan Cozijnsen. In de door hem bebouwde grond zijn gasleidingen aanwezig. Art. 164 lid 2 van de planschriften verbiedt dat daarop gebouwd wordt, behoudens een daartoe door de gemeente afgegeven vrijstelling. Het derde lid vereist dat de gemeente voorafgaand aan het verlenen van zo’n vrijstelling advies inwint bij de leidingbeheerder Gasunie. De gemeente geeft de vrijstelling echter zonder zo’n advies af waarna Cozijnsen tot de bouw overgaat. Als Gasunie daarvan lucht krijgt, is het kwaad al geschied en moet zij de gasleiding verleggen. Voor de daartoe gemaakte kosten stelt zij de gemeente aansprakelijk. Het hof oordeelt onder meer dat de geschonden bepaling eerst en vooral strekt tot bescherming van de omwonenden. Op de gemeente rust echter ook een ongeschreven plicht tot adviesinwinning in het licht van het voor de gemeente kenbare belang van de Gasunie.7