Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/5.5.1
5.5.1 De erkenning van de positie waarin de belastingplichtige ongevraagd is gebracht
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS566214:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 8 AWR.
P.J. Wattel, Fiscaal straf- en strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 1989, p. 55, H.H.M. Maathuis, W.E.C.A. Valkenburg, Bestuurlijke boeten in het fiscale recht, Deventer: Kluwer 1995, p. 64, W.E.C.A. Valkenburg, J.H. van der Werff, Fiscaal straf- en strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 61. Zo ook: G. Toifl, Der subjektive Tatbestand im Steuer- und Steuerstrafrecht. Wissen, Wollen, Absicht und Irrtum bei der Besteuerung des Einkommens, Wien: LexisNexis 2010, p. 178.
Wattel 1989, p. 132, F. de Jong, E. Sikkema, Subjectieve bestanddelen, in: Bijzonder strafrecht, Deventer: Kluwer 2011, p. 406, H.J. Sachse, J.S. Roepnarain, ‘Het leerstuk van het pleitbaar standpunt in het financieel recht’, in: R. Maatman (red.), Lustrumbundel 2012 Vereniging voor Effectenrecht. Gedurfde essays over financieel toezichtrecht, Deventer: Kluwer 2012, p. 208-209. Zo ook: Toifl 2010, p. 178. Voorts: Rb. Zwolle-Lelystad 13 september 2005,ECLI:NL:RBZLY:2005:AU2558.
CRvB 14 juli 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT9928: “De omstandigheid dat, naar appellante stelt, de jurisprudentie van de Raad…destijds niet eenduidig was, had reden temeer moeten vormen voor appellante om informatie in te winnen bij gedaagde (de uitvoeringsinstantie, MK)”.
Het eerste principe dat aan de opkomst en invloed van het pleitbare standpunt ten grondslag wordt gelegd houdt verband met de wettelijke aangifteplicht. Een belastingplichtige heeft, zodra hij is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de verplichting om aangifte te doen. Bovendien is hij verplicht om die aangifte stellig en zonder voorbehoud te doen.1 In een belastingaangifte worden, zoals eerder in hoofdstuk 3, paragraaf 3.4.3.5.2 opgemerkt, echter niet alleen feitelijke vragen gesteld, maar ook vragen die uitsluitend na interpretatie en toepassing van het recht kunnen worden beantwoord.2 Dat brengt mee dat een belastingplichtige, als het recht voor meerderlei uitleg vatbaar is, een standpunt moet innemen en aan de hand van dat standpunt zijn belastingaangifte moet doen. In de literatuur is gesteld dat het niet gepast is dat een belastingplichtige die een aangifteplicht krijgt opgelegd, met voor meerderlei uitleg vatbaar recht wordt geconfronteerd en toch stellig en zonder voorbehoud aangifte moet doen en daardoor verplicht is een standpunt in te nemen, te beboeten of te bestraffen als hij een onjuist maar pleitbaar standpunt heeft ingenomen.3 Dit principe lijkt alleen in het belastingrecht van belang te zijn. Ook in niet fiscale ordeningswetgeving zijn bijvoorbeeld verplichtingen te vinden (geweest), zoals de loonopgaveverplichtingen op grond van de sociale verzekeringswetgeving, waarvan de reikwijdte als gevolg van voor meerderlei uitleg vatbaar recht onduidelijk is. De gedachte dat een bestraffing onder deze omstandigheden niet gepast is, is hier echter niet terug te vinden.4
Los hiervan kan overigens ook worden gesteld dat het niet gepast is om een belastingplichtige, die een aangifteplicht krijgt opgelegd en met ingewikkelde wetgeving wordt geconfronteerd, te beboeten of te bestraffen als hij zich er ten tijde van het doen van de aangifte niet bewust van is geweest dat hij het recht onjuist interpreteerde of toepaste. Dankzij de kleuring van het opzet in het fiscale boete- en strafrecht kan een belastingplichtige, die niet heeft geweten dat (er een aanmerkelijke kans is) dat hij het recht onjuist interpreteert of toepast, ook niet worden gestraft of beboet met een opzetboete. Aan deze belastingplichtige zou hooguit bij een niet-pleitbaar onjuiste interpretatie of toepassing van het recht een grove schuld boete kunnen worden opgelegd, als er voor hem redelijkerwijs aanleiding zou moeten zijn geweest om te vermoeden dat zijn aangifte onjuist was.