Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/V.5.2.2
V.5.2.2 Strafrecht
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460322:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie https://bit.ly/3AcL5IV (laatst geraadpleegd op 1 april 2021).
Of, bij een geslaagd beroep op een strafuitsluitingsgrond, tot ontslag van alle rechtsvervolging.
Hiermee verwijs ik naar de ondergrens van het aanvaardingsvereiste zoals is neergelegd in het Drijfmestarrest. Zie hieromtrent par. II.3.4.5 onder het kopje ‘Aanvaarding’.
Zie over de vereisten voor medeplegen par. II.5.3.2.
Over dit vereiste, zie par. II.5.4.4 onder het kopje ‘4) Bewuste aanvaarding’.
Het opzetvereiste van medeplichtigheid komt aan bod in par. II.5.3.3.
Zie o.a. A-G Vellinga in diens conclusie voor HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8789, NJ 2012/133, instemmend ontvangen door Kesteloo 2013, p. 102-104. Voor toelichting op dit standpunt met verdere verwijzingen van auteurs die dit hebben betoogd, zie Hornman 2016a, par. II.5.3. Cf. Doorenbos 2021, die betoogt dat het opzetvereiste voor feitelijk leidinggeven aan economische delicten juist strenger zou moeten zijn.
Zie par. 6 van het rapport van de Algemene Rekenkamer, Handhaven in het duister: De handhaving van milieucriminaliteit en -overtredingen, deel 2, 30 juni 2021, te raadplegen op https://www.rekenkamer.nl/publicaties/rapporten/2021/06/30/handhaven-in-het-duister.
Rapport Algemene Rekenkamer 2021, p. 47.
Zie par. II.7.2.
Het strafrecht beschikt over uitgekristalliseerde en doordachte leerstukken voor de aansprakelijkheid van leidinggevenden. Zoals ik de leerstukken begrijp hoeft een leidinggevende die te goeder trouw handelt niet bang te zijn voor strafrechtelijke aansprakelijkheid. In theorie leidt goede trouw1 bij elke bestudeerde daderschapsvorm tot vrijspraak.2 Goede trouw impliceert immers dat ‘de zorg is betracht die in redelijkheid kan worden gevergd van de leidinggevende met het oog op de voorkoming van de gedraging’3 (waardoor er geen sprake is van functioneel plegen); dan wel dat er geen sprake is van een ‘bijdrage van voldoende gewicht’4 aan het strafbare feit (waardoor een leidinggevende niet kan worden aangesproken als medepleger); dan wel dat ‘de aanmerkelijke kans op een verboden gedraging niet bewust is aanvaard’5 (waardoor ook de vereisten voor feitelijk leidinggeven niet worden vervuld); dan wel dat het opzet op het bevorderen van het strafbare feit ontbreekt6 (waardoor zelfs medeplichtigheid afvalt). Naast dit alles kunnen strafuitsluitingsgronden zoals ‘afwezigheid van alle schuld’ voorkomen dat leidinggevenden buiten hun schuld om kunnen worden gestraft voor een milieuovertreding in bedrijfscontext, en ook op bestanddeelniveau geldt dat voor milieumisdrijven in beginsel minimaal voorwaardelijk opzet is vereist.
Met andere woorden, de strafrechtelijke aansprakelijkheidsvereisten zijn zo ingericht dat een leidinggevende alleen aansprakelijk kan worden gesteld voor een bedrijfsmatige milieuovertreding wanneer hem persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt. Voor zover de ondergrens voor strafrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevenden al ter discussie staat, gaat de discussie in strafrechtelijke kringen vooral over de vraag of de aansprakelijkheidsdrempel niet lager zou moeten zijn dan hij nu is. Er zijn namelijk auteurs die betogen dat de vereisten die gelden voor feitelijk leidinggeven te streng zijn, waardoor ten onrechte ‘slecht leidinggeven’ of ‘culpoos feitelijk leidinggeven’ onbestraft kan blijven.7
Ook de toepassing van de strafrechtelijke aansprakelijkheidsvereisten in de praktijk geeft mijns inziens geen aanleiding voor ongerustheid onder leidinggevenden. In de zaken waarin een leidinggevende werd veroordeeld voor een milieudelict, gaven de geschetste feiten geen aanleiding om eraan te twijfelen dat er kwade trouw in het spel was. Zelfs leidinggevenden die ogenschijnlijk ernstig verwijtbaar hebben gehandeld, werden soms toch vrijgesproken omdat bij hen niet het benodigde opzet kon worden aangetoond, of omdat de mate van betrokkenheid of invloed van de leidinggevende toch niet voldoende gewicht had voor daderschap. Verder heb ik op basis van de bestudeerde jurisprudentie de indruk dat het OM leidinggevenden niet vervolgt voor lichte verwijten of voor kleine fouten. Uit een recent rapport van de Algemene Rekenkamer volgt bovendien dat maar een klein aandeel van alle bedrijfsmatige milieuovertredingen strafrechtelijk wordt vervolgd.8 Bij veruit de meeste geconstateerde milieuovertredingen wordt volstaan met interventies zoals een waarschuwing en/of een hercontrole.9
Het voorgaande levert het beeld op dat leidinggevenden nog steeds fouten kunnen maken zonder dat dit meteen strafbaar is, en dat voldoende voorzorg in principe leidt tot vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging.10