Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/4.3.3
4.3.3 Rechtmatig gebruik door een ontvangend bestuursorgaan
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285347:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie: M.C.D. Embregts, Onrechtmatig verkregen bewijs in fiscalibus, FED 2005/30.
HR 1 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5028, BNB 1992/306, Vergelijk: HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643, BNB 2015/173.
HR 1 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5028, BNB 1992/306, r.o. 3.2.5.
Y.E. Schuurmans, Onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal in het bestuursrecht, Ars Aequi, mei 2017, blz. 391, par. 2.3. Vergelijk: Barkhuysen, Van Emmerik en Vervorst in hun noot bij HvJ EU 17 december 2015 (WebMindLicenses), ECLI:EU:C:2015:832, AB 2016/393, par. 8. A-G Wattel heeft vooralsnog tevergeefs gepleit voor een grondige herziening van dit leerstuk (conclusie A-G P.J. Wattel van 28 mei 2014, ECLI: NL:PHR:2014:521).
Y.E. Schuurmans, Onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal in het bestuursrecht, Ars Aequi, mei 2017, blz. 392, par. 2.3.
Conclusie A-G R.L.H. IJzerman van 25 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:295, par. 4.8 en 4.9. Hij verwijst hierbij onder meer naar de conclusie A-G P.J. Wattel van 28 mei 2014, ECLI: NL:PHR:2014:521.
CBb 22 februari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:47, FED 2017/80, r.o. 7 en Rechtbank Rotterdam 4 juni 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:3894.
CBb 22 februari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:47, FED 2017/80, r.o. 8. Los van de mogelijk ongewenste, negatieve consequenties voor de AFM is het de vraag hoe dit ‘zozeer indruist’-criterium zich verhoudt tot de privacywetgeving. Uit de uitspraak van het CBb noch de voorafgaande rechtbankuitspraak blijkt overigens dat belanghebbende zich heeft beroepen op privacywetgeving.
Hierbij dient te worden opgemerkt dat bij het verstrekken door de inspecteur van de fiscale gegevens voor doel A nog geen sprake is van schending van de geheimhoudingsplicht. Pas als (medewerkers van) het ontvangende bestuursorgaan de fiscale informatie gaan gebruiken voor doel B zal sprake zijn van schending van de geheimhouding.
Vergelijk: Hof 's-Hertogenbosch 19 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1022, r.o. 4.16-4.19 over het rechtmatig gebruik van gegevens vóórafgaand aan een verzoek ex art. 55 AWR.
Het leerstuk van bewijsuitsluiting in het bestuursrecht vindt zijn oorsprong in de fiscale rechtspraak.1 In het befaamde arrest BNB 1992/306 introduceerde de Hoge Raad het ‘zozeer indruist’-criterium.2 Er bestaat volgens de Hoge Raad geen rechtsregel die elk gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs verbiedt. Het gebruik is slechts dan niet toegestaan als het is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.3 Schuurmans laat zien dat dit criterium ook wordt toegepast als het bewijsmateriaal bestuursrechtelijk onrechtmatig is verkregen.4 In de praktijk is volgens haar het ‘zozeer indruist’-criterium dan ook leidend bij de vraag of bewijsmateriaal bestuursrechtelijk al dan niet moet worden uitgesloten.5 A-G IJzerman gaat in zijn conclusie voorafgaand aan het tweede tipgeversarrest in op uitsluiting van onrechtmatig of onbevoegd verkregen bewijsmateriaal in het (fiscale) bestuursrecht.6 Hij concludeert dat over het algemeen sprake is van grote rechterlijke terughoudendheid in de Nederlandse bestuursrechtelijke procespraktijk ten aanzien van uitsluiten van bewijsmateriaal dat onrechtmatig of onbevoegd is verkregen door het bestuur. Over het algemeen wint het belang van de materiële waarheidsvinding. Een voorbeeld hiervan is het gebruik van inkeergegevens door de AFM. Het CBb heeft geoordeeld dat de Belastingdienst in strijd met de fiscale geheimhoudingsplicht inkeergegevens heeft verstrekt aan de AFM.7 Anders dan de rechtbank oordeelde het CBb echter dat de AFM de onrechtmatig verstrekte gegevens wel mocht gebruiken omdat de wijze waarop de AFM de gegevens heeft verkregen niet zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag verwacht worden dat gebruik hiervan ontoelaatbaar geacht moet worden.8
Bij de afweging van belangen dient het handelen van het ontvangende bestuursorgaan een rol te spelen. Ingeval een bestuursorgaan bij een verzoek om fiscale informatie aan de inspecteur onrechtmatig zou handelen – bijvoorbeeld door in een informatieverzoek doelbewust informatie op te vragen voor doel A terwijl op voorhand vaststaat dat de gevraagde gegevens worden gebruikt voor doel B waarvoor géén grondslag is – kan de afweging anders uitvallen dan in het geval waarin het verstrekkende bestuursorgaan een foutje maakt;9 in dat laatste geval kan worden gedacht aan de situatie dat door het bestuursorgaan een verzoek ontheffing geheimhouding is gedaan voor het gebruik van bepaalde fiscale gegevens voor doel B en de inspecteur de gevraagde informatie – vooruitlopend op de te verlenen ontheffing – alvast heeft verstrekt. De inspecteur dient alsdan vanzelfsprekend te worden aangesproken op deze schending van zijn geheimhoudingsverplichting, maar het is de vraag of dit ook gevolgen zou moeten hebben voor het ontvangende bestuursorgaan dat hier geen blaam treft.10