Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/4.2.13
4.2.13 Ongerechtvaardigde verrijking
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS298218:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 september 2008, LJN:BD4745, (Verrijkte vrouw) waarin de Hoge Raad overwoog dat van een ongerechtvaardigde verrijking ook sprake kan zijn indien en voor zover de uitgave ten behoeve van een verbouwing, ook al heeft die verbouwing op zichzelf niet tot een waardestijging van het pand geleid, voor rekening van de partij zijn gekomen die een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking instelt en de wederpartij zich die uitgave aldus heeft bespaard.
Het beginsel dat ongerechtvaardigde verrijkingen ongedaan gemaakt dienen te worden, zonder dat men noodzakelijkerwijs denkt aan een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW), speelt, in de context van afgebroken onderhandelingen, een belangrijke rol in de beschouwingen van Nieuwenhuis (Nieuwenhuis 1988, p. 113).
Vgl. Hof Leeuwarden 30 mei 2001, NJ 2001, 678, waarin sprake was van een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking, ingesteld door de Staat die een aan een ander toebehorend perceel grond had gesaneerd en stelde dat de eigenaar — kort gezegd — met de omvang van de saneringskosten was verrijkt. De eigenaar had het desbetreffende perceel voor de sanering echter gekocht voor een bedrag dat hoger was dan de getaxeerde waarde van het perceel na de sanering. Het hof oordeelde dat, nu de eigenaar het perceel had aangekocht voor een hoger bedrag dan de getaxeerde prijs na sanering, hij niet verrijk was in de zin van art. 6:212 BW. Door betaling van een koopprijs die uitsteeg boven de taxatiewaarde, was de verrijking verminderd dan wel teniet gedaan.
Een vordering in verband met ongerechtvaardigde verrijking ex art. 6:212 BW zal veelal stranden op het niet genoegzaam kunnen aantonen van een verrijking van de onderhandelingspartner. Weliswaar bevat het begrip "verrijking" zowel behaald voordeel als afgewend nadeel en is deze term nog verruimd in het arrest van de Hoge Raad van 5 september 20081, desalniettemin zal het in de praktijk doorgaans lastig zijn om aan te tonen dat de wederpartij van de afbrekende partij fiberhaupt op enigerlei wijze gebaat is geweest bij hetgeen de onderhandelingspartner heeft gepresteerd. Art. 6:212 BW spreekt echter ook over een ongerechtvaardigde verrijking ten koste van een ander, ofwel: tegenover een verrijking dient een verarming te staan en de vraag rijst of daar in alle gevallen in de hier bedoelde situatie aan zal zijn voldaan.2 Ik geef drie voorbeelden waarin de hier bedoelde problematiek naar voren komt. Allereerst de situatie waarin een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking uitkomst kan bieden. Stel dat de gemeente Valburg aannemer Plas verzocht had om, terwijl de fase in het onderhandelingsproces waarin het eenzijdig afbreken van de onderhandelingen niet meer vrij stond, nog niet was ingetreden, de plannen voor het te bouwen zwembad aan te passen in dier voege dat niet langer van een rechthoekig zwembad, maar van een ovaal zwembad moest worden uitgegaan en aannemer Plas uiteindelijk de bouw niet zou worden gegund. Wanneer een andere aannemer uiteindelijk de opdracht krijgt om een ovaal zwembad te bouwen, bespaart de gemeente kosten omdat de berekeningen en tekeningen voor de bouw van een ovaal zwembad door de nieuwe aannemer niet meer hoeven te worden gemaakt. Aannemer Plas daarentegen lijdt schade omdat hij geen gelegenheid krijgt om de kosten die hij voor het aangepaste ontwerp heeft moeten maken, terug te verdienen, terwijl het gewijzigde ontwerp voor hem verder waardeloos is. Hier heeft een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking m i kans van slagen.
Een probleem doet zich voor in de situatie dat de gemeente besluit uiteindelijk een ruitvormig zwembad te laten bouwen. Kan men nu zeggen dat de gemeente, nu de berekeningen en tekeningen voor een ovaal zwembad ook voor de gemeente waardeloos zijn, verrijkt is? Dit lijkt niet zonder meer het geval. Weliswaar heeft als verrijking in het algemeen te gelden iedere toename van het vermogen van de verrijkte, waarbij in beginsel gekeken moet worden naar de waarde van de prestatie ten tijde van de ontvangst, maar in casu heeft de prestatie voor de gemeente geen enkele toegevoegde waarde gehad.3 Een soortgelijk probleem doet zich voor in de situatie dat aannemer Plas nog een (eerder) ontwerp voor een ovaal zwembad in de kast had liggen en dus geen extra kosten heeft moeten maken om dit aan de gemeente te presenteren, terwijl het aanleveren van plannen voor een ovaal zwembad (naar objectieve maatstaven) wel duidelijk uitstijgt boven de normale acquisitieve inspanningen. Een soortgelijk probleem doet zich voor in de situatie dat aannemer Plas nog een (eerder) ontwerp voor een ovaal zwembad in de kast had liggen en dus geen extra kosten heeft moeten maken om dit aan de gemeente te presenteren, terwijl het aanleveren van plannen voor een ovaal zwembad wel duidelijk uitstijgt boven de normale acquisitieve inspanningen. In laatstbedoelde situatie kan men zich afvragen of tegenover de verrijking door de gemeente (aangenomen dat het gewijzigde ontwerp voor de gemeente nut heeft gehad) een verarming van aannemer Plas staat. Dit is in de geschetste situatie naar mijn oordeel niet het geval.