Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/13.3.4.1:13.3.4.1 Inleiding
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/13.3.4.1
13.3.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491731:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel 7.5.2 voor een korte inleidende typering van art. 28c Wet VPB 1969. In onderdeel 8.3.2.7 zijn de hierna opgesomde fiscale implicaties uitgebreider onderzocht. De daaropvolgende analyses zijn gedeeltelijk ontleend aan en/of geïnspireerd op Van der Burgt, WFR 2017/162, onderdeel 4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Heeft de belastingplichtige in de periode vóór de splitsing een compartimenteringsreserve gevormd in verband met het belang in de splitsende rechtspersoon, dan heeft de splitsing op grond van art. 28c, lid 4, tweede volzin en onderdeel a, Wet VPB 1969 als hoofdregel de volgende fiscale implicaties:1
Bij een zuivere splitsing valt een belaste compartimenteringsreserve geheel belast vrij. Een onbelaste compartimenteringsreserve wordt onbelast opgeheven.
Bij een afsplitsing is de belaste respectievelijk onbelaste vrijval van een compartimenteringsreserve slechts voor een evenredig gedeelte aan de orde, namelijk voor zover de reserve betrekking heeft op het afgesplitste deel van het vermogen. Een moeder-dochterafsplitsing heeft geen gevolgen voor een compartimenteringsreserve.