Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.6.3
7.6.3 Gevaarlijke stoffen
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS303968:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Parl. gesch. Boek 6, p. 745; Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1388. Zie ook Hof Arnhem- Leeuwarden 31 maart 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2353 (Zwembadwater) en Haazen 2007, p. 58.
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 9 en Kamerstukken II 1990/91, 21202, 6, p. 21. Zie ook par. 2.4.
Voorzover de vervoerder van een gevaarlijke stof niet reeds aansprakelijk is op grond van de in Boek 8 BW opgenomen regelingen voor zeeschepen (art. 8:620-627), binnenschepen (art. 8:1030-1037), wegvoertuigen (art. 8:1210-1220) en spoorvoertuigen (art. 8:1670-1680).
Art. 6:175 beschermt tegen het ‘verhoogde gevaar’ dat verbonden is aan gevaarlijke stoffen. Dit gevaar schuilt in de eigenschappen die een dergelijke stof nu eenmaal heeft, en ook behóórt te hebben om te voldoen aan hetgeen waarvoor deze bestemd is.1 Anders dan de aansprakelijkheid voor roerende zaken van art. 6:173 is de aansprakelijkheid van art. 6:175 niet gekoppeld aan een gebrek, terwijl gevaarlijke stoffen ook niet pas in geval van de aanwezigheid van een gebrek ‘verhoogd gevaarlijk’ zijn, maar naar hun aard. Voor het ontstaan van het verhoogde gevaar waartegen art. 6:175 beoogt te beschermen is, anders dan bij roerende zaken, bovendien een feitelijk handelen met de stof niet nodig: het ‘verhoogde’ gevaar is reeds gegeven met de enkele aanwezigheid van de stof. Aldus is de persoon die een stof onder zich houdt degene die het gevaar waartegen art. 6:175 beoogt te beschermen in de hand werkt of ‘opwekt’; hij schept de condities waarbinnen het ‘verhoogde gevaar’ zich kan manifesteren. Degene die een stof onder zich heeft vergroot niet alleen eenzijdig voor derden de kans op schade door verwezenlijking van het aan de stof verbonden gevaar, maar verkeert ook in de beste positie maatregelen te treffen om schade te voorkomen. Kortom, degene die een stof onder zich houdt wordt geacht ‘het meest nabij’ te zijn, in de zin van het hebben van de grootste mate van invloed op de aan de stof verbonden risico’s. In andere woorden, degene die een gevaarlijke stof onder zich houdt wordt daarmee geacht het aansprakelijkheidsrisico van schade door deze stof te hebben aanvaard. Hier vallen zeggenschap over het gevaarsobject als zodanig en zeggenschap over het schadeveroorzakende element waartegen – in dit geval – art. 6:175 beoogt te beschermen dus samen. Zeggenschap over een gevaarlijke stof brengt dus reeds ‘verantwoordelijkheid’ mee voor door die stof aangerichte schade. Dit sluit aan bij wetsgeschiedenis, waarin is aangegeven dat de aansprakelijkheid steeds behoort te liggen bij degene ‘in wiens handen’ de stof zich op het moment van de schadeveroorzaking bevond.2 In het licht van het vorenstaande is het ook goed verklaarbaar dat de wetgever niet enkel de gebruiker van een gevaarlijke stof (art. 6:175 lid 1) maar ook de bewaarder en daarmee gelijk te stellen personen als de vervoerder (art. 6:175 lid 2) met de kwalitatieve aansprakelijkheid heeft belast.3 Een feitelijk handelen met de stof is immers niet per se vereist om het verhoogde gevaar waarop art. 6:175 ziet te scheppen, terwijl óók de bewaarder en vervoerder geacht worden gedurende hun activiteiten rechtstreekse c.q. de grootste mate van invloed te hebben op de aan de stof verbonden risico’s.