Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context
Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.3:4.3.3 Criterium (i) niet-kenbaarheidsvereiste
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.3
4.3.3 Criterium (i) niet-kenbaarheidsvereiste
Documentgegevens:
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661350:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie van Staatsraad A-G Wattel van 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, Bijlage 2, punt 2.23; Douma e.a. 2019, p. 286 beschouwen het niet-kenbaarheidsvereiste een ‘vanzelfsprekend’ criterium.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op de hoofdregel dat door voorlichting gewekt vertrouwen niet in rechte wordt beschermd, wordt een uitzondering gemaakt indien wordt voldaan aan de cumulatieve criteria van (i) het niet-kenbaarheidsvereiste en (ii) het dispositievereiste. Hier bespreek ik het eerste criterium.
Het niet-kenbaarheidsvereiste houdt de voorwaarde in dat de burger de onjuistheid van de voorlichting niet besefte of had moeten beseffen. Het komt er volgens Wattel op aan of sprake is van een ‘niet makkelijk als onjuist kenbare inlichting’.1
4.3.3.1 Toetsing van het niet-kenbaarheidsvereiste4.3.3.2 Relevantie van het niet-kenbaarheidsvereiste in de rechtspraak