Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.3.3.4.6
4.3.3.4.6 Factor 5: Economische belangen en werkgelegenheid
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS448747:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie EHRM 9 december 1994, López Ostra/Spanje, r.o. 56 en 58 (zaaknr. 16798/90) en EHRM 30 maart 2010, Bǎcilǎ/Roemenië, r.o. 69-72 (zaaknr. 19234/04).
Wellicht dat dit ook opgemaakt kan worden uit het genoemde arrest-López Ostra/Spanje. Uit de weergave van de feiten in dat arrest blijkt namelijk dat ook in die zaak sprake was van onrechtmatigheid naar nationaal recht. Bij de toetsing van het overheidsoptreden liet het EHRM in die zaak echter bewust in het midden of de installatie en haar activiteiten in strijd waren met nationaal recht (zie EHRM 9 december 1994, López Ostra/Spanje, r.o. 55 (zaaknr. 16798/90)), zodat het daaraan geen gewicht lijkt te hebben toegekend.
Zie EHRM 3 mei 2011, Apanasewicz/Polen, r.o. 80 en 102 (zaaknr. 6854/07).
Bij de vormgeving van regelgeving gaat het om de positieve verplichting om regelgeving uit te vaardigen (zie hierover hoofdstuk 3), terwijl het bij de verlening, wijziging of intrekking van vergunningen gaat om de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten (zie paragraaf 4.1).
Zie EHRM 2 oktober 2001, Hatton e.a./VK, r.o. 97 (zaaknr. 36022/97).
Zie EHRM 2 oktober 2001, Hatton e.a./VK, r.o. 97 (zaaknr. 36022/97).
Zie EHRM 2 oktober 2001, Hatton e.a./VK, r.o. 102 en 106 (zaaknr. 36022/97).
Zie EHRM 2 oktober 2001, Hatton e.a./VK, r.o. 106-107 (zaaknr. 36022/97).
Zie EHRM 8 juli 2003, Hatton e.a./VK, r.o. 121-122 (zaaknr. 36022/97).
Zie EHRM 8 juli 2003, Hatton e.a./VK, r.o. 122 (zaaknr. 36022/97).
Zie ook Drupsteen 2009, p. 141.
Zie EHRM 8 juli 2003, Hatton e.a./VK, r.o. 123 (zaaknr. 36022/97).
Zie EHRM 8 juli 2003, Hatton e.a./VK, r.o. 129 (zaaknr. 36022/97).
Zie ook Drupsteen 2009, p. 142 en 147 en Gerards 2013a, p. 469 en 470. In dit verband wijs ik er bovendien op dat blijkens de rechtspraak van het HvJEU aantastingen van de door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie beschermde rechten ook alleen zijn toegestaan, indien zij niet verder gaan dan wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de nagestreefde legitieme doelstellingen, met dien verstande dat, wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel (zie bijvoorbeeld HvJEU 22 januari 2013, Sky Österreich, C-283/11, ECLI:EU:C:2013:28, r.o. 47- 50. Overigens zijn er wel uitspraken waarin ook het EHRM naging of een gerechtvaardigd doel bereikt had kunnen worden met een maatregel die de door het EVRM beschermde belangen minder had aangetast (zie bijvoorbeeld EHRM 30 april 2009, Glor/Zwitserland, r.o. 94-95 (zaaknr. 13444/04) en EHRM 25 oktober 2012, Vistiņš en Perepjolkins/Letland, r.o. 129 (zaaknr. 71243/01)).
Vergelijk ook Gerards 2013a, p. 466, 470, 471-472, 483-484, 488 en 490.
Bestaande aantastingen worden vaak veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. Deze activiteiten leveren doorgaans een bijdrage aan de economie en de werkgelegenheid. Bij het verrichten van concrete handelingen ter beëindiging van een bestaande aantasting van de door artikel 8evrm en artikel 1ep beschermde belangen kunnen derhalve economische belangen en/of de werkgelegenheid in het gedrang komen. Die economische belangen en de werkgelegenheid vormen daarom omstandigheden die een rol kunnen spelen bij de beoordeling of de overheid verplicht is een of meer (bepaalde) concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van een bestaande aantasting van de door artikel 8 evrm en/of artikel 1 ep beschermde belangen.1
Twee goede voorbeelden bieden de zaak-López Ostra/Spanje en de zaak-Bǎcilǎ/Roemenië, die beide reeds uitgebreider besproken zijn in paragraaf 4.3.2.3.2 Uit het arrest-Bǎcilǎ/Roemenië lijkt opgemaakt te kunnen worden dat economische belangen en/of de bescherming van de werkgelegenheid niet kunnen rechtvaardigen dat de overheid geen concrete handelingen verricht ter beëindiging van een bestaande aantasting, indien die aantasting veroorzaakt wordt door activiteiten die naar nationaal recht op zichzelf of wat betreft (de ernst van) hun gevolgen onrechtmatig zijn.3 Hoewel de beschikbaarheid van slechts één op dit punt redelijk duidelijk arrest noodzaakt tot een zekere voorzichtigheid bij het trekken van conclusies, lijkt mij dat in het licht van de ‘rule of law’ een redelijk en juist standpunt. Economische belangen en/of de bescherming van de werkgelegenheid kunnen vermoedelijk hoogstens rechtvaardigen dat het verrichten van dergelijke concrete handelingen (dat wil zeggen: handhavend optreden) tijdelijk uitgesteld wordt teneinde de burgers die die activiteiten verrichten de gelegenheid te bieden die activiteiten te verplaatsen.4 Bij de beoordeling of de overheid verplicht is handhavend op te treden lijken economische belangen en werkgelegenheid derhalve (uiteindelijk) geen belangrijke rol te spelen. Die belangen zijn waarschijnlijk vooral in een eerder stadium van betekenis, namelijk bij de vormgeving van de regelgeving en de vergunningen die op basis daarvan verleend, gewijzigd of ingetrokken worden ter regulering van aantastende activiteiten.5 Blijkens de zaak-Hatton e.a./VK kan bij het bepalen van het beschermingsniveau dat regelgeving biedt bijvoorbeeld wel een groot gewicht toekomen aan economische belangen en/of de werkgelegenheid. In die zaak werd geklaagd over de regelgeving over nachtelijke geluidsoverlast van vliegtuigen rondom de luchthaven Heathrow bij Londen. Die regelgeving stond volgens de klagers namelijk te veel geluidsoverlast toe. Een kamer van het ehrm oordeelde in eerste aanleg dat ‘in the particularly sensitive field of environmental protection, mere reference to the economic well-being of the country is not sufficient to outweigh the rights of others’.6 Volgens die kamer van het ehrmwas de overheid bovendien gehouden de aantasting van het recht op respect voor de woning, het privé- en familieleven zo veel mogelijk te minimaliseren door naar alternatieven te zoeken en te trachten haar doelen te bereiken op de wijze die voor de mensenrechten het minst belastend was.7 Die kamer van het ehrm oordeelde (mijns inziens terecht) dat, hoewel het aannemelijk was dat nachtvluchten tot op zekere hoogte een bijdrage leverden aan de nationale economie, het belang van die bijdrage nooit kritisch beoordeeld en gekwantificeerd was.8 Dit in combinatie met de afwezigheid van een voorafgaand degelijk onderzoek naar de effecten van geluidsoverlast op de slaap van omwonenden en de afwezigheid van een voorafgaand volledig onderzoek naar de minst belastende oplossing was voor die kamer reden voor het oordeel dat de overheid in de regelgeving geen ‘fair balance’ tot stand had gebracht tussen de economische belangen en het recht op respect voor de woning, het privé- en familieleven.9 De Grote Kamer van het ehrm oordeelde in intern beroep echter anders. Volgens de Grote Kamer moest bij het tot stand brengen van een ‘fair balance’ tussen de economische belangen van vliegtuigmaatschappijen, hun klanten en het land als geheel enerzijds en de belangen van degenen die door de geluidsoverlast getroffen werden anderzijds rekening gehouden worden met het belang van de bescherming van het milieu (in casu: de bescherming tegen geluidsoverlast).10 Volgens de Grote Kamer kwam daarbij (anders dan de kamer gesuggereerd leek te hebben) aan het belang van de bescherming van het milieu evenwel geen bijzondere status toe die een speciale benadering rechtvaardigde.11 In het verlengde daarvan leek de Grote Kamer bovendien afstand te nemen van het oordeel van de kamer dat de overheid moest trachten haar doelen te bereiken op de wijze die voor de mensenrechten het minst belastend was.12 Het oordeelde namelijk dat, hoewel de overheid gedegen rekening moest houden met de door artikel 8evrm beschermde belangen, het in beginsel aan de overheid was te kiezen uit de verschillende manieren en middelen om die belangen te beschermen.13 Volgens de Grote Kamer was het redelijk om aan te nemen dat de nachtvluchten ten minste tot op zekere hoogte bijdroegen aan de economie, ook al waren er geen specifieke gegevens over de economische kosten van het schrappen van (bepaalde) nachtvluchten. Naar het oordeel van de Grote Kamer had de overheid (mede) daarom haar verplichting om een ‘fair balance’ tot stand te brengen niet geschonden.14 Mijns inziens is het oordeel van de Grote Kamer betreurenswaardig. Geheel los van het antwoord op de vraag of aan het belang van de bescherming van het milieu een bijzonder(e) status of gewicht zou moeten toekomen, is het naar mijn mening namelijk zonder meer redelijk (zowel in milieuzaken als in andere zaken) te verlangen dat de overheid tracht haar op zichzelf gerechtvaardigde beleidsdoelen te bereiken op een wijze die de door het evrm beschermde belangen het minst aantast.15 Dat is niet alleen redelijk, maar geeft de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van overheidsmaatregelen ook meer richting, doordat een beoordeling of er een (even) effectieve, minder belastende alternatieve overheidsmaatregel voorhanden was objectiever en neutraler te verrichten is dan een zuivere belangenafweging, die naar haar aard subjectiever en vager is.16
Aan economische belangen en de werkgelegenheid komt naar mijn oordeel tot slot geen betekenis toe bij de beantwoording van de vraag of concrete handelingen verricht moeten worden ter beëindiging van een bestaande aantasting van de door artikel 2evrm beschermde belangen. Die concrete handelingen bestaan in omgevingsgerelateerde situaties namelijk uit het verlenen van noodhulp bij levensbedreigende ziekte of verwonding. Het is mijns inziens niet aannemelijk dat het verlenen van dergelijke noodhulp botst met de economische belangen en/of de werkgelegenheid die met activiteiten in de omgeving gemoeid zijn. Als dat in uitzonderlijke gevallen wel zo zou zijn, ligt het bovendien, gezien het gewicht van het recht op leven, voor de hand dat die economische belangen en/of werkgelegenheid wijken gedurende de tijd die nodig is voor het verlenen van de noodhulp.