Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/3.5.4
3.5.4 Op de zaak betrekking hebbende stukken
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285422:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
In vergelijkbare zin: art. 5:49 Awb (voornemen opleggen boete), art. 7:4 Awb (bezwaarfase), art. 8:108 Awb (schakelbepaling hoger beroep) en art. 41, tweede lid, onderdeel b, Handvest EU. Hierop wordt verder niet separaat ingegaan. Vergelijk: Meyjes e.a. 1984, blz. 140 die opmerken dat “(…)de geheimhoudingsplicht niet zo behoeft te worden verstaan, dat het de inspecteur zou zijn verboden dergelijke gegevens, zo nodig, in een procedure te gebruiken”. Zie ook: Hoofdstuk 2, par. 6.1 waarin wordt ingegaan op art. 32 Wet VB 1892, art. 28 Wet op de BB 1893, art. 36, derde lid, Wet PB 1950 en art. 56, derde lid, SW 1956. Zie ook: Handboek Controle (2020), blz. 111 en blz. 197.
O.a.: Hof ’s-Hertogenbosch 7 januari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:7, r.o. 3.20-3.24, Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 juli 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:4460, NTFR 2017/2270, r.o. 4.6 en 4.7 en Hof ’s-Hertogenbosch (geheimhoudingskamer) 12 juli 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2457, r.o. 3.22. Vergelijk: conclusie van A-G L.F. van Kalmthout van 30 november 2000, ECLI:NL:PHR:2001:AB0992, par. 6.6 t/m par. 6.10 (behorende bij HR 11 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0992, BNB 2001/258) waarbij een inspecteur met een beroep op art. 67 AWR weigerde de beschikbare gegevens te verstrekken die belanghebbende nodig had voor zijn bewijslast met betrekking tot zijn afwaardering van materiële vaste activa. Anders: Tariefcommissie 10 maart 1959, nr. 8520 O, BNB 1959/251. Vergelijk: NAV, Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 7, blz. 24, waar uitdrukkelijk aan de orde is gekomen dat inzage in bezwaar of de verplichte toezending van op de zaak betrekking hebbende stukken kan niet worden geweigerd op grond van art. 67 AWR.
Vergelijk: HvJ EU 16 oktober 2019 (Glencore/Hongarije), ECLI:EU:C:2019:861, NTFR 2019/2802 waarin met betrekking tot het Unierecht een vergelijkbare lijn wordt getrokken. Zie ook: art. 7:4, zesde lid, Awb voor de bezwaarfase. Met betrekking tot inzage bij de aankondiging van een boete bestaat geen beperking vanwege gewichtig redenen (vergelijk: Feteris 2007, blz. 291 inzake art. 67m AWR (oud), P. Fortuin, Geheimhouding van stukken voor de belastingrechter, NTFR-B 2012/16 en Rechtbank Zeeland-West-Brabant (voorlopige voorziening) 19 oktober 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:6902, V-N 2017/4.5).
Deze doelstellingen worden in Hoofdstuk 6 geherformuleerd.
Ingeval het bijvoorbeeld gaat om een boete moet de grootst mogelijke terughoudendheid worden betracht (Rechtbank Breda 5 april 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BA4931, V-N 2007/46.10). In een procedure over de informatiebeschikking kan meer gewicht worden toegekend aan het controle-strategische belang van de inspecteur (Hof ’s-Hertogenbosch (geheimhoudingskamer) 27 juli 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3632, V-N 2017/50.7). Het Hof benadrukte in r.o. 3.63 dat in een vervolgprocedure over de belastingaanslag een andere afweging kan worden gemaakt. Anders: Hof Den Haag 10 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:462. Dit hof oordeelde juist dat een informatiebeschikking diende te worden vernietigd omdat de inspecteur de kaarten te lang tegen de borst had gehouden. In cassatie bleef de uitspraak niet in stand (HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1045).
Hof Amsterdam (geheimhoudingskamer) 2 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1270, r.o. 3.6. Vergelijk: Handboek Controle (2020), blz. 28. Anders: door de bekendheid van belanghebbende met de niet-geanonimiseerde stukken zou geen sprake meer zijn van gewichtige redenen (Rechtbank Noord-Holland (geheimhoudingskamer) 12 december 2019, HAA19/2567, FutD 2019-3378).
HR 16 januari 1974, ECLI:NL:HR:1974:AX4567, BNB 1975/26 met noot J.P. Scheltens.
Het betrof geschil over de waardering van een krachtens erfrecht verkregen vordering op een vennootschap waarbij de inspecteur de afwaardering van deze vordering niet accepteerde. Hierbij had hij gebruik gemaakt van hem bekende gegevens over het vermogen en resultaat van die vennootschap.
Dat de fiscale geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR er niet aan in de weg staat dat fiscaal relevante gegevens van anderen wordt gebruikt ten behoeve van de uitvoering van de belastingwet van belasting-, administratie- en inhoudingsplichtigen en derden heeft de consequentie dat dergelijke gegevens zijn aan te merken als een op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van art. 8:42 Awb.1 Toezending aan de belastingrechter van een dergelijk stuk kan veelal worden aangemerkt als noodzakelijk voor uitvoering van de belastingwet. Uit jurisprudentie blijkt dat inspecteurs in sommige gevallen zich ten onrechte beroepen op de geheimhoudingsbepaling van art. 67 AWR.2 Wel kan op grond van art. 8:29 Awb een beroep op geheimhouding of beperkte kennisneming worden gedaan.3Art. 67 AWR geeft echter wel invulling aan de gewichtige redenen van art. 8:29 Awb en speelt daarmee indirect wel een doorslaggevende rol; de inspecteur heeft – gezien zijn strikte, fiscale geheimhoudingsverplichting – geen keuzevrijheid, maar een verplichting om in voorkomende gevallen een beroep te doen op art. 8:29 Awb.4 Aan art. 8:29 Awb liggen (grotendeels) dezelfde doelstellingen ten grondslag als aan art. 67 AWR.5 Het fundamentele verschil is echter dat de bestuursrechter een beroep op geheimhouding inhoudelijk kan toetsen waarbij de afweging telkens anders kan uitvallen.6 Verkrijgt de inspecteur via een derdenonderzoek bijvoorbeeld een relevante lijst met afnemers van een bepaald product, dan is die lijst in een procedure aan te merken als een op de zaak betrekking hebbend stuk. Met het niet weglakken van de namen van de overige niet-relevante afnemers zou de inspecteur de fiscale geheimhoudingsplicht jegens deze niet-relevante afnemers schenden.7 Een arrest dat niet onvermeld kan blijven is BNB 1975/26.8 In die procedure was het de belastingplichtige die (tevergeefs) stelde dat de inspecteur zijn geheimhouding had geschonden door hem bekende gegevens in zijn nadeel te gebruiken.9