Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/III.2.4
III.2.4 Facultatief monistisch bestuursmodel in de statuten?
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242821:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/272; Bier, Ondernemingsrecht 2017/105; Blanco Fernández, WPNR 2012/6927, p. 311-312; Bulten 2012, p. 9; Handboek 2013/272, p. 580-581; Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:140/250 BW, aant. 3; Lennarts & Roest 2016, p. 93-94; en Van Olffen 2009, p. 40, die zijn standpunt herhaalt in Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89.
Bier, Ondernemingsrecht 2017/105. Volgens Bier zou men wel via een omweg tot een soort facultatieve one tier board kunnen komen. Dit kan volgens haar door in de statuten in een monistisch bestuursmodel te voorzien en vervolgens óf alleen maar uitvoerende bestuurders te benoemen óf zowel uitvoerende bestuurders als niet-uitvoerende bestuurders te benoemen, maar daar, binnen de grenzen van de wet, niet de taakverdeling op af te stemmen.
Blanco Fernández, WPNR 2012/6927, p. 311-312.
Onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/435; Blanco Fernández, WPNR 2012/6927, p. 311-312; Lennarts & Roest 2016, p. 93-94; Nowak, WPNR 2014/7014, p. 348; Ohmann, JBN 2013/8; Van Olffen 2009, p. 39, die zijn standpunt herhaalt in Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89; en Van Olffen, De Kluiver & Legein 2012, p. 34.
Idem Blanco Fernández, WPNR 2012/6927, p. 311-312; en Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89. Bij de vraag of de statutenwijziging waarbij het monistische bestuursmodel wordt ingevoerd eveneens afhankelijk kan worden gesteld van een besluit van een ander orgaan, stond ik stil in § III.2.2.
Aldus ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/435; Blanco Fernández, WPNR 2012/6927, p. 311-312; Lennarts & Roest 2016, p. 93-94; Nowak, WPNR 2014/7014, p. 348; Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89; en Van Olffen, De Kluiver & Legein 2012, p. 34-35.
Zie § III.2.1.2.
In dezelfde zin Blanco Fernández, WPNR 2012/6927, p. 311-312.
Van Olffen 2009, p. 39, die zijn standpunt herhaalt in Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89.
Voor uitzonderingen op het uitgangspunt dat de algemene vergadering de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders benoemt, verwijs ik naar § IV.2.1.2.
Idem Ohmann, JBN 2013/8.
Aldus ook Blanco Fernández, WPNR 2012/6927, p. 311-312. Van Olffen merkt op dat doorgaans in de statuten zal worden bepaald dat de regeling pas effectief wordt op de dag na het neerleggen van het besluit tot instelling van het monistische bestuursmodel bij het handelsregister. Zie Van Olffen 2009, p. 40. Idem Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/435; en Ohmann, JBN 2013/8.
Aldus Lennarts & Roest 2016, p. 93-94.
Te denken valt bijvoorbeeld aan een private equity fonds dat aandelen van een bepaalde soort of aanduiding houdt.
Blanco Fernández, WPNR 2012/6927, p. 311-312.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 3 en 14 (NV); en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 15 (MvA).
Nowak, WPNR 2014/7014, p. 348; en Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89. Ohmann, JBN 2013/8, lijkt deze opvatting eveneens te zijn toegedaan.
Onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/272; Bosse 2002, p. 20 en 30; Handboek 2013/272, p. 581; en Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:140/250 BW, aant. 3.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 3 en 14 (NV); en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 15 (MvA).
Blanco Fernández, WPNR 2012/6927, p. 311-312.
Zie hierover § IV.2.1.2.
Deze vraag stelde Salemink tijdens het Van der Heijden congres op 23 november 2019. Op de veronderstelling dat niet-uitvoerende bestuurders eerder en beter kunnen ingrijpen dan commissarissen, ga ik in hoofdstuk VI in.
Aldus ook Blanco Fernández, WPNR 2012/6927, p. 311-312; en Ohmann, JBN 2013/8.
Zie art. 2:132/242 lid 1 BW. Bij de bevoegdheid tot benoeming van de bestuurders sta ik stil in § IV.2.1.2.
Zie ook de hierna te bespreken gang van zaken bij Reed Elsevier NV (thans RELX Plc).
Is een vergadering van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding bevoegd één of meer bestuurders te benoemen, dan liggen de zaken anders. Het besluit tot het opnemen van het facultatieve bestuursmodel in de statuten en de benoemingsbesluiten kunnen in dat geval niet in een en dezelfde vergadering worden genomen. Alleen de algemene vergadering is namelijk bevoegd de statuten te wijzigen. Zie art. 2:121/231 lid 1 BW.
Dat de samenstelling van de zittende bestuurders en/of commissarissen wisselt tussen het moment waarop het facultatieve model in de statuten wordt opgenomen en het moment waarop het in de statuten aangewezen orgaan besluit het monistische bestuursmodel in te voeren, staat hieraan niet in de weg. De algemene vergadering kan bij de (her)benoemingen die hebben plaatsgevonden nadat het facultatieve model in de statuten is opgenomen, besluiten dat ook die (her)benoemingen worden geacht te zijn gedaan als (her)benoeming van uitvoerende respectievelijk niet-uitvoerende bestuursleden onder de opschortende voorwaarde dat de monistische bestuursstructuur wordt ingevoerd.
Zie Agenda voor de Jaarlijkse Algemene Vergadering van Aandeelhouders van Reed Elsevier 2013, p. 6-7.
Zie de toelichting op Agendapunt 8, Agenda voor de Jaarlijkse Algemene Vergadering van Aandeelhouders van Reed Elsevier 2013, p. 7.
Zie de toelichting op Agendapunt 7 en 8, Agenda voor de Jaarlijkse Algemene Vergadering van Aandeelhouders van Reed Elsevier 2013, p. 6-7.
Idem Lennarts & Roest 2016, p. 93-94.
Op grond van art. 2:140/250 lid 1 BW moet een raad van commissarissen ‘bij de statuten’ worden ingesteld. Een statutaire grondslag is derhalve voldoende. In de literatuur wordt hieruit sinds jaar en dag afgeleid dat een raad van commissarissen ook ‘facultatief’ in de statuten kan worden opgenomen.1 De per 1 september 2001 afgeschafte Departementale Richtlijnen 1986 bepaalden zelfs expliciet dat de instelling van een raad van commissarissen afhankelijk kan worden gesteld van een daartoe strekkend besluit van een in de statuten aangewezen orgaan.2
De vraag komt op of de one tier board eveneens als facultatief model in de statuten kan worden opgenomen. Bier beantwoordt deze vraag ontkennend. Heeft de vennootschap voor het monistische bestuursmodel gekozen, dan moet het bestuur volgens haar bestaan uit uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders en moeten de taken worden verdeeld.3 Ik huldig een ander standpunt.
Het staat buiten kijf dat in de statuten een facultatieve raad van commissarissen kan worden opgenomen. Zoals hiervoor vermeld, hanteert de wet voor de instelling van een raad van commissarissen de term ‘bij de statuten’. In art. 2:129a/239a lid 1 BW wordt dezelfde terminologie gebruikt. Net als Blanco Fernández kan ik geen valide argumenten bedenken die een onderscheid tussen de instelling van een raad van commissarissen en de invoering van een monistisch bestuursmodel rechtvaardigen.4 Ik sluit mij dan ook aan bij de schrijvers die menen dat de invoering van het monistische bestuursmodel eveneens afhankelijk kan worden gesteld van een daartoe strekkend besluit van een in de statuten aangewezen orgaan.5 Een voorwaarde is dan wel dat de statuten in de mogelijkheid van een one tier board voorzien.6
Nu ik heb vastgesteld dat de statuten de invoering van het monistische bestuursmodel afhankelijk kunnen stellen van een besluit van een daartoe in de statuten aangewezen orgaan, resteert de vraag aan welke organen deze bevoegdheid kan worden toegekend. Kan de implementatie van het monistische bestuursmodel slechts afhankelijk worden gemaakt van een besluit van de algemene vergadering? Of kan de algemene vergadering de bevoegdheid ook aan andere organen toebedelen?
Dat de instelling van het monistische bestuursmodel in de statuten afhankelijk kan worden gesteld van een besluit van de algemene vergadering, staat niet ter discussie.7 Zoals ik al schreef, koos de minister bewust voor de terminologie ‘bij de statuten’. De keuze voor de one tier board is volgens hem zodanig ingrijpend dat de algemene vergadering daarover moet beslissen.8 Ligt het initiatief tot de daadwerkelijke instelling van de one tier board bij de algemene vergadering, dan kunnen de aandeelhouders niet verrast worden door de invoering van een ander bestuursmodel. In dat geval wordt dus recht gedaan aan het motief achter de statutaire grondslag.9
Van Olffen wijst er terecht op dat bij de besluitvorming omtrent het instellen van het monistische bestuursmodel aandacht moet worden besteed aan de vraag wie als uitvoerend respectievelijk niet-uitvoerend bestuurder heeft te gelden.10 Aangezien zowel de bevoegdheid tot benoeming als het maken van deze onderverdeling doorgaans op het bordje van de algemene vergadering ligt,11 ligt het voor de hand dat zij de zittende bestuurders en/of commissarissen direct na het nemen van het invoeringsbesluit tot uitvoerend respectievelijk niet-uitvoerend bestuurder benoemt.12 Zodra deze besluiten zijn genomen, is het monistische bestuursmodel functioneel.13 Hoewel de bevoegdheid tot het instellen van een one tier board in de praktijk doorgaans bij de algemene vergadering zal liggen,14 is het interessant te bezien of de statuten de invoering ook afhankelijk kunnen stellen van een besluit van een ander orgaan. Zou de bevoegdheid tot het instellen van het monistische bestuursmodel bij een BV bijvoorbeeld kunnen worden toebedeeld aan een vergadering van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding?15 In de literatuur lopen de antwoorden uiteen.
Zo meent Blanco Fernández dat de bevoegdheid tot instelling van het monistische bestuursmodel slechts aan de algemene vergadering kan worden toegekend. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst hij erop dat de algemene vergadering bevoegd is de bestuurders te benoemen. De bevoegdheid tot het instellen van een one tier board ligt volgens Blanco Fernández bovendien in het verlengde van haar bevoegdheid om over de statutaire inrichting van de vennootschap te besluiten ex art. 2:121/231 lid 1 BW. Een laatste argument vindt hij in de parlementaire geschiedenis van de Wet bestuur en toezicht.16 Zoals gezegd, wilde de wetgever voorkomen dat aandeelhouders door de invoering van een ander bestuursmodel verrast kunnen worden.17
De argumenten van Blanco Fernández overtuigen mij niet. Net als Nowak en Van Olffen meen ik dat de instelling van het monistische bestuursmodel ook afhankelijk kan worden gesteld van een besluit van een ander orgaan dan de algemene vergadering.18 De tekst van art. 2:129a/239a lid 1 BW verzet zich hier niet tegen. Bovendien bepaalden de oude Departementale Richtlijnen 1986 expliciet dat de instelling van een raad van commissarissen afhankelijk kon worden gesteld van een daartoe strekkend besluit van een in de statuten aangewezen orgaan. Onder het ‘in de statuten aangewezen orgaan’ werd niet alleen de algemene vergadering, maar ook de vergadering van houders van aandelen van een bijzondere soort en het bestuur begrepen.19 Hoewel de Departementale Richtlijnen 1986 per 1 september 2001 zijn vervallen, is de algemeen aanvaarde opvatting dat een dergelijke regeling nog altijd is toegestaan.20 Zoals ik al schreef, zie ik geen reden om een onderscheid te maken tussen de instelling van een raad van commissarissen en de invoering van een monistisch bestuursmodel. Ik ben dan ook van mening dat de statuten kunnen bepalen dat de instelling van de one tier board afhankelijk is van een daartoe strekkend besluit van een ander orgaan dan de algemene vergadering.
Mijn opvatting lijkt op het eerste gezicht op gespannen voet te staan met de door Blanco Fernández aangehaalde wetsgeschiedenis, waarin de minister benadrukt dat hij wil voorkomen dat aandeelhouders door de invoering van een ander bestuursmodel verrast kunnen worden.21 Bij nader inzien meen ik dat de invoering van het monistische bestuursmodel voor de aandeelhouders niet volledig uit de lucht komt vallen wanneer het in de statuten aangewezen orgaan daartoe besluit. De algemene vergadering heeft de facultatieve one tier board immers zélf in de statuten geïntroduceerd. Zij weet dus dat het door haar aangewezen orgaan op enig moment tot implementatie van de one tier board kan besluiten. Het argument van Blanco Fernández dat de bevoegdheid tot het instellen van de one tier board in het verlengde ligt van de bevoegdheid van de algemene vergadering om de statutaire inrichting van de vennootschap te bepalen, snijdt om diezelfde reden geen hout. De algemene vergadering heeft deze bevoegdheid zélf prijsgegeven.
Blanco Fernández merkt tot slot op dat het monistische bestuursmodel pas functioneel is zodra de algemene vergadering de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders als zodanig heeft benoemd.22 Ik spreek hem niet tegen. Hieruit kan mijns inziens evenwel niet de conclusie worden getrokken dat de instelling van het monistische bestuursmodel slechts afhankelijk kan worden gesteld van een daartoe strekkend besluit van de algemene vergadering.
Blanco Fernández verliest daarnaast uit het oog dat de bevoegdheid tot benoeming en bepaling van de hoedanigheid van de bestuurders eveneens bij een ander dan de algemene vergadering kan liggen.23 Zo kan de bevoegdheid bij een BV statutair worden toebedeeld aan een vergadering van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding.24 Mijns inziens kunnen de statuten de instelling van het monistische bestuursmodel eveneens afhankelijk stellen van een besluit van zo’n vergadering. Maar de bevoegdheid tot instelling van de one tier board kan ook aan een orgaan worden toegekend dat niet bevoegd is de bestuurders te benoemen.
Kan in de statuten worden bepaald dat de raad van commissarissen in tijden van crisis bevoegd is het monistische bestuursmodel in te voeren, zodat dat de commissarissen de hoedanigheid van niet-uitvoerend bestuurder verkrijgen en aldus eerder en beter kunnen ingrijpen?25 Gelet op hetgeen ik hiervoor betoogde, beantwoord ik deze vraag bevestigend. Maar met het besluit tot invoering van de monistische bestuursstructuur verschieten de commissarissen mijns inziens nog niet van kleur. Zij worden niet automatisch niet-uitvoerende bestuurders. Ik licht dit in het hiernavolgende toe.
Wordt de bevoegdheid tot invoering van het monistische bestuursmodel bij een ander dan het tot benoeming bevoegde orgaan gelegd, dan moet nog een extra stap worden gezet. Het orgaan kan ‘op de knop drukken’ om het monistische bestuursmodel te implementeren, maar daarmee is de one tier board nog niet functioneel. Daartoe is vereist dat uitvoering wordt gegeven aan het besluit van het in de statuten aangewezen orgaan.26 Deze bevoegdheid ligt doorgaans op het bordje van de algemene vergadering. Zij benoemt in de regel de bestuurders en bepaalt in beginsel of de bestuurders hebben te gelden als uitvoerend of niet-uitvoerend bestuurder.27 Het afhankelijk stellen van de instelling van de one tier board van een daartoe strekkend besluit van een ander orgaan dan de algemene vergadering is derhalve omslachtig, doch niet onmogelijk.
Deze hindernis is overigens eenvoudig te nemen wanneer de algemene vergadering bevoegd is de bestuurders en de commissarissen te benoemen. De algemene vergadering zou bijvoorbeeld kunnen besluiten dat de (her)benoemingen van de bestuurders en/of commissarissen worden geacht te zijn gedaan als (her)benoeming als uitvoerende respectievelijk niet-uitvoerende bestuurders onder de opschortende voorwaarde dat de monistische bestuursstructuur wordt ingevoerd.28 De algemene vergadering kan dit besluit al nemen zodra zij heeft besloten de facultatieve instelling van het monistische bestuursmodel in de statuten op te nemen. Een aparte vergadering om de bestuurders te benoemen, behoeft dan ook niet te worden uitgeschreven.29 Neemt het bevoegde orgaan vervolgens het invoeringsbesluit, dan is het monistische bestuursmodel direct functioneel. Alle stappen die benodigd zijn voor de invoering van de one tier board zijn dan immers al gezet.30
Ik sta nogmaals stil bij de gang van zaken bij Reed Elsevier NV. Ook daar werden de bestuurders en commissarissen de facto (her)benoemd tot uitvoerend bestuurder respectievelijk niet-uitvoerend bestuurder onder de opschortende voorwaarde dat het monistische bestuursmodel werd ingevoerd. Ik wijs op de toelichting op Agendapunt 7: Samenstelling van de Raad van Commissarissen: “Onder voorwaarde dat de one-tier bestuursstructuur wordt ingevoerd en vanaf het moment van invoering, zullen de (her)benoemingen van de leden van de Raad van Commissarissen worden geacht te zijn gedaan als (her)benoeming als niet uitvoerende leden van de Raad van Bestuur.”31 De toelichting op het agendapunt over de samenstelling van de Raad van Bestuur bevatte een soortgelijke bepaling, toegespitst op de uitvoerende leden van de Raad van Bestuur.32
Voor de volledigheid vermeld ik dat Reed Elsevier NV de one tier board niet als facultatief model in de statuten had opgenomen. Tijdens de jaarlijkse aandeelhoudersvergadering werd zowel over de invoering van het monistische bestuursmodel als over de (her)benoeming van de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders gestemd. De opschortende voorwaarden waren opgenomen, omdat onzeker was of de algemene vergadering zou besluiten de one tier boardstructuur te implementeren.33
Ik merk tot slot op dat de hierboven weergegeven discussie van weinig praktische relevantie is. Zoals gezegd, zal de bevoegdheid tot het instellen van het monistische bestuursmodel in de praktijk doorgaans aan de algemene vergadering toekomen.34