Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.6.3
4.3.6.3 Argumenten om (g)een onderscheid te maken
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661541:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Soms liggen algemene voorlichting en individuele inlichting in elkaars verlengde, bijvoorbeeld als de Belastingdienst in een algemene brochure verwijst naar informatie die via de BelastingTelefoon kan worden verkregen of andersom. Ook gebruikt de Belastingdienst signalen die via individuele vragen binnenkomen om algemene informatie op te stellen of aan te passen. Omgekeerd kunnen massaal gebleken onduidelijkheden aanleiding vormen om individuele informatie te verstrekken.
Rechtbank Gelderland 11 april 2019, nr. AWB - 18 _ 6250, V-N 2019/38.15, r.o. 12: ‘De rekenmodule stelde concrete vragen die eiseres op basis van haar kentekencard over de auto moest invullen. Op deze manier heeft eiseres concrete informatie gegeven en daaruit volgde zonder enige clausulering de hoogte van de belasting. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een concrete toezegging. Uit Rijksbegroting 2022 (Ministerie van Financiën), Kamerstukken II 2021/2022, 35925 IX, nr. 2, p. 95 volgt dat voor informatie van de Belastingdienst het criterium geldt: ‘de informatie is eenvoudig toe te passen door burgers en bedrijven in hun specifieke situatie’. Oftewel, informatie moet steeds voor burgers toepasbaar zijn in hun specifieke situatie.
Zie uitgebreid in Overdijk 1993, p. 62; Lalji 1992.
Is er nu, gegeven bovenstaande overeenkomsten en verschillen, aanleiding om het vertrouwen ontleend aan algemene versus individueel verstrekte voorlichting op andere wijze te beoordelen? Een argument om voor beide dezelfde koers te hanteren (zoals de Hoge Raad nu doet) ligt erin dat het principieel om hetzelfde type uiting gaat waarvoor de wet slechts bij uitzondering opzij moet worden gezet. Er is verder een praktisch argument: het is lang niet altijd goed mogelijk een grens te trekken tussen algemene en individuele voorlichting.1 Denk aan (algemene) stroomschema’s, rekenhulpen en andere modules: zij zijn opgesteld voor het algemene publiek maar krijgen een geïndividualiseerd karakter doordat de gestelde vragen afhankelijk zijn van de voorafgaand gegeven antwoorden. Is de geconcretiseerde uitkomst dan nog wel ‘algemeen’ te noemen?2 Hierbij gaat het niet enkel om een juridisch label achteraf, maar is ook van belang wat vanuit de burger bezien het geval is. Juist daar doen zich in praktijk immers de problemen voor. Kennelijk blijken in werkelijkheid burgers lang niet altijd uit de formulering van de medewerkers van de BelastingTelefoon op te kunnen maken dat het (enkel) om algemene informatie gaat.3 Die veronderstelling behoeft dus bijstelling. Bovendien moet de burger die de BelastingTelefoon belt voor ‘persoonlijke vragen’ zijn Burgerservicenummer intoetsen. De medewerker heeft dus inzicht in persoonlijke gegevens van de beller en de burger wordt op het spoor gezet dat hij een op zijn persoonlijke situatie afgestemd antwoord krijgt. Kan dan wel worden volgehouden dat enkel sprake is van algemene informatie?
De huidige koers houdt in het geheel geen rekening met de specifieke eigenschappen van mondeling versus schriftelijk verstrekte voorlichting. Mijns inziens laten bovenstaande aspecten zien dat het nodig is om meer rekening te houden met het type uiting, en dus met de omstandigheden van het geval (paragraaf 7.5).