Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.6.2.6.3
17.6.2.6.3 Staat moet bestaan en beschikbaarheid materiaal aannemelijk maken
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498427:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 5.3.3 hiervoor.
Zie § 17.6.2.2 hiervoor.
Een interessante vraag is nog wel of de betrokkene nemo tenetur-bescherming heeft als hij (ten onrechte) in de veronderstelling verkeert dat een speculatieve vordering een verplichtend karakter heeft. Voor een bevestigend antwoord pleit dat de notie van dwang in Straatsburg een ‘substantive’ karakter heeft en niet alleen wordt opgeroepen door een met sancties bedreigde wettelijke meewerkplicht (zie § 9.3 e.v. hiervoor). Dit los van de (overige) omstandigheden respectievelijk de stelplicht en de bewijslast van de betrokkene die zich op het niet-meewerkrecht (als bewijsuitsluitingsgrond) beroept.
Dit sluit niet uit dat de bescheiden op andere gronden dan hun wilsafhankelijke aard van het (punitief) bewijs moeten worden uitgesloten (vgl. § 5.2 hiervoor betreffende strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs).
De kortgedingrechter zou dan immers bij een toereikend verweer en het ontbreken van omstandigheden die pas na het kort geding blijken (zie § 17.6.2.6.2 hiervoor) duidelijkheid verschaffen over de aard van de bescheiden, in die zin, dat als hij een vordering om bescheiden te verstrekken toewijsbaar acht, die bescheiden kennelijk wilsonafhankelijk zijn (en andersom).
HR 24 april 2015, NJ 2015/265 (m.nt. Zwemmer), pt. 2.
Zie § 7.3.4.2 hiervoor. Voor wat betreft het tweede kritiekpunt van Zwemmer, dat het arrest geen uitsluitsel geeft over de vraag of de opvatting van de HR zich ook uitstrekt tot de overige onderdelen van het door de Staat gevorderde (naast bankbescheiden ook inlichtingen), lijkt hij eraan voorbij te gaan dat de raad onder wilsafhankelijk materiaal kennelijk zowel verklaringen als bescheiden begrijpt (zie § 17.6.2.6.1 hiervoor).
Dit is anders in de (door mij zo genoemde) ruime lezing van de Straatsburgse rechtspraak betreffende het niet-meewerkrecht Zie daarover § 7.3.4.3 hiervoor.
Rb. Den Haag 11 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:6555. Deze uitspraak is een vervolg op het arrest van de civiele kamer van de HR van 12 juli 2013,BNB 2014/101 (m.nt. Van Eijsden); NJ 2013, 435 (m.nt. Zwemmer).
R.o. 4.8. Mij dunkt dat hetzelfde geldt voor de inspecteur of het OM als de vraag naar het wilsafhankelijke karakter van het materiaal (opnieuw) aan de orde komt in de fiscale boete- en strafprocedure.
Ten opzichte van eerdere arresten van de HR verschaft de civiele kamer in het onderhavige arrest uitdrukkelijk(er) inzicht in het onderscheid tussen wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk materiaal.In r.o. 3.7.3 overweegt zij dat het onderscheid tussen wilsafhankelijk materiaal en wilsonafhankelijk materiaal geen rol speelt voor zover het materiaal wordt gevorderd voor de belastingheffing. De omstandigheid dat art. 47 AWR een ieder verplicht om de inspecteur ‘de gegevens en inlichtingen te verstrekken die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn’ brengt echter nog niet mee dat de Staat in een civielrechtelijk kort geding tegen de betrokkene op straffe van verbeurte van dwangsommen aanspraak kan maken op die gegevens en inlichtingen in gevallen waarin de Staat onvoldoende aanknopingspunten verschaft om aannemelijk te achten dat de betrokkene die gegevens en inlichtingen daadwerkelijk kan verstrekken. Vorderingen tot het verstrekken van dergelijke gegevens en inlichtingen zijn niet toewijsbaar, aldus de civiele kamer, voor zover zij onvoldoende zijn onderbouwd of een zogenoemde ‘fishing expedition’ inhouden. Dat is niet anders indien die vorderingen alleen voor heffingsdoeleinden zijn ingesteld. De Staat zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.
In r.o. 3.8.2 van het arrest overweegt de civiele kamer nog dat de kwalificatie van materiaal als ‘wilsonafhankelijk’ dan wel ‘wilsafhankelijk’ – welk onderscheid samenhangt met het zwijgrecht – is verbonden aan de aard van het materiaal, dat wil zeggen of het in fysieke zin onafhankelijk van de wil van de betrokkene ‘bestaat’. Het hof Amsterdam heeft ten onrechte de wils(on)afhankelijkheid van de gevorderde bescheiden gekoppeld aan het antwoord op de vraag of die bescheiden zonder medewerking van de betrokkene kunnen worden verkregen. Deze verbinding maakt het onderscheid dat is gemaakt in het arrest van 12 juli 2013, nr. 12/01880, en in het arrest Saunders zinledig, aangezien het afgeven van bescheiden op grond van een veroordeling in kort geding nimmer zonder medewerking van de betrokkene kan plaatsvinden, aldus de civiele kamer.
HR zoekt aansluiting bij het toepassingsbereik van art. 47 AWR; ‘fishing expeditions’
Uit voorafgaande arresten van de belastingkamer van de HR kan al wel worden afgeleid dat de raad onder wilsafhankelijk materiaal niet bescheiden begrijpt, waarvan de inspecteur het bestaan (redelijkerwijs) mag aannemen.1 Zo overweegt de belastingkamer in het arrest van 21 maart 2008, nr. 43 050, dat de inspecteur het bestaan van de van de belanghebbende gevraagde stukken mocht aannemen.2 Zie eerder ook het arrest van 27 juni 2001, nr. 35 889, waarin de belastingkamer in het kader van het gebruik van de door de inspecteur gevraagde bescheiden erop wijst dat uit de uitspraak van het hof ’s-Hertogenbosch en de stukken van het geding niet blijkt dat de belanghebbende in die zaak het bestaan ervan had ontkend.3
Ten opzichte van eerdere arresten is een nieuw element dat de civiele kamer voor het ‘bestaan’ van het materiaal in r.o. 3.7.3 aansluiting lijkt te zoeken bij het toepassingsbereik van art. 47 AWR. Wil een vordering op grond van art. 47 AWR een verplichtend karakter hebben, dan moet de Staat, ter voorkoming van een ‘fishing expedition’, aannemelijk maken dat het gevraagde materiaal bestaat en ook dat de meewerkplichtige daadwerkelijk in staat is om dat materiaal te verstrekken. Dit vereist naar mijn oordeel een vordering die voldoende onderbouwd/gemotiveerd en concreet/gespecificeerd is.4 Als de Staat hierin slaagt, dan betreft het gevorderde kennelijk materiaal dat onafhankelijk van de wil van de betrokkene bestaat. De stap naar de beschikbaarheid ervan voor de verdachte is dan al snel gemaakt.5
Wanneer deze lezing van r.o. 3.7.3 en 3.8.2 juist is, dan speelt de wilsproblematiek in Nederlandse punitieve belastingzaken mijns inziens alleen bij – kort gezegd – speculatieve vorderingen die (om die reden) buiten het toepassingsbereik van art. 47 AWR vallen (en dus geen verplichtend karakter hebben).6 Omgekeerd geldt dan dat bevoegdelijk gedane vorderingen van de Staat om bescheiden te verstrekken, geen wilsafhankelijk materiaal betreffen (en dus voor het punitief bewijs mogen worden gebruikt). Bezien in samenhang zou het niet-meewerkrecht in punitieve belastingzaken dan inhoudsloos zijn, in die zin, dat de betrokkene, uitgaande van een bevoegdelijk gedane informatievordering, moet meewerken en niet wordt toegekomen aan bewijsuitsluiting van wilsafhankelijke bescheiden.7 Bovendien zou een restrictie omtrent bewijsgebruik op het moment dat het van de verdachte in een kortgedingprocedure wordt afgedwongen, onder omstandigheden overbodig zijn.8
Ik deel niet de kritiek die Zwemmer uit in zijn noot onder het arrest van 24 april 2015, nrs. 14/02416 en 14/02686 (welk arrest nauw verwant is met het onderhavige arrest met nr. 14/02414), namelijk dat de HR daarin niet ingaat op de op het arrest Saunders gevolgde jurisprudentie, maar volstaat met een verwijzing naar dat arrest (dat als zodanig geen betrekking had op opgevraagde bankgegevens) en zijn eigen arrest van 12 juli 2013, nr. 12/01880.9 De civiele kamer houdt mijns inziens wel degelijk rekening met die jurisprudentie, maar zij kiest ervoor om bij de uitleg en toepassing ervan (of meer precies: de invulling van het onderscheid tussen wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk materiaal) aansluiting te zoeken bij de reikwijdte van art. 47 AWR c.q. speculatieve informatievorderingen die daarbuiten vallen. Mij dunkt dat deze opvatting voldoende strookt met de door Zwemmer genoemde zaken J.B., Chambaz en Choudhary. Althans, in de ruim aanvaarde lezing dat het bestaan c.q. de beschikbaarheid van de gevorderde bescheiden beslissend criterium is voor het al dan niet wilsafhankelijke karakter daarvan.10 Het arrest wekt bij mij dan ook niet de indruk dat de HR de waarborgen van art. 6 EVRM enger interpreteert dan het EHRM doet.11
Aannemelijk maken bestaan en beschikbaarheid materiaal; Rb. Den Haag 11 juni 2015, nr. C-09-461778-HA ZA 14-322
Ook als er wel (enig) licht zou zitten tussen vangnetexpedities en onbevoegdelijk handelen als voormeld, dan blijft staan dat ‘het verschaffen van aanknopingspunten om aannemelijk te achten dat de betrokkene de gevorderde gegevens en inlichtingen daadwerkelijk kan verstrekken’ (zie hiervoor), een lichte bewijslast voor de Staat betekent. Gelet op het zeer ruime toepassingsbereik van art. 47 AWR zal slechts in uitzonderingsgevallen sprake zijn van inzagevorderingen die daarbuiten vallen. Ik wijs in dit verband op de uitspraak van de civiele kamer van de rechtbank Den Haag van 11 juni 2015, nr. C-09-461778-HA ZA 14-322, betreffende een executiegeschil over de tenuitvoerlegging van een op art. 47 en 49 AWR gebaseerd bevel van de voorzieningen- ofwel kortgedingrechter.12 Daarin stelt de belastingplichtige, die volgens de inspecteur onder meer betrokken is (geweest) bij een Liechtensteinse stichting, dat hij heeft voldaan aan de bevelen van de voorzieningenrechter om (onder last van een dwangsom) de gevraagde informatie te verstrekken, of althans dat de Staat niet is geslaagd in de op hem rustende stelplicht en bewijslast dat hij daadwerkelijk het van hem verlangde, maar niet door hem afgestane, materiaal kon verschaffen.
Ter zake overweegt de rechtbank dat, anders dan de belastingplichtige kennelijk veronderstelt, niet van de Staat wordt verlangd dat hij – in de woorden van de belastingplichtige – ‘concreet bewijs’ levert en ‘niet kan volstaan met verwijzingen naar algemene noties over Liechtensteinse stichtingen, zonder deze te baseren op concreet en op de zaak betrekking hebben bewijs.’ Voor de Staat geldt de reguliere civielrechtelijke stelplicht, aldus de rechtbank, die inhoudt dat de Staat de door hem te bewijzen feiten voldoende concreet moet stellen. Wel volgt uit het arrest van 12 juli 2013, nr. 12/01880, dat in geval van betwisting van de stellingen van de Staat, op de Staat een afwijkende bewijslast rust, in de zin dat het door hem te leveren bewijs er niet, zoals veelal vereist in het civielrechtelijke bewijsrecht, toe behoeft te leiden dat zijn stellingen komen vast te staan, maar dat deze aannemelijk moeten zijn geworden.13