Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/5.5.2
5.5.2 De vrijheid van een belastingplichtige om de eigen interpretatie en toepassing van het recht aan de belastingrechter voor te leggen
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS567449:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J.P. Scheltens in zijn noot onder BNB 1984/268: “Grote terughoudendheid lijkt mij geboden…wil de administratieve boete niet ontaarden in een straf op procederen, die in het verleden inderdaad heeft bestaan als ‘verhoging wegens lichtvaardig procederen’, toegepast na een verloren procedure, echter niet als het geschil liep over rechtstoepassing, met de invoering van de AWR afgeschaft.”, J. Brunt in zijn noot onder BNB 1986/301, onder 4, J.P. Scheltens in zijn noot onder BNB 1987/31.
Toifl 2010, p. 212: “dass es sonst im Bereich des Steuerrechts nie zu einer geänderten höchstgerichtlichen Judikatur kommen würde.”
J.P. Scheltens in zijn noot onder BNB 1984/268: “Niet voor het eerst beroepen inspecteur en Staatssecretaris zich met een zekere vrijmoedigheid op de juistheid van eigen standpunt om grove schuld of opzet bij de belanghebbende aan te tonen…vgl. het geval van HR 29 juni 1983, BNB 1983/261, waarin de Staatssecretaris de belanghebbende verwijt dat deze zich niet heeft gewend tot ‘de juiste instantie’ voor het verkrijgen van voorlichting, t.w. de inspecteur. Waarom zou voorts de belanghebbende eerst te biecht moeten gaan bij de inspecteur, vervolgens moeten handelen in overeenstemming met diens mening, tenslotte desgewenst trachtend in een procedure het bij voorbaat te betalen bedrag terug te winnen?”.
Zie echter Kamerstukken II 2011/12, 33004, 5 (NV), p. 34: “Voor aangiftebelastingen geldt dat de belastingplichtige aangifte doet volgens de bestaande jurisprudentie en de heersende leer en vervolgens bezwaar maakt tegen de eigen aangifte vanwege zijn daarvan afwijkende pleitbare standpunt.” Ik veronderstel dat de Staatssecretaris van Financiën in zijn hoedanigheid van wetgever hier de situatie op het oog had waarbij de belastingplichtige of zijn intermediair een convenant met de belastingdienst heeft afgesloten. In dat kader wordt een dergelijke werkwijze bij aangiftebelastingen inderdaad afgesproken.
CRvB 20 oktober 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5182, CRvB 20 oktober 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5604, CRvB 3 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5938.
A-G Van den Berge, conclusie van 6 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA8852, r.o. 5. De Hoge Raad ging in HR 11 juli 1984, BNB 1984/268 niet in op de stelling van de Staatssecretaris van Financiën in cassatie, dat de belastingplichtige bezwaar tegen zijn eigen voldoening moest maken, maar bevestigde in r.o. 4 het oordeel van het hof dat er geen sprake was van grove schuld of opzet. A-G Van Soest reageerde in zijn conclusie van 2 maart 1984 voorafgaand aan dit arrest in r.o. h wel op deze stelling: “Dat het, gelijk de SvF betoogt, de te dezen juiste weg voor het geval de belastingplichtige weet dat zijn standpunt anders is dan dat van de inspecteur, zou zijn de aangifte te doen en dus de op aangifte te betalen belasting te voldoen overeenkomstig het standpunt van de inspecteur en vervolgens bezwaar te maken, heeft geen basis in het thans geldende belastingrecht en heeft dat, voor wat de omzetbelasting betreft, ook nooit gehad.” In HR 10 maart 1999, BNB 1999/308, r.o. 3.6.1, ging de Hoge Raad voorbij aan de opmerking van het Hof dat niets eraan in de weg stond om bezwaren tegen de heffing te maken en vernietigde de boete alsnog.
Dit verband is ook gelegd door Van der Voort 1999, p. 127, J.W.M. van Hoesel, ‘Tijdstip van genieten en pleitbaar standpunt’, WFR 1989/5878, p. 905, Sachse en Roepnarain 2012, p. 209-210. Zo ook: Toifl 2010, p. 177.
Rb. Zwolle 13 september 2005, ECLI:NL:RBZLY:2005:AU2558: “…is het een fiscaal beginsel dat het de contribuabele in beginsel is toegestaan het voor hem meest gunstige fiscale beeld te schetsen als hij daarmee maar niet bewust de gerechtvaardigde belangen van de schatkist miskent door de belastingdienst op het verkeerde been te zetten.”
In de tweede plaats is in de literatuur gesteld dat het een belastingplichtige vrij moet staan om zijn visie op de interpretatie en toepassing van het recht aan de belastingrechter voor te leggen, zonder dat hem boven het hoofd hangt dat een aan hem opgelegde boete in stand blijft als zijn standpunt, hoewel verdedigbaar, onjuist blijkt te zijn.1 Dit principe is vooral terug te vinden in literatuur uit de jaren ’80 van de vorige eeuw, toen de herinnering aan de hiervoor in paragraaf 5.3.2.1 besproken verhoging ter voorkoming van lichtvaardig procederen nog levend was. Door zijn standpunt aan de belastingrechter voor te leggen dient een belastingplichtige overigens niet alleen zijn eigen belang, maar ook de ontwikkeling van het belastingrecht.2
Een belastingplichtige kan zijn visie op de interpretatie en toepassing van het recht echter ook op een andere wijze aan de belastingrechter voorleggen dan door het innemen van een pleitbaar standpunt in zijn aangifte. Hij kan namelijk ook zijn aangifte conform het standpunt van de inspecteur indienen en vervolgens zijn standpunt bij bezwaar innemen, bij aanslagbelastingen door middel van een bezwaarschrift tegen de belastingaanslag en bij aangiftebelastingen door middel van een bezwaarschrift tegen de eigen voldoening of afdracht. Tegen de uitspraak op bezwaar kan hij vervolgens beroep aantekenen bij de belastingrechter. Als deze weg wordt gevolgd kan geen boete aan de belastingplichtige worden opgelegd, hij heeft in zijn aangifte immers het standpunt van de inspecteur en daarmee – volgens de inspecteur althans – het juiste standpunt ingenomen.
Het voorschrijven van een dergelijke handelwijze belemmert wel in enige mate de vrijheid van de belastingplichtige om zijn visie op de interpretatie en toepassing van het recht aan de belastingrechter voor te leggen.34 De belastingplichtige moet immers eerst conform de voorschriften bezwaar maken om zijn standpunt in te kunnen nemen. Daarmee komt het risico dat hij de gelegenheid om zijn standpunt in te nemen alsnog verspeelt, bijvoorbeeld door niet tijdig bezwaar te maken, ook bij hem te liggen.
Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijft een boete zonder meer in stand als een werkgever het standpunt van de bevoegde uitvoeringsinstantie niet heeft gevolgd, maar zijn eigen pleitbare standpunt heeft ingenomen. Daarbij is zelfs niet van belang of die werkgever zich er bewust van is geweest dat zijn standpunt niet overeenkwam met het standpunt van de uitvoeringsinstantie.5
De belastingkamer van de Hoge Raad lijkt echter, zoals eerder in hoofdstuk 4, paragraaf 4.2.2 al opgemerkt, niet te willen voorschrijven dat het standpunt van de inspecteur in de aangifte moet worden gevolgd. Reeds in de eerste pleitbaar standpunt zaak in 1984 heeft de Staatssecretaris van Financiën gesteld dat de belastingplichtige de onjuiste belastingbetaling had kunnen voorkomen door zijn aangifte conform het standpunt van de inspecteur in te dienen en vervolgens zijn standpunt in bezwaar in te nemen. De belastingkamer van de Hoge Raad heeft zich destijds en ook bij een latere gelegenheid in 1999 niet over deze stelling uitgelaten, maar geoordeeld dat het in de aangifte verwerkte pleitbare standpunt zonder meer tot gevolg heeft dat opzet en grove schuld ontbreken.6
Ook volgens Duitse en Oostenrijkse fiscale straf- en boetejurisprudentie hoeft, zoals hierna aan de orde zal komen, de aangifte niet conform de Empfängerhorizont, oftewel conform het standpunt van de inspecteur, te worden ingediend. De belastingplichtige is volgens deze jurisprudentie echter wel verplicht alle fiscaal relevante feiten juist en volledig mee te delen, zodat de belastingdienst in staat is een eigen oordeel over de belastingheffing te vormen. Hier wordt in de paragrafen 5.6.1 en 5.6.2 op teruggekomen.
Het is de vraag waarom juist in het belastingrecht – ook in het Duitse en Oostenrijkse fiscale straf- en boeterecht – een belastingplichtige bij een pleitbaar standpunt niet is gehouden het standpunt van de inspecteur te volgen. Dit houdt naar mijn mening verband met de derde verklaring voor de opkomst en invloed van het pleitbare standpunt die in de literatuur is te vinden: de vrijheid die eenieder in het belastingrecht heeft om de fiscaal gunstigste weg te kiezen.78