Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.6.1
7.6.1 De kern van het gebruiksbegrip
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS300401:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1998/99, 26219, 3, p. 103-104. Dit laat overigens onverlet dat de bedoelde ‘verantwoordelijkheid’ een gedeelde kan zijn, met een hoofdelijke aansprakelijkheid ex art. 6:181 tot gevolg.
Term ontleend aan Jansen 2007, p. 181.
Hieraan kan nog toegevoegd worden dat blijkens de toelichting op de Aanvullingswet 1995 hier nog twee gevallen van eigen aard bij komen, te weten stortplaatsen (6:176) en mijnbouwwerken (art. 6:177): van de naar hun aard hieraan verbonden bijzondere gevaren mogen omwonenden en andere derden niet de dupe worden, aldus Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 8.
Zie ook par. 7.5.1. Dat art. 185 WVW niet zag op bepaalde gevallen van schade door een gebrek in een motorrijtuig terwijl bescherming daartegen wel wenselijk werd geacht, was reden voor het schrappen van de motorrijtuigen uit de uitzondering in lid 3 van art. 6:173.
Zie ook Kamerstukken II 1990/91, 21202, 6, p. 2-3, waar nog eens wordt benadrukt dat het gaat om aansprakelijkheid voor ‘een objekt dat een bron van verhoogd gevaar oplevert’, die intreedt ‘in het geval dat dit gevaar zich verwezenlijkt’. (curs. AK)
Vgl. over het tot nog toe ontbreken daarvan par. 7.4.
Dat bij de toepassing en werking van kwalitatieve aansprakelijkheid gedifferentieerd kan worden afhankelijk van het aan de orde zijnde gevaarsobject, vindt bevestiging in de (alleen) voor opstallen geldende tenzij-clausule in art. 6:181 lid 1, alsook in HR 8 oktober 2010, NJ 2011/465, m.nt. Hartlief (Hangmat) en HR29 januari 2016, NJ 2016/173, m.nt. Hartlief (Paard Imagine).
Juist acht ik de verwijzing in Parl. gesch. Boek 6, p. 747 naar een ‘sprekende band’ met de zaak (lees: invloed op de risico’s) als het aankomt op de toepassing van art. 6:181; de uitwerking van deze gedachte – de bewaarder van zaken én dieren kwalificeert volgens de wetsgeschiedenis niet als ‘gebruiker’ ex art. 6:181 – echter niet. Zie par. 7.6.2 en 7.6.4
Hier zou ter illustratie nog gewezen kunnen worden op HR 26 februari 2016, NJ 2016/151 (Ontruiming krakers), over de uitleg van ‘gebruik’ in art. 138 lid 1 Sr (wederrechtelijk binnendringen van woning of erf bij een ander in gebruik). De Hoge Raad oordeelde dat ‘bij een ander in gebruik’ verschillend wordt uitgelegd al naar gelang het gaat om een woning of een erf. Waar een woning pas ‘in gebruik’ is in geval van feitelijk gebruik, is een erf volgens de Hoge Raad al bij iemand ‘in gebruik’ in geval van het enkele bezitten of houden (bewaren) daarvan. Van ‘gebruik’ in de zin van art. 138 lid 1 Sr is in geval van een erf dus sneller sprake dan wanneer het om een woning gaat. Evenals in art. 138 lid 1 Sr heeft in art. 6:181 dezelfde term ‘gebruik’ betrekking op verschillende ‘objecten’.
In het navolgende wordt de concrete hantering van het aspect ‘zeggenschap’ ter aanwijzing van de in het stelsel van art. 6:181 jo. 173, 174 en 179 aansprakelijke persoon uitgewerkt. Hierbij kan voorop gesteld worden dat de vraag of iemand ‘gebruiker’ in de zin van art. 6:181 is, mede relatief van aard is. Het komt er niet op aan te beoordelen of de aangesprokene veel of weinig ‘zeggenschap’ als zodanig heeft over de aan de zaak verbonden risico’s, maar of van diegene ten opzichte van andere potentieel aansprakelijken (bezitter, een ander bedrijf, producent, etcetera) kan worden gezegd in de beste positie te verkeren daarop invloed uit te oefenen. Telkens is aansprakelijk degene die ten opzichte van de ander(en) wordt geacht ‘een grotere mate van verantwoordelijkheid’ te dragen voor het ontstaan van de situatie die aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de schade.1 Beslissend is derhalve zeggenschap, in de zin van invloed kunnen uitoefenen, in grotere mate dan anderen dat kunnen, op de aan de in art. 6:173, 174, 179 bedoelde ‘gevaarsobjecten’ verbonden risico’s. Oftewel, kwalitatief aansprakelijk is degene die in vergelijking met anderen ‘het meest nabij’ (de oorzaak van) het gevaar is en aldus in de beste positie verkeert terzake zorg uit te oefenen, waarvan ‘derden’ afhankelijk zijn. Om zodoende steeds ‘de meest relevante laedens’ te kunnen aanwijzen,2 is het van belang voor ogen te hebben dat de verschillende kwalitatieve aansprakelijkheden voor zaken niet beogen te beschermen tegen dezelfde risico’s, maar dat om uiteenlopende redenen sprake is van ‘bijzonder’ gevaar. Zo zijn roerende zaken en opstallen (pas) gevaarlijk wanneer zij ‘gebrekkig’ zijn, terwijl dieren en gevaarlijke stoffen naar hun aard gevaarlijk zijn.3 Bezien we ter illustratie ook nog de kwalitatieve aansprakelijkheid van art. 185 WVW, dan geldt daarvoor dat een motorrijtuig (pas) als gevaarlijk wordt beschouwd wanneer dit in beweging is.4 De toelichting op de Aanvullingswet 1995 vermeldt omtrent de grondgedachte achter de aansprakelijkheden voor zaken, stoffen en dieren uit afd. 6.3.2 BW in mijn ogen dan ook niet voor niets (MvA):5
‘Aan al deze aansprakelijkheden ligt dezelfde gedachte ten grondslag, nl. dat het hier gaat om bronnen van verhoogd gevaar en dat, zo dit gevaar zich verwezenlijkt, de slachtoffers hun bescherming dienen te vinden in een aansprakelijkheid van degene die voor het uit deze bron voortvloeiende gevaar verantwoordelijk moet worden geacht.’6 (curs. AK)
Kwalitatief aansprakelijk is degene die ‘verantwoordelijk’ is voor het specifieke gevaar dat de in art. 6:173, 174, 175 en 179 bedoelde objecten nu juist tot ‘gevaarlijk’ maakt. Aldus kan naar mijn idee de kwalitatief aansprakelijke worden omschreven als degene met (de grootste mate van) zeggenschap over het schadeveroorzakende element waartegen de betreffende kwalitatieve aansprakelijkheid beoogt te beschermen. Hiermee is in mijn ogen ook de gewenste algemene maatstaf gegeven,7 waaraan in voorkomende gevallen valt te toetsen of al dan niet aan het gebruiksbegrip van art. 6:181 is voldaan. De bedoelde ‘zeggenschap’ hoeft, zoals nog zal blijken, overigens niet per se samen te vallen met zeggenschap over het gevaarsobject als zodanig: een persoon kan namelijk een zekere zeggenschap over een zaak hebben, maar toch niet ‘verantwoordelijk’ worden geacht voor het schadeveroorzakende element daarvan. Voorts kan het feit dat de in afd. 6.3.2 BW relevant geachte gevaarobjecten als gezegd niet alle hetzelfde schadeveroorzakende element hebben, leiden tot verschillende uitkomsten bij de te onderscheiden gevallen van kwalitatieve aansprakelijkheid.8 Zo hoeft, zoals eveneens nog zal blijken, hetgeen voor bijvoorbeeld een bewaarder van een roerende zaak geldt (‘gebrek’) niet automatisch ook op te gaan voor de bewaarder van een dier (‘eigen energie’).9, 10 In het navolgende worden de verschillende door art. 6:181 lid 1-3 bestreken ‘gevaarsobjecten’ aan de hand van de zojuist geformuleerde algemene maatstaf afzonderlijk aan een nadere beschouwing onderworpen.