Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/III.2.5
III.2.5 Uitzondering: invoering one tier board door de Ondernemingskamer
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242717:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie § IV.2.1.2.
Zie in gelijke zin met betrekking tot de benoeming van een of meer commissarissen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/271-272.
Zie HR 14 september 2007, NJ 2007, 611 m.nt. Maeijer; JOR 2007/238 m.nt. Bartman (Versatel II).
Van Wees & Eikelboom 2018, p. 121, leiden uit Hof Amsterdam (OK) 15 februari 2016, ARO 2016/81 (Teka) af dat Teka BV destijds het monistische bestuursmodel hanteerde. Zij menen dan ook dat de Ondernemingskamer met het treffen van de onmiddellijke voorziening van het dwingendrechtelijke verbod van art. 2:250 lid 1 BW afweek. Ik vraag mij af of deze analyse juist is. Volgens mij kende Teka BV formeel geen one tier-structuur. Uit de beschikkingen van de Ondernemingskamer blijkt slechts dat Teka BV voornemens was een one tier boardstructuur te implementeren, niet dat zij daartoe ook daadwerkelijk is overgegaan. Zie Hof Amsterdam (OK) 15 februari 2016, ARO 2016/81 (Teka); en Hof Amsterdam (OK) 4 oktober 2017, ARO 2018/25 (Teka). In gelijke zin Boschma e.a. 2018, p. 85.
De lijst van door de Ondernemingskamer te treffen eindvoorzieningen in art. 2:356 BW is limitatief. Zie onder anderen Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 804; Assink|Slagter 2013 (Deel 2), § 93.3, p. 1781; en Handboek 2013/367, p. 824.
Idem Eikelboom 2017, p. 522.
Zie in deze zin onder anderen Assink|Slagter 2013 (Deel 2), § 93.3, p. 1790; Eikelboom 2017, p. 418; en Josephus Jitta, T&C Ondernemingsrecht,art. 2:356 BW, aant. 3.
Hof Amsterdam (OK) 26 april 1972, NJ 1973, 6; AA 1974, p. 118-126 m.nt. Maeijer (Schenkkan).
Maeijer, AA 1974, p. 125-126.
Vgl. HR 1 maart 2002, NJ 2002, 296 m.nt. Maeijer; JOR 2002/79 m.nt. Van den Ingh (Zwagerman); en HR 14 september 2007, NJ 2007, 611; JOR 2007/238 (Versatel II).
Hiervoor schreef ik dat de invoering van het monistische bestuursmodel een statutaire grondslag vereist. Dit betekent dat het bestuur van de vennootschap niet als een one tier board kan worden ingericht zonder dat een statutaire basis voorhanden is. Op dit uitgangspunt bestaat een uitzondering.
In een enquêteprocedure kan de Ondernemingskamer bij wege van onmiddellijke voorziening tijdelijk een of meer niet-uitvoerende bestuurders benoemen.1 Naar mijn mening is zij daartoe bevoegd ongeacht of de statuten in een one tier board voorzien.2 Bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen mag de Ondernemingskamer immers afwijken van dwingend recht.3 Zij is derhalve niet gebonden aan de vereiste statutaire basis voor de benoeming van een of meer tijdelijke niet-uitvoerende bestuurders.
Tot op heden is de Ondernemingskamer niet tot de benoeming van een of meer tijdelijke niet-uitvoerende bestuurders overgegaan zonder dat een statutaire grondslag voorhanden was. Wel benoemde de Ondernemingskamer meermalen een tijdelijke commissaris zonder dat de vennootschap het dualistische bestuursmodel hanteerde. Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 20 juli 2005, ARO 2005/119 (BKV); Hof Amsterdam (OK) 2 december 2015, ARO 2016/5 (Teka)4; en Hof Amsterdam (OK) 18 mei 2017, ARO 2017/128(Roessen & Roessen).
De vennootschap kan dus een monistisch bestuursmodel hanteren zonder dat de statuten daarin voorzien. Een interessante vraag is of de Ondernemingskamer ook bij wege van eindvoorziening tot de instelling van een one tier board kan overgaan. De Ondernemingskamer kan op grond van art. 2:355 jo. 2:356 sub c BW een of meer tijdelijke niet-uitvoerende bestuurders benoemen, maar dat kan mijns inziens slechts indien de statuten in een one tier board voorzien. Bij het treffen van eindvoorzieningen is de Ondernemingskamer namelijk gebonden aan de in art. 2:356 BW genoemde voorzieningen.5 Het tijdelijk afwijken van wettelijke bepalingen – waaronder dus art. 2:129a/239a lid 1 BW – staat daar niet tussen.
Wel kan de Ondernemingskamer tijdelijk in de voor een one tier board vereiste statutaire basis voorzien.6 Onder ‘tijdelijk afwijken’ van een statutaire bepaling in de zin van art. 2:356 sub d BW moet volgens de heersende leer tevens het ‘tijdelijk invoeren’ van een statutaire bepaling worden begrepen.7 Via deze weg kan de Ondernemingskamer dus alsnog tot de tijdelijke instelling van een one tier board overgaan.
In de Schenkkan-beschikking benoemde de Ondernemingskamer bij wege van definitieve voorziening een commissaris zonder dat de statuten in een raad van commissarissen voorzagen.8 De Ondernemingskamer liet echter na de statuten van de vennootschap tijdelijk te wijzigen. Annotator Maeijer plaatste daar terecht vraagtekens bij.9 Mijns inziens had de Ondernemingskamer bij het treffen van deze definitieve voorziening de in art. 2:140 lid 1 BW vereiste statutaire basis niet mogen negeren.10 In navolging van Eikelboom meen ik dat zij slechts tot de benoeming van een commissaris had kunnen overgaan door de statuten van de vennootschap tijdelijk te wijzigen.11