Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/V.5.2.3
V.5.2.3 Bestuursrecht
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460323:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een ander probleem dat ik in het bestuursrechtelijke hoofdstuk heb geconstateerd, maar in de context van deze conclusie verder buiten beschouwing zal laten, is dat in het strafrecht normadressaatschap soms wordt vereenzelvigd met overtrederschap. Daardoor kan in het bestuursrecht iemand die niet alle aansprakelijkheidsvoorwaarden vervult en ook niet op verboden wijze betrokken is geweest bij het begaan van de overtreding toch worden gesanctioneerd als overtreder. Zie hieromtrent par. III.6.6.5 en III.8.2.
Dezekanttekeningplaatsikbijhetpre-VierdetranchearrestABRvS3juli2002,ECLI:NL:RVS:2002:AE4856, AB 2002/311, m.nt. Van Hall (Baggerwerkzaamheden in de Vecht), en dit bezwaar gaat bijvoorbeeld ook op bij de bluswaterjurisprudentie, waarover meer in par. III.6.3.3.
Dit licht ik nader toe in par. III.7.2.
Omdat voor de invulling van het bestuursrechtelijke overtredersbegrip sinds de Vierde tranche Awb aansluiting is gezocht bij de strafrechtelijke daderschapsvormen, zou de bestuursrechtelijke aansprakelijkheidsdrempel in theorie een vergelijkbare hoogte moeten hebben als die in het strafrecht. Echter doet de bestudeerde jurisprudentie vermoeden dat de beoogde aansluiting nog niet (volledig) is gerealiseerd.1 De Afdeling lijkt namelijk vast te houden aan haar eigen toerekeningsformule voor functioneel plegerschap. Deze toerekeningsformule is weinig richtinggevend en zeer ruim. In de jurisprudentie zijn voorbeelden te vinden waarin het zelfs mogelijk was om een verboden gedraging toe te rekenen aan een persoon die de gedraging niet heeft gewild en ook niet kon voorkomen.2 Daarnaast lijkt de Afdeling bij de deelnemingsfiguur feitelijk leidinggeven de nadruk te leggen op de formele hoedanigheid van de leidinggevende in plaats van op zijn feitelijke zeggenschap en betrokkenheid van diegene bij de verboden gedraging. Daardoor bestaat het risico dat in het bestuursrecht bij feitelijk leidinggevers de materiële verantwoordelijkheid voor een milieuovertreding uit het oog wordt verloren.
De invulling die de Afdeling geeft aan het bestuursrechtelijke overtredersbegrip levert mijns inziens een onacceptabel groot aansprakelijkheidsrisico op voor leidinggevenden. Dit is echter een algemeen probleem: ook andere (rechts)personen dan leidinggevenden lopen hierdoor het risico onterecht te worden gesanctioneerd voor de verboden gedraging van een ander. Het lijkt me daarom niet de juiste weg om bij wijze van uitzondering leidinggevenden aanvullend te beschermen tegen aansprakelijkheid. Het probleem kan beter bij de wortels worden aangepakt, en de oplossing is simpel: door de beoogde aansluiting bij de strafrechtelijke leerstukken alsnog te realiseren krijgt ook de bestuursrechtelijke aansprakelijkheidsdrempel een passende hoogte.3