Afspraken en Aanspraken
Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/11.2.2:11.2.2 Civiele recht
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/11.2.2
11.2.2 Civiele recht
Documentgegevens:
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685400:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het civiele recht is niet geschreven ter normering van (eenzijdig) overheidsoptreden, maar voor wederkerige rechtsbetrekkingen. Het privaatrecht gaat uit van gelijkwaardige, vrij in het maatschappelijk verkeer opererende partijen, waarbij in principe eenieder zijn eigen verantwoordelijkheid en eventueel nadeel draagt. Voor een overheid die optreedt in het privaatrechtelijke rechtsverkeer gelden vervolgens bijzondere normen zoals – op grond van artikel 3:14 BW – de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Waar in het bestuursrecht geen bevoegdheden mogen worden uitgeoefend tenzij daarvoor een wettelijke grondslag bestaat, geldt binnen het civiele recht bijvoorbeeld vrijheid om te contracteren tenzij de wet dit verbiedt. De klassieke kenmerken van het privaatrecht keren – weliswaar met een bijzondere invulling die de rechter toepast bij de beoordeling van overheidshandelen – ook terug bij het instellen van civielrechtelijke vorderingen gericht op overheidsaansprakelijkheid. Waar in het bestuursrecht het besluit de centrale handeling is, is dat in het civiele recht de rechtshandeling. Het civiele recht kent een scherp onderscheid tussen enerzijds rechtshandelingen en anderzijds feitelijke handelingen. Bevoegdhedenovereenkomsten en toezeggingen zijn rechtshandelingen en het verstrekken van inlichtingen behelst een feitelijke handeling. 1 Dit leidt tot een radicaal verschillende manier van vertrouwensbescherming.
De eerste vraag moet voor rechtshandelingen in de vorm van bevoegdhedenovereenkomsten en toezeggingen voor het civiele recht worden beantwoord met de kaders van de totstandkoming van een rechtshandeling in titel 3.2 BW, de nakomingsverplichting die volgt uit een geldige rechtshandeling in artikel 3:296 BW en eventuele aansprakelijkheid op grond van wanprestatie op grond van artikel 6:74 BW of de onrechtmatige daad van artikel 6:162 BW indien sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de uit de rechtshandeling voortvloeiende verplichtingen. De civiele rechter moet toetsen of een geldige rechtshandeling tot stand is gekomen, vervolgens de inhoud daarvan vaststellen, beoordelen of de uit de rechtshandeling voortvloeiende verplichtingen zijn nagekomen en zo nee, welke rechtsgevolgen uit die schending moeten volgen.
Voor onrechtmatig feitelijk handelen in de vorm van informatieverstrekking dat rechtsgevolgen heeft, moet de vordering worden gekanaliseerd in een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen in de vorm van het schenden van een op de overheid rustende zorgvuldigheidsnorm op grond van artikel 6:162 BW. Het gaat dan om een schending van een zogenoemde waarheidsplicht.2