Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/5.5.5
5.5.5 Opkomst van het pleitbare standpunt en het lex certa beginsel
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS571169:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie EHRM 28 juni 2011, Het Financieele Dagblad/Nederland, AB 2012/15. In deze zaak had de rechtbank het standpunt van het Financieele Dagblad over de interpretatie van het begrip werkgever in art. 1 lid 1 onderdeel b van de Wet arbeid vreemdelingen gevolgd en de door het bestuursorgaan opgelegde boetes wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen vernietigd. In hoger beroep had de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State echter een ruimere interpretatie aan het begrip werkgever gegeven en werden de boetes alsnog gehandhaafd. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens overwoog dat de ingediende klacht over schending van art. 7 EVRM, omdat de interpretatie van het werkgeversbegrip niet “foreseeable” was, “manifestly ill-founded” was. Zie voorts HR (strafkamer) 20 november 2001, NJ 2003/362, ECLI:NL:HR:2001:AB2809 en HR (strafkamer) 9 maart 2004, NJ 2004/675, ECLI:NL:HR:2004:AO1490.
Anders: S.F. van Immerseel, D. Liem, ‘Het pleitbaar standpunt: de objectieve versus de subjectieve benadering’, TFB 2011-7, p. 11-12, J.D. Baron en R.S. Bekker, ‘The usual suspects: doen geloven dat een aan fraus legis gekoppelde boete niet bestaat’, WFR 2014/7068, p.1292-1300.
Van schending van het lex certa beginsel, het uit het legaliteitsbeginsel voortvloeiende gebod van scherpe normen, kan worden gesproken in een situatie waarin de beschuldigde niet in de gelegenheid is geweest van een strafbare of beboetbare gedraging af te zien, omdat de door de rechter gevolgde interpretatie of toepassing van het recht niet voorzienbaar was. Ook in de situatie waarin een aangifte onjuist blijkt te zijn als gevolg van onjuiste interpretatie of toepassing van het recht is schending van het lex certa beginsel denkbaar. De belastingplichtige moet dan door het doen van een onjuiste aangifte een strafbare of beboetbare gedraging hebben begaan die hij niet had kunnen voorkomen, omdat hij de door de rechter gevolgde interpretatie of toepassing van de onderliggende belastingbepaling niet had kunnen voorzien. Van een dergelijke onvoorzienbaarheid is in het fiscale boete- en strafrecht echter niet snel sprake. Er is mij in ieder geval geen jurisprudentie bekend waarin is geoordeeld dat een sanctie wegens strijd met het lex certa beginsel achterwege moest blijven.
Het pleitbare standpunt ziet, zoals in hoofdstuk 2 in paragraaf 2.5.2.1 uiteengezet, op situaties waarin naast de uiteindelijk door de belastingkamer van de Hoge Raad gekozen interpretatie of toepassing van het belastingrecht ook andere objectief verdedigbare interpretaties of toepassingen van het recht hebben bestaan. De uiteindelijk door de belastingkamer van de Hoge Raad gevolgde interpretatie of toepassing van het recht is hierbij in het algemeen wel voorzienbaar, het is alleen niet op voorhand duidelijk welke van de voorzienbare interpretaties of toepassingen de belastingkamer gaat volgen.
Het verschil tussen de onvoorzienbaarheid en de pleitbaarheid wordt duidelijk in de situatie waarin het hof een rechtskundig standpunt van de belastingplichtige over de belastingheffing heeft gevolgd, maar dat standpunt vervolgens door de belastingkamer van de Hoge Raad niet wordt overgenomen. In deze situatie zijn er ten tijde van het doen van de aangifte verschillende objectief verdedigbare interpretaties of toepassingen van het recht voorhanden geweest, waarvan het hof er een heeft gekozen, maar de belastingkamer van de Hoge Raad uiteindelijk voor een andere heeft gekozen (die daarmee niet slechts pleitbaar, maar juist blijkt te zijn). In het algemeen zal dan, zoals zojuist opgemerkt, niet kunnen worden gezegd dat de beslissing van de belastingkamer van de Hoge Raad ten tijde van het doen van de aangifte onvoorzienbaar is geweest.1 De omstandigheid dat het hof het rechtskundige standpunt van de belastingplichtige heeft gevolgd, brengt volgens vaste jurisprudentie echter in beginsel wel mee, zoals in hoofdstuk 2 in paragraaf 2.5.1 uitgewerkt, dat het standpunt pleitbaar is.
De opkomst van het pleitbare standpunt in het belastingrecht houdt dan ook geen verband met het lex certa beginsel.2