Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/V.5.2.4
V.5.2.4 Privaatrecht
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460215:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (concl. A-G Wesseling-van Gent), NJ 2015/21, m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2014/296, m.nt. Kroeze (Hezemans Air), r.o. 3.5.4 en 3.5.5.
HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (concl. A-G Wesseling-van Gent), NJ 2015/21, m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2014/296, m.nt. Kroeze (Hezemans Air), r.o. 3.5.2 en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015/22, m.nt. Van Schilfgaarde (RCI Financial Services), r.o. 4.2.
In par. IV.2.3 licht ik toe waarom de maatstaf rechtshistorisch gezien onzuiver is. Het ontbreken van een juridisch-dogmatische rechtvaardiging voor de toepassing van de maatstaf komt aan bod in onder meer par. IV.3.2-IV.3.3 en par. IV.3.5-IV.3.6.
Zie par. IV.2.5 en IV.2.7.
Waarover meer in par. IV.2.6, par. IV.3.6.5 en par. IV.4.4.2.
Over het toepassingsbereik van de ernstig verwijt-maatstaf, zie par. IV.2.8.
Zie par. IV.4.4.
De argumenten worden geïdentificeerd en geanalyseerd in par. IV.3.
De afweging vindt plaats in par. IV.4.
In bepaalde gevallen kan de onrechtmatige daad ook worden toegerekend krachtens de wet of verkeersopvatting. Zie par. IV.5.4.
Over het vereiste van schade en causaal verband voor het vestigen van milieuaansprakelijkheid, zie respectievelijk par. IV.5.7 en par. IV.5.6.
Zie par. IV.5.5 voor verdere toelichting op het relativiteitsvereiste.
Inditproefschriftrichtikmemetnameophetvestigenvandemilieuaansprakelijkheidvanleidinggevenden. Ik ga kort in op de omvangsfase in par. IV.2.2.3 onder het kopje ‘Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van 6:162 BW’.
Zie in algemene zin over de nalevingsplicht van bestuurders: De Roo 2018.
De ernstig verwijt-doctrine
In het privaatrecht is de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) de aangewezen grondslag voor een vordering tot schadevergoeding wegens een milieuovertreding. Echter wordt sinds enige tijd voor bestuurders van rechtspersonen afgeweken van de gewone vereisten van de onrechtmatige daad: volgens de heersende leer is een bestuurder (die handelt in hoedanigheid1) pas aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW als hem persoonlijk een ‘ernstig verwijt’ treft.2
In het privaatrechtelijke hoofdstuk beargumenteer ik dat voor de uitzonderingspositie van bestuurders een solide juridisch-dogmatische onderbouwing ontbreekt.3 Verder belicht ik een aantal mankementen van de ernstig verwijt-maatstaf: de maatstaf past niet goed in de systematiek van artikel 6:162 BW,4 de maatstaf is inhoudelijk vaag en veranderlijk,5 en ook het toepassingsbereik van de maatstaf mist aan scherpte.6 Daarnaast heb ik beargumenteerd dat het niet nodig is om voor bestuurders een afwijkend, restrictief aansprakelijkheidsregime toe te passen; de toepassing van de ‘gewone’ vereisten van artikel 6:162 BW zorgt reeds voor een beoordeling op maat, waarbij rekening kan worden gehouden met de omstandigheden van het geval en de positie van de leidinggevende.7
Het voorgaande roept de vraag op waarom de ernstig verwijt-maatstaf wordt toegepast bij de onrechtmatigedaadsaansprakelijkheid van bestuurders. Daarom heb ik in het privaatrechtelijke hoofdstuk ook de argumenten die worden aangevoerd ter rechtvaardiging van de ernstig verwijt-doctrine tegen het licht gehouden.8 Ik kom tot de conclusie dat de argumenten afzonderlijk noch in samenhang de toepassing van dit afwijkende, restrictieve aansprakelijkheidsregime voor bestuurders kunnen dragen.9 De uitwerking van die argumenten en de evaluatie daarvan zal ik hier niet herhalen, maar een deel ervan komt hierna in paragraaf V.6.3 wel aan bod.
Omdat de ernstig verwijt-maatstaf mijns inziens ongefundeerd, uiterst onpraktisch en bovendien onnodig is, pleit ik ervoor om deze maatstaf buiten toepassing te laten en voor bestuurdersaansprakelijkheid terug te keren naar de ongeclausuleerde vereisten van artikel 6:162 BW. Hierna licht ik nader toe waarom (ook) voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden niet hoeft te worden afgeweken van de gewone regels van de onrechtmatige daad.
De aansprakelijkheidsdrempel van de ‘gewone onrechtmatige daad’
De ‘gewone onrechtmatige daad’ zorgt voor een passende aansprakelijkheidsdrempel, omdat de vereisten van artikel 6:162 BW voor leidinggevenden ook in milieukwesties een beoordeling op maat kunnen bieden. Dat komt in de eerste plaats door de wijze waarop wordt beoordeeld of de leidinggevende onrechtmatig heeft gehandeld. Voor ieder type milieubelastende activiteit bestaat een bijbehorende norm. Daardoor wordt bijvoorbeeld van de eigenaar van een sportcomplex op milieugebied minder verwacht dan van een HSE-medewerker bij een BRZO-bedrijf. De rechter heeft bij het vellen van het onrechtmatigheidsoordeel bovendien ruimte om rekening te houden met de omstandigheden van het geval. De goede trouw van de leidinggevende kan bovendien in de weg staan aan de onrechtmatigheid van zijn handelen of nalaten, bijvoorbeeld doordat een milieuovertreding van een ondergeschikte niet aan hem kan worden toegerekend omdat hij de zorg heeft betracht die in redelijkheid van hem kon worden gevergd om die overtreding te voorkomen.
Zelfs als de leidinggevende een fout maakt en in strijd handelt met een milieunorm, dan staat nog niet vast dat hij aansprakelijk is voor de resulterende milieuschade. In de vereisten die gelden voor een schadevergoeding wegens onrechtmatige daad zitten nog meer waarborgen ingebouwd tegen excessieve aansprakelijkheid. Zo kan alleen een schadevergoeding van de leidinggevende worden gevorderd wanneer de milieuovertreding persoonlijk aan die leidinggevende kan worden toegerekend. Daarvoor is in beginsel schuld vereist.10 Daarnaast moet de benadeelde in principe aantonen dat de milieuovertreding een noodzakelijke oorzaak is van zijn schade,11 en dat de schade zoals hij die heeft geleden valt onder het beschermingsbereik van de geschonden norm.12 Ten slotte is ook in de omvangsfase van de schadevergoedingsactie ruimte om – zo nodig – de aansprakelijkheid van haar scherpe randjes te ontdoen.13
Rechterlijk bevel
Ook hebben bonafide leidinggevenden mijns inziens niet te vrezen voor een rechterlijk bevel in milieukwesties. Voor de gebodsactie geldt dat de leidinggevende niet kan worden gedwongen tot meer dan waartoe hij reeds op grond van een rechtsplicht gehouden is, en de rechtsplicht kan alleen worden afgedwongen door personen jegens wie de verplichting bestaat. Hierbij kan van de leidinggevende niet het onmogelijke worden gevraagd: er bestaat immers geen rechtsplicht iets te bewerkstelligen dat buiten je macht ligt.
Bij een meerhoofdig bestuur kan een daartoe onbevoegde enkeling bijvoorbeeld niet worden opgedragen kostbare milieumaatregelen te treffen voor het beëindigen van een milieuovertreding. Hooguit zou ieder bestuurslid individueel kunnen worden bevolen om in te stemmen met de maatregelen die nodig zijn om de rechtmatige toestand te herstellen. De nalevingsplicht die rust op het bestuur als geheel is ook een rechtens afdwingbare verplichting.14
Ook krijgt de leidinggevende (voordat er dwangmiddelen aan het rechterlijk bevel te pas komen) de gelegenheid om zijn normschending te voorkomen of te beëindigen. Wanneer de leidinggevende binnen de begunstigingstermijn het bevel uitvoert, wordt een eventuele dwangsom niet verbeurd en zal de milieuaansprakelijkheid geen bijkomende economische gevolgen voor de leidinggevende hebben.
Dat laat onverlet dat het milieubevel zelf wél economische gevolgen kan hebben voor individuele bestuurders. Bijvoorbeeld: wanneer een directeur-grootaandeelhouder (‘DGA’) wordt bevolen om – conform de tot hem persoonlijk gerichte milieuvoorschriften15 – het gevaarlijke bedrijfsafval op een deugdelijke wijze op te slaan en te laten verwerken door een daartoe bevoegd gespecialiseerd afvalbedrijf, dan zal dit extra kosten voor de zaak opleveren. Dit kan vervolgens weer gevolgen hebben voor het inkomen of de winstuitkering van de DGA. Maar dat een DGA meer kosten maakt door (op aandringen van de rechter) de milieuvoorschriften na te leven dan wanneer hij de milieuovertreding op zijn beloop kan laten, is geen reden om de rechtsplicht te bagatelliseren of de DGA te ontzien bij het opleggen van het bevel.