Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.5.2.3
5.5.2.3 De subsidiariteit naar Duits recht
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS401856:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor deze Amtspflichtverletzung' ook par. 4.633 onder b).
Zie Feyock, Jacobsen & Lemor, 2. Teil — Pflichtversicherung, § 12 PflVG, Bemerkung 90 onder a), verwijzend naar LG Hamburg VersR 1977, 581 f en 674).
LG Hamm, VersR 1987, 456.
LG Darmstadt VersR 1980, 365.
Feyock, Jacobsen & Lemor, 2. Teil - Pflichtversicherung, PflVG § 12, Bemerkung 94. Ter vermijding van misverstanden zij erop gewezen dat deze beperkingen in de uitkering van smartengeld alleen toepassing vinden als het aansprakelijke voertuig niet kan worden geïdentificeerd. In alle andere gevallen keert het waarborgfonds in Duitsland smartengeld uit zoals ook een verzekeraar dat zou doen.
Ook het Duitse waarborgfonds is in belangrijke mate subsidiair. Zie § 12, Absatz 1 PflVG.
Het waarborgfonds kan - kort gezegd - worden aangesproken als (a) het aansprakelijke voertuig niet kan worden geïdentificeerd, dan wel (b) met gebruikmaking van art. 5 lid 2 in de lidstaat waar het gewoonlijk is gestald van de verzekeringsplicht is vrijgesteld, dan wel c) onverzekerd blijkt te zijn, dan wel als (d) de aansprakelijke de schade opzettelijk en wederrechtelijk heeft veroorzaakt en ten slotte als (e) de verzekeraar in staat van insolventie verkeert. Het waarborgfonds is in de gevallen bedoeld onder (a), (c) en (d) niet tot uitkeren verplicht als de benadeelde zijn schade vergoed kan krijgen van de houder, eigenaar of bestuurder van het voertuig, noch, in het geval van de niet-geïdentificeerde aansprakelijke, als hij zijn schade vergoed kan krijgen van een schadeverzekeraar of van het groene-kaartbureau. Evenmin heeft hij toegang tot het waarborgfonds als de overheid tot schadevergoeding verplicht is wegens Amtspflichtverletzung' (omdat de kentekenplaten ten onrechte niet zijn ingenomen of omdat het bezoekende buitenlandse voertuig ten onrechte aan de grens niet op de geldige groene kaart is gecontroleerd).1
Op grond van Absatz 2 van § 12PflVG is in het geval van een door een onbekend gebleven motorrijtuig veroorzaakt ongeval een eigen risico van € 500 van toepassing op de vergoeding door het waarborgfonds van zaakschade waarvoor de benadeelde geen vergoeding uit andere bron kan verkrijgen, terwijl in dat geval schade aan voertuigen alleen wordt vergoed voor zover zij gepaard gaat met dood van een persoon of de aanzienlijke aantasting van lijf of gezondheid van de voertuigbezitter of een inzittende. Schade aan motorrijtuigen die niet gepaard gaat met dood of aanzienlijk letsel als hier bedoeld wordt in het geheel niet vergoed. Zie verder paragraaf 5.5.5.
De vraag of het de nationale wetgever is toegestaan het waarborgfonds ook in die zin 'subsidiair' te maken doordat de vergoedingen die het verstrekt beperkter of lager zijn dan waartoe een verzekeraar verplicht zou zijn is onderzocht in paragraaf 5.5.2.1 en daar ontkennend beantwoord. Een voorbeeld daarvan biedt Duitsland, waar het waarborgfonds - anders dan de verzekeraar - niet gehouden is tot het vergoeden van zuivere vermogensschade. Zie § 12, Absatz 1, jo. § 1 PflVG. Ook kan het Duitse waarborgfonds, als het voertuig dat de schade veroorzaakte niet kan worden geïdentificeerd, slechts dan voor smartengeld worden aangesproken indien en voor zover:
"die Leistung einer Entschädigung wegen der besonderen Schwere der Verletzung zur Vermeidung einer groben Unbilligkeit eiforderlich ist"
Daarbij gaat het om zodanige schaden"
"die deutlich und drastisch über das hinausgehen, was bei täglichen Unfällen im Straβenverkehr auftritt"2
Het letsel moet duurzame en aanzienlijke lichamelijke beperkingen bij het slachtoffer meebrengen. Bagatelverwondingen worden dus niet in aanmerking genomen. Dat dat laatste begrip ruim wordt genomen toont de verwijzing bij Feyock, Jacobsen & Lemor naar een uitspraak van het LG Hamm, waar werd geoordeeld dat zelfs een beperking van de verdiencapaciteit van meer dan 20% niet toereikend was voor een smartengelduitkering door het waarborgfonds.3
Wat onder een grobe Unbilligkeit' moet worden verstaan blijft enigszins mistig. De uitleg die daaraan door het LG Darmstadt is gegeven biedt de Nederlandse lezer in elk geval niet veel houvast: als "die Nichtbezahlung des Schmerzensgeldes dem Gerechtigkeitsempfinden in unerträglicher Weise widersprechen würde" is van een dergelijke ‘grobe Unbilligkeit' sprake4 Het Duitse `Gerechtigkeitsempfinden' verschilt ongetwijfeld van het Nederlandse, zeker waar het de opvattingen betreft omtrent de bescherming die het waarborgfonds aan het verkeersslachtoffer te bieden heeft.
Ook het bedrag dat wordt uitgekeerd is lager dan wanneer een verzekeraar tot uitkering verplicht is. Uitkeringen uit het waarborgfonds hebben niet tot doel het slachtoffer genoegdoening te verschaffen, hetgeen (kennelijk) in Duitsland voor wat betreft smartengeld in het algemeen wel het geval is. In de rechtspraak is wel beslist dat een uitkering ter grootte van een derde van hetgeen gebruikelijk zou worden uitgekeerd, toereikend is5 In paragraaf 5.5.2.1 heb ik betoogd dat een dergelijke beperking in strijd is met de bedoelingen van de Richtlijn.