Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/4.2.10:4.2.10 De omvang van de schadevergoedingsverplichting bij onrechtmatige daad als grondslag
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/4.2.10
4.2.10 De omvang van de schadevergoedingsverplichting bij onrechtmatige daad als grondslag
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS298209:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
MvA 11, Parl. Gesch. 6, p. 451.
IIR 28 mei 1999, NJ 1999, 510.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aanvaardt men onrechtmatige daad als grondslag voor vergoeding van kosten, dan rijst de vraag hoe daarmee in overeenstemming valt te brengen dat slechts een recht zou (moeten) bestaan op vergoeding van de kosten die uitstijgen boven hetgeen in normaal acquisitief opzicht naar verkeersopvattingen mochten worden verwacht (van de extra gemaakte kosten dus). Wie een onrechtmatige daad pleegt, ziet zich immers in beginsel geconfronteerd met een verplichting tot volledige schadevergoeding. Dat volgt uit de toepasselijkheid van afdeling 10 van titel 1 van Boek 6 BW, handelend over schadevergoeding. Dat leidt er dan weer toe dat als vermogensschade — ingeval van een op onrechtmatige daad gestoelde vordering tot vergoeding van onderhandelingskosten — de partij die de kosten heeft gemaakt in beginsel in de positie moet worden gebracht waarin hij zou zijn komen te verkeren indien de onderhandelingen niet zouden hebben plaatsgevonden. En dat betekent dan vergoeding van het volledige negatief contractsbelang, waaronder mede begrepen de kosten die naar verkeersopvattingen als acquisitieve kosten voor eigen rekening zouden dienen te blijven (art. 6:95 juncto 6:96 BW).
Wil men daaraan ontkomen (en dat heeft, zoals hiervoor uitgewerkt, mijn voorkeur; naar analogie met de rechtmatige overheidsdaad meen ik immers dat de in acquisitief opzicht naar verkeersopvatting te maken "aanloopkosten" voor eigen rekening dienen te blijven) dan biedt de wet daartoe voldoende mogelijkheden. Ik denk dan bijv., zoals in hfdst. 9 nog nader aan de orde zal komen, bijvoorbeeld aan toepassing van art. 6:98, welk artikel bepaalt dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt de schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Indien wij kijken naar in het kader van dit artikel van belang zijnde criteria als de aard van de overtreden norm (in casu de schending van een algemene betamelijkheidsnorm), de aard van de schade (in casu geleden verlies) en, meer in het bijzonder, de woorden "in zodanig verband" in art. 6:98 BW, dan zou de rechter m.i. moeten kunnen concluderen dat slechts de kosten die uitstijgen boven hetgeen in acquisitief opzicht naar verkeersopvattingen aan kosten voor eigen rekening genomen dienen te worden, moeten worden gezien als schade die "in verband staat" met de gepleegde onrechtmatige daad.
Verder kan gedacht worden aan toepassing van art. 6:101 BW, welk artikel handelt over eigen schuld bij het ontstaan van de schade. Hiervoor bracht ik al tot uitdrukking dat m.i. tot uitgangspunt genomen zou moeten worden dat wie onderhandelingen begint, daarmee ook in zekere zin het risico neemt dat de kosten die hij in dat kader moet maken (en die als het ware inherent zijn aan het voeren van de betreffende onderhandelingen), niet zullen kunnen worden terugverdiend indien de onderhandelingen uiteindelijk niet succesvol zullen blijken te zijn. Dat betekent dan m.i. dat in een dergelijke situatie de schade (alsdan bestaande uit de kosten die in acquisitief opzicht naar verkeersopvatting voor eigen rekening dienen te komen) mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, zodat de vergoedingsplicht met die schade dient te worden verminderd. Anders gezegd: het causale verband tussen de laakbare handelwijze (eruit bestaande dat wordt toegestaan of zelfs bevorderd dat — kort gezegd additionele kosten gemaakt worden in de wetenschap dat geen reëel uitzicht meer bestaat op het verwerven van de overeenkomst) en de schade die bestaat uit de kosten die naar verkeersopvattingen voor eigen rekening genomen dienen te worden, ontbreekt.
Tot slot kan gedacht worden aan de algemene matigingsbevoegdheid die de rechter op grond van art. 6:109 BW heeft. Het artikel bepaalt dat indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding kan matigen. Het betreft hier een algemeen matigingsrecht en geeft de rechter een discretionaire bevoegdheid om af te zien van de toekenning van volledige schadevergoeding.1 Wel geldt als criterium dat de toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden zou leiden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen (billijkheidscorrectie). Daarbij dient een afweging plaats te vinden van de belangen en alle overige omstandigheden die aan de zijde van beide partijen bestaan2 Naar ik meen bevat ook dit artikel voor de rechter alle mogelijkheden om een eventueel toegekende schadevergoeding, uitgaande van het negatief contractsbelang in een geval van kostenvergoeding bij gelegitimeerd afgebroken onderhandelingen, toe te kennen tot het bedrag dat naar verkeersopvattingen voor eigen rekening die te blijven, of, anders gezegd, te matigen voor wat betreft die voor eigen rekening komende kosten.