Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/7.6.2
7.6.2 Ordentliche Kündigung
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS580414:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
§ 626 en 130 BGB.
Een Betriebsrat is alleen verplicht in bedrijven met ten minste vijf werknemers (§1 lid 1 BetrVG).
§ 102 lid 5 BetrVG.
Voor Schwerbehinderten § 85 SGB IX jo. 134 BGB, in het algemeen § 102 lid 1 BetrVG.
De grens van tien werknemers geldt voor werknemers die na 31 december 2003 in dienst zijn getreden, voor werknemers die voor die tijd in dienst waren geldt meer dan vijf werknemers, § 23 BetrVG.
Via o.m. een soort afspiegeling, HWK/M.Quecke, p.2585-2586, ErfK/Oetker, p.2123-2141, Hanau/ Adomeit, p.250-251.
§ 1a KSchG, ingevoerd in 2004 om meer rechtszekerheid te bieden en ontslagprocedures te voorkomen.
Bij de Vaate signaleert dat de rechtspraktijk deze regel nauwelijks toepast, V. Bij de Vaate, ‘Sociaal Akkoord en hervorming van het ontslagrecht. Lessen uit Duitsland’, NJB 2013, p.1629-1630.
HWK/Thies, p.2493, Hanau/Adomeit, p.252.
ErfK/Oetker, p.2100-2101.
ErfK/Oetker, p.2104.
Hanau/Adomeit, p.253, met name hun noot 61.
HWK/Thies, p.2492, HWK/Queke, p.2521-2522. Een ‘Abmahnung’ is niet noodzakelijk bij een zware overtreding van de verplichtingen, waarvan de ontoelaatbaarheid zonder meer kenbaar is en waarvan het duidelijk is dat de werkgever die niet aanvaardt. Dit geldt ook bij een hardnekkig vasthouden aan strijdig gedrag.
BAG 22 juli 1982, 2 AZR 30/81.
§ 3 en 4 KSchG. Soms wordt de drie weken termijn verlengd § 5 en 6 KSchG.
§ 7 KSchG.
§ 1 lid 2 vierde volzin KSchG bepaalt dat de werkgever in elk geval de feitenmoet bewijzenwaarop hij de opzegging baseert. ErfK/Oetker, p.2099, 2104 en 2114-2115 beschrijft de verdere bewijslast van de werkgever.
§ 613a lid 4 BGB of § 105 jo. 111 BGB, HWK/Quecke, p.2622-2623. Ook hier geldt dat de werkgever de feiten moet bewijzen waarop hij de opzegging baseert.
Onder aftrek van de uitkeringen die de werknemer ter zake heeft gehad, zijn andere verdiensten én wat hij verdiend zou hebben als hij moedwillig geen passende arbeid heeft aangenomen, § 11 KSchG.
§ 615 lid 1 BGB, HWK/Thies, p.2665.
§ 9 KSchG. De ontslagdatum die de rechter vaststelt is dan de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij een sozial gerechtfertigte Kündigung zou zijn geëindigd.
§ 10 KSchG.
ErfK/Kiel, p.2197-2199, HWK/Thies, p.2551-2553.
Hako/Fiebig, p.856-886 bespreekt de ontslagvergoeding uitgebreid.
§ 112 en 113 BetrVG; zie ook § 1a KSchG dat bij betriebsbedingte Kündigingen aan werknemers een half maandsalaris per dienstjaar toekent bij het afzien van een gerechtelijke procedure tegen de opzegging, ook Hanau/Adomeit, p.258.
Voor de hoogte daarvan is de norm van een half maandsalaris per dienstjaar evenmin ongebruikelijk. Hanau/Adomeit, p.257-258, W. Berkowsky, ‘Vergleich im Kündigungsschutzprozeß’ in: Münchener Handbuch Band 2 (MünchHandb/Berkowsky), p.851, zie ook § 1a KSchG voor betriebsbedingte Kündigingen. Bij de Vaate wijst er bijv. op dat in 2011 75% van de 176.134 ingediende Kündigingsschutzklagen is geëindigd in een schikking, V. Bij de Vaate, ‘Sociaal Akkoord en hervorming van het ontslagrecht. Lessen uit Duitsland’, NJB 2013, p.1628.
§ 622 lid 3 BGB.
§ 14 lid 1 onder 5 TzBfG. Zo’n arbeidsovereenkomst is behoudens andersluidende afspraak niet tussentijds op te zeggen.
BVerfG 27 januari 1998, AP KSchG 1969 § 23 Nr.17, BVerfG 21 juni 2006, NZA 2006, 913, BAG 22 mei 2003, 2 AZR 426/02.
Hako/Mayer, p.99-101.
V. Bij de Vaate, ‘Sociaal Akkoord en hervorming van het ontslagrecht. Lessen uit Duitsland’, NJB 2013, p.1624-1630, m.n. p.1628.
In § 620 lid 2 jo. 622 BGB is de ‘ordentliche Kündigung’ geregeld, waarbij de arbeidsovereenkomst eindigt na afloop van de opzegtermijn. De lengte van de opzegtermijn is gekoppeld aan de duur van de arbeidsovereenkomst. Een opzegging moet schriftelijk gebeuren en werkt zodra hij is ontvangen.1 De dag waartegen kan worden opgezegd is de vijftiende dag of de laatste dag van een kalendermaand. De werkgever moet vóór elke opzegging de Betriebsrat horen over het ontslag en de motivering daarvoor.2 De Betriebsrat moet binnen een week zijn gemotiveerde opvatting over de opzegging meedelen. Gaat de werkgever in tegen de opvatting van de Betriebsrat en zegt hij niettemin op, dan kan hij onder omstandigheden verplicht zijn de werknemer tewerk te stellen, tot het einde van de rechtsstrijd met die werknemer over de opzegging.3
Sommige groepen werknemers worden nog aanvullend beschermd. De werkgever heeft voor hun opzegging voorafgaande toestemming nodig, zoals bij Schwerbehinderten van het Integrationsamt. Zonder die toestemming of die van de Betriebsrat is een opzegging nietig.4 Naast het procedurele voorportaal moet de bescherming van de werknemer komen uit het KSchG. Die is van toepassing als de werknemer ten minste zes maanden in dienst is, bij een werkgever met meer dan tien werknemers.5
De werkgever moet bewijzen dat één van drie situaties zich voordoet:
redenen gelegen in het bedrijf (betriebsbedingte Kündigung)
redenen gelegen in de persoon (personenbedingte Kündigung)
redenen gelegen in gedrag (verhaltensbedingte Kündigung)
a.
Bij de betriebsbedingte Kündigung gaat het met name om dringende bedrijfseconomische of -organisatorische redenen. De werkgever moet aantonen dat de arbeidsplaats van de werknemer is vervallen en dat regels voor de selectie van een voor ontslag voor te dragen persoon (‘soziale Auswahl’) juist zijn toegepast.6 Een werknemer die zijn betriebsbedingte Kündigung niet aan de rechter voorlegt, heeft na de opzegtermijn een wettelijke aanspraak op een half maandsalaris per dienstjaar, als de werkgever die bij de opzegging aanbiedt.7 Het niet aanbieden kan dus betekenen dat de werknemer het bedrijfseconomisch ontslag aanvecht.8
b.
Bij de personenbedingte Kündigung moet worden gedacht aan redenen die zijn gelegen in zijn persoon maar niet in zijn gedrag. Die redenen moeten ertoe leiden dat hij een wezenlijk deel van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst niet kan vervullen, op de wijze die van hemkanworden gevraagd. Het kan gaan om een slechte gezondheid, ontbrekende kennis, kunde of vaardigheden of verlies van geschiktheid (bijvoorbeeld bij intrekking van het rijbewijs).9 Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid valt onder deze grond en die grond bespreek ik uitgebreider in § 7.7.
c.
Bij verhaltensbedingte Kündigung komt aan de orde of de werknemer de verbintenissen uit de overeenkomst toerekenbaar schendt door gedrag waarop hij invloed heeft. Tegelijk moet worden getoetst of er gevaar voor herhaling van die schending bestaat.10 Te denken is aan het regelmatig te laat komen, het dronken op het werk verschijnen of het niet verstrekken van de medische verklaring ten bewijze van ziekte. Deze categorie van mogelijke ontslagen ligt dicht tegen de außerordentliche Kündigung (ontslag op staande voet) aan. Het dient onder meer voor de gevallen waarin er geen dringendheid bestaat om per direct afscheid te nemen of om de situatie waarin die dringendheid wel bestond, maar de werkgever niet tijdig genoeg heeft gehandeld en daardoor zijn recht op een außerordentliche Kündigung heeft verspeeld.11
De werknemer moet in de regel vóór een ordentliche Kündigung eerst een ingebrekestelling hebben gehad (‘Abmahnung’). Deze plicht geldt voor alle duurverbintenissen (§ 314 lid 2 BGB) en ook hier gaat dat op: door zijn gedrag voldoet de werknemer immers niet aan de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst.12 Het doel van de Abmahnung is om aan de werknemer duidelijk te maken dat de werkgever niet langer genoegen neemt met de tekortschietende nakoming. De werknemer wordt daardoor gewaarschuwd dergelijk gedrag achterwege te laten om de toekomst van de arbeidsovereenkomst niet in gevaar te brengen. Het past ook in de ultima ratio gedachte van ontslag als uiterste middel.13
Wil de werkgever daarna overgaan tot opzegging dan dient hij wel eerst alle belangen af te wegen:
‘Eine verhaltensbedingte Kündigung ist auf Grund solcher Tatsachen gerechtfertigt, die einemverständig urteilenden Arbeitgeber bei gewissenhafter Abwägung der beiderseitigen Interessen eine Kündigung als billigenswert und angemessen erscheinen lassen’14
Een werknemer die het niet eens is met de opzegging kan als gezegd binnen een week de Betriebsrat inschakelen voor bemiddeling, maar moet daarnaast binnen drie weken naar het Arbeitsgericht stappen.15 Start de werknemer die gerechtelijke procedure te laat dan is het ontslag geldig (‘wirksam’).16 De gronden voor een eis bij het Arbeitsgericht zijn dat de opzegging ‘sozial ungerechtfertigt’ is óf op een andere grond ‘unwirksam’ is. Slaagt de werkgever er niet in te bewijzen dat er sprake is van een betriebsbedingte, personenbedingte of verhaltensbedingte Kündigung dan is het ontslag volgens § 1 lid 2 KSchG sozial ungerechtfertigt.17Het ontslag kan eveneens worden bestreden met een beroep op § 4 lid 1 KSchG: een ontslag kan ‘aus anderen Gründen unwirksam’ zijn. Te denken is bijvoorbeeld aan ontslag vanwege overgang van onderneming of een opzegging door een onbevoegde persoon.18
Het Arbeitsgericht stelt vast of de opzegging sozial ungerechtfertigt of op andere gronden unwirksam is. Zo nee, dan is de arbeidsovereenkomst door opzegging geëindigd. Zo ja, dan is de arbeidsovereenkomst in stand gebleven en moet de werkgever het loon nabetalen.19 Die nabetaling is verschuldigd omdat de werkgever in schuldeisersverzuim is geraakt.20 De werknemer kan in plaats daarvan echter stellen dat van hem voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet langer te verlangen is, net als de werkgever zich erop kan beroepen dat een vruchtbare samenwerking inmiddels niet meer mogelijk is. In beide gevallen kan het Arbeitsgericht de arbeidsovereenkomst alsnog ‘auflösen’ en moet hij de ontslagdatum én een ‘angemessene’ ontslagvergoeding vaststellen.21
Die ontslagvergoeding is op grond van § 10 KSchG door de rechter vast te stellen op hooguit twaalf maandsalarissen, met twee uitzonderingen. Voor een werknemer van ten minste 50 jaar met ten minste vijftien dienstjaren is de vergoeding maximaal vijftien maandsalarissen, voor 55-jarigen met ten minste twintig dienstjaren maximaal achttien maandsalarissen.22 De vergoeding is ten eerste bedoeld als compensatie voor de materiële en immateriële schade vanwege het ongerechtvaardigd verlies van de baan en heeft ten tweede een sanctiekarakter om werkgevers te weerhouden zonder terechte grond op te zeggen.
Het Arbeitsgericht kan niet boven deze grenzen uitgaan en bepaalt concreet de hoogte van de ontslagvergoeding aan de hand van verschillende omstandigheden, zoals leeftijd, lengte van het dienstverband, kansen op de arbeidsmarkt (dan wel of al een nieuwe baan is gevonden), de gezondheid van de werknemer en de ernst van de verwijtbaarheid van het ontslag. Bij lange dienstverbanden is één maandsalaris per twee dienstjaren niet ongebruikelijk. Onder maandsalaris wordt dan verstaan het bruto maandsalaris inclusief alle reguliere loonbestanddelen (zoals vakantiegeld, tantième, overwerkvergoeding, loon in natura).23 Van de berekening van de ontslagvergoeding aan de hand van een formule wordt echter afgezien.24 Buiten deze wettelijke grondslag (en de regels rond sociaal plannen)25 bestaat geen afdwingbare aanspraak op een ontslagvergoeding. Niettemin proberen veel werknemers die wel te verkrijgen door te gaan procederen om vervolgens bij de rechter een minnelijke regeling (‘Abfindungsvergleich’) te treffen.26
Het KSchG geldt niet altijd, bijvoorbeeld niet in de eerste zes maanden van een arbeidsovereenkomst of voor werknemers in kleinere ondernemingen. Bovendien is het KSchG niet van toepassing bij de opzegging van eenwerknemer in een afgesproken proeftijd. Zo’n proeftijd kan maximaal zes maanden duren, waarbinnen schriftelijk kan worden opgezegd met een opzegtermijn van twee weken.27 Let wel, het moet gaan om een overeengekomen proeftijd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en die is te onderscheiden van een specifiek contract voor bepaalde tijd, bedoeld om de werknemer te ‘beproeven’.28 Dat het KSchG niet geldt, wil niet zeggen dat die werknemers bij een ordentliche opzegging geen ontslagbescherming genieten. Het Arbeitsgericht kan hun opzegging toetsen aan bijvoorbeeld het verbod op willekeur en ‘sachfremden Motiven’ of strijd met gelijke behandelingsbepalingen. Deze bescherming wordt gebaseerd op de goede trouw uit § 242 BGB met inachtneming van het GG, maar is wel beperkter in te roepen dan die op basis van het KSchG.29 De werknemer zal bijvoorbeeld niet eenvoudig kunnen bewijzen dat een ontslag misbruik van recht of strijd met de goede zeden oplevert.30
Vanwege de mogelijkheid van hoger beroep en dus een lange periode van onzekerheid of de arbeidsovereenkomst wel of niet rechstgeldig is geëindigd, wordt in veel ontslagzaken een minnelijke regeling getroffen. De wettelijke regeling die in oorsprong het bestaan van de arbeidsovereenkomst probeert te beschermen, heeft geleid tot een ‘afkooppraktijk’.31