Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/5.3.5
5.3.5 Verbintenisrechtelijke gevolgen: verweermiddelen, verrekening en bevrijdende betaling
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS623505:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Sagaert 2003, p. 13 en p. 159, die een onderscheid maakt tussen de principale rechtsverhouding, waarmee de rechtsverhouding tussen de begunstigde van zaaksvervanging en diens debiteur wordt aangeduid, en de accessoire rechtsverhouding, zijnde de rechtsverhouding waaruit de vordering voortvloeit die als surrogaat dient.
Vgl. Asser/Hartkamp/Sieburgh 6-II*, nr. 267, waar ten aanzien van art. 6:145 BW wordt opgemerkt, dat ook dit artikel niet meebrengt dat de schuldenaar in geen enkel opzicht slechter mag worden van de overgang van een vordering. Zie ook Sagaert 2003, p. 703, die wijst op de rechtsonzekerheid die van een ander uitgangspunt uit kan Baan en de gevolgen hiervan voor de kredietverlening.
Zie Asser/Hartkamp/Sieburgh nr. 264. Zie voor Belgisch recht Sagaert 2003, p. 736-745.
Zie Asser/Van Mierlo/Mijnssen/Van Velten 3-III 2003, nr. 25; Mijnssen 1993, p. 343. Zie ook Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 507: 'Het wettelijke pandrecht kan niet worden tegengeworpen aan de verzekeringstussenpersoon die op grond van een zogenaamd delcredere-beding een recht op afdracht van verzekeringspenningen heeft in verband met ter zake van dezelfde verzekering door de verzekeringsnemer niet aan hem voldane premie en kosten (art. 7:936 lid 5 jo. lid 2).'
Zie Asser/Hartkamp/Sieburgh 6-I*, nr. 224; Faber 2005, p. 18; Sagaert 2003, p. 589.
Zie Faber 2005, p. 17.
Zie ook Faber 2005, p. 28.
Zie Faber 2005, p. 43-45. Inmiddels evenzo: Asser/Hartkamp/Sieburgh 6-II*, nr. 226.
Een analoge toepassing van art. 6:130 BW kan ook worden overwogen, nu dit artikel is geschreven ter bescherming van de schuldenaar. Zie Faber 2005, nr. 265 en in het algemeen Asser/Hartkamp/Sieburgh 6-II*, nr. 235.
Zie Asser/Hartkamp/Sieburgh 6-II*, nr. 220.
Zie Faber 2005, p. 22.
Zie ook par. 5.3.4.
Zie ook Sagaert 2003, p. 621 e.v. en p. 724 e.v.
Zie over gezamenlijke inningsbevoegdheid bij gemeenschap en een afwijkend beding in de overeenkomst HR 18 maart 1994, NJ 1995, 410, waarover ook Berger 1994, p. 816.
Zie Asser/Hartkamp/Sieburgh 6-I*, nr. 227.
Dit kan anders zijn voor vervangende pandrechten bij hypotheek, zie hiervoor par. 2.3.
Indien wordt aangenomen dat het vervangende beslag van rechtswege tot stand komt, geldt dat dit pas tegen de derdebeslagene kan worden ingeroepen na betekening.
Zie Asser/Hartkamp/Sieburgh 6-I*, nr. 213.
Zie Asser/Hartkamp/Sieburgh 6-I*, nr. 229: 'Ook aan een andere persoon dan de schuldeiser aan wie de betaling had moeten geschieden, komt dit verhaalsrecht toe.'
172.
Naast goederenrechtelijke gevolgen in de vorm van behoud van aanspraken door verkrijging van een vervangend recht, kan zaaksvervanging verbintenisrechtelijke gevolgen hebben, met name indien het surrogaat een vordering op naam is. De consequenties van zaaksvervanging voor de schuldenaar van de vervangende vordering staan in het navolgende centraal. Daarbij wordt gekeken naar in te roepen verweermiddelen, de mogelijkheden van verrekening en de mogelijkheden van bevrijdende betaling.
De rechtsverhouding waarin zaaksvervanging optreedt, moet worden onderscheiden van de rechtsverhouding waaruit het vervangende goed voortvloeit. De eerste rechtsverhouding is voor zaaksvervanging primair, de tweede secundair, maar de veranderingen als gevolg van zaaksvervanging in de primaire verhoudingen hebben in beginsel geen gevolgen voor de secundaire verhouding.1
Het uitgangspunt bij de behandeling van de hier centraal staande vragen is steeds dat zaaksvervanging niet de omvang, de kenmerken of het al dan niet ontstaan van de vordering die als surrogaat bij zaaksvervanging betrokken raakt, beïnvloedt. Zoals uit het vierde hoofdstuk is gebleken, kan zaaksvervanging worden vergeleken met een tweetrapsraket. Stap een bestaat uit het aanwijzen (en verkrijgen) van een vervangend goed, bijvoorbeeld een vordering. Het al dan niet ontstaan van de (vervangende) vordering is daarbij niet anders dan in het geval er geen zaaksvervanging op de verkrijging volgt. Dit wordt volledig bepaald door de verbintenisrechtelijke regels die hierop van toepassing zijn. De toewijzing van vervangende rechten treedt veelal direct aansluitend in de tweede stap op, ten aanzien van het surrogaat zoals dat in de eerste stap is ontstaan of daarvóór is verkregen. De omvang en de kenmerken van het surrogaat worden dus niet door zaaksvervanging beïnvloed en de begunstigde van zaaksvervanging dient het surrogaat te accepteren zoals het is. Daarbij is het voor de deelnemers aan het rechtsverkeer, en met name de schuldenaar van de vordering in de secundaire rechtsverhouding die in de primaire rechtsverhouding als surrogaat wordt aangemerkt, van belang dat deze zo min mogelijk hinder ondervindt van het optreden van zaaksvervanging.2
Beide uitgangspunten leiden tot de slotsom dat de derde alle verweermiddelen die hij aan de rechtsverhouding waaruit de vordering voortvloeit kan ontlenen, tegen de begunstigde van zaaksvervanging kan inroepen. Dit sluit aan bij art. 6:145 BW, dat verweermiddelen onverlet laat ingeval een ander dan de contractspartij de vordering verkrijgt.3 In het geval de vruchtgebruiker dus bij het sluiten van de koopovereenkomst overeen is gekomen dat de verkoper pas na een bepaalde datum hoeft na te komen, dan is de hoofdgerechtigde, ook bij een tussentijds einde van het vruchtgebruik, gebonden aan de overeengekomen termijn voor opeisbaarheid. Evenzo kan de derde jegens de hoofdgerechtigde een beroep doen op opschortingsmogelijkheden, indien de daar tegenoverstaande verplichting niet naar behoren is nagekomen. Alle verweermiddelen die de koper, schuldenaar van de koopsomvordering, in casu aan de koopovereenkomst ontleent, kan hij behalve tegen zijn wederpartij ook inroepen tegen de verkrijger van de vordering op grond van zaaksvervanging, de hoofdgerechtigde.
173.
De genoemde uitgangspunten hebben ook gevolgen voor een mogelijk beroep op verrekening door de schuldenaar van de vervangende vordering. Ook hierbij geldt dat de schuldenaar in de secundaire rechtsverhouding zo min mogelijk nadeel moet ondervinden van zaaksvervanging. De verzekeraar die schuldenaar is van een vordering tot vergoeding van schade op basis van de gesloten verzekeringsovereenkomst, kan vorderingen op de verzekerde tot betaling van achterstallige premie hiermee verrekenen op grond van art. 6:217 BW, ook indien op de vordering op grond van art. 3:229 BW een pandrecht is komen te rusten.4 In dit geval is, ondanks het vervangende pandrecht, voldaan aan alle vereisten voor verrekening. De bij de verrekening betrokken partijen, pandgever en verzekeraar, zijn over en weer elkaars schuldeiser en schuldenaar (wederkerigheid), de verzekeraar heeft een prestatie te vorderen die beantwoordt aan zijn schuld (gelijksoortigheid), de verzekeraar is bevoegd tot betaling van zijn schuld en de verzekeraar is bevoegd tot het afdwingen van de betaling van zijn premievordering. Daarbij vallen de premievordering en de verplichting tot betaling van het schadebedrag niet in van elkaar afgescheiden vermogens.5 Door een beroep op de verrekeningsbevoegdheid door de verzekeraar vermindert de omvang van het surrogaat voor het gemeenschappelijke beloop.6 De pandhouder kan hier mijns inziens niet tegen optreden.
Bij vruchtgebruik levert de mogelijkheid tot verrekening in de secundaire verhouding echter problemen op. De koper die zich als schuldenaar van de koopsom op verrekening wil beroepers ten opzichte van een bevoegd beschikkende vruchtgebruiker, ziet dit beroep in beginsel afstuiten op het ontbreken van wederkerigheid. De vruchtgebruiker was weliswaar de verkoper, maar door zaaksvervanging in de primaire rechtsverhouding wordt de hoofdgerechtigde de schuldeiser van de koopsomvordering. De koper kan zijn schuld dus in beginsel niet verrekenen met vorderingen op de vruchtgebruiker.7 Zolang de koper echter niet op de hoogte is van het gegeven dat zijn verkoper niet de eigenaar, maar de vruchtgebruiker van het verkochte goed was, kan de koper zich waarschijnlijk toch op verrekening beroepen. Hij is dan in beginsel niet bekend met het gegeven dat de verkoper niet als eigenaar beschikt en gerechtigd wordt tot de koopsomvordering, waardoor de wederkerigheid ter zake van de in de verrekening betrokken vordering en schuld ontbreekt. Een analoge toepassing van art. 6:34 BW lijkt hier mogelijk.8 Deze aangepaste verrekeningsbevoegdheid ontbreekt wanneer de koper op de hoogte is van het vruchtgebruik en daarmee van de afwijkende positie van de vruchtgebruiker. In dat geval kan hij zich onder omstandigheden echter beroepen op verrekening met een vordering op de hoofdgerechtigde.9 De positie van de schuldenaar van de vordering die als surrogaat optreedt, wordt in dit geval dus wel door zaaksvervanging beïnvloed, maar in aanvaardbare mate.
Indien de vruchtgebruiker bij het sluiten van de overeenkomst met de koper bewust het vruchtgebruik verzwijgt om op een later tijdstip onder de door de koper aangenomen mogelijkheid van verrekening uit te komen door bekendmaking van het vruchtgebruik, kan eventueel ook tot verrekening worden gekomen. Verrekening heeft namelijk behalve het vereenvoudigen van het betalingsverkeer ook een functie als waarborg dat een vordering wordt voldaan.10 Faber sluit niet uit dat verrekening mogelijk is en dat een wettelijk verrekeningsvereiste, in casu de wederkerigheid, in een concreet geval buiten toepassing moet blijven, indien de toepassing van het vereiste naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.11 Wanneer de vruchtgebruiker zoals in het geschetste geval misbruik probeert te maken van het ontbreken van wederkerigheid, lijkt mij een dergelijke uitzondering op haar plaats.
174.
De schuldenaar van de vervangende vordering weet veelal aanvankelijk niet van het optreden van zaaksvervanging. Van de verandering van schuldeiser of in de inningsbevoegdheid is hij dan niet op de hoogte.12 Aangenomen moet daarom worden dat de schuldenaar in dit stadium in ieder geval bevrijdend kan betalen aan zijn wederpartij, ongeacht het antwoord op de vraag of deze wederpartij ook inningsbevoegd of de schuldenaar blijkt te zijn in de primaire rechtsverhouding waarin zaaksvervanging heeft plaatsgevonden.
Voor zover zaaksvervanging tot gevolg heeft dat aan een ander dan de schuldeiser of inningsbevoegde derde wordt betaald, moet worden gekeken hoe desondanks een bevrijdende betaling kan worden geconstrueerd.13 Betaling aan de vruchtgebruiker, en eventueel aan de openbaar pandhouder, levert weinig problemen op. Zij zijn op grond van art. 3:120 en 3:246 lid 1 BW immers inningsbevoegd en voldoening aan hen levert de schuldenaar dus een bevrijdende betaling op. In beide gevallen komt dan in beginsel door zaaksvervanging een vervangend recht te rusten op het geïnde, zodat de belangen in de primaire rechtsverhouding in evenwicht blijven.
Indien een niet-schuldeiser niet inningsbevoegd is, kan de schuldenaar zich veelal beroepen op art. 6:34 BW, wanneer de ontvanger wel zijn wederpartij was en hij geen zaaksvervanging hoefde te vermoeden.14 De schuldenaar heeft in dat geval immers redelijke grond om aan te nemen dat de ontvanger tot de prestatie gerechtigd was en dat aan hem moest worden betaald.15 Wanner de schuldenaar van de vervangende vordering slaagt in zijn beroep op bescherming, gaat de vordering teniet.16 Dit betekent voor de daadwerkelijke rechthebbende van deze vordering dat hij op grond van art. 6:36 BW hetgeen onbevoegd door de inningsonbevoegde derde, zijnde de wederpartij in de secundaire rechtsverhouding, is ontvangen bij deze laatste terug kan vorderen. Dit is een persoonlijk recht, zonder verdere goederenrechtelijke bescherming.
Het probleem dat de schuldenaar betaalt aan een door zaaksvervanging inningsonbevoegde schuldeiser, doet zich bij zaaksvervanging niet snel voor. De pandgever is na mededeling vanwege art. 3:246 lid 1 BW inningsonbevoegd, maar hiervan is de schuldenaar op de hoogte. Totdat mededeling is gedaan, is de pandgever in beginsel inningsbevoegd.17 Bij vruchtgebruik is de vruchtgebruiker geen schuldeiser meer en de hoofdgerechtigde wel. De laatste is weliswaar inningsonbevoegd op grond van art. 3:210 BW, maar de schuldenaar zal, indien hij van deze stand van zaken niet op de hoogte is, veelal automatisch aan de inningsbevoegde vruchtgebruiker betalen, omdat dit zijn wederpartij was. Bij vervangend beslag op vergoedingsvordering krachtens art. 455a Rv loopt de schuldeiser ook weinig risico, nu dit pas tot stand komt na betekening aan hem.18
Mocht een dergelijk geval zich echter toch voordoen en betaalt de schuldenaar aan een inningsonbevoegde schuldeiser, dan staat de schuldenaar onder omstandigheden een beroep op art. 6:33 BW open. Aannemelijk is dan immers vaak dat het ontbreken van de inningsbevoegdheid het gevolg is van een door zaaksvervanging op de vordering rustend beslag of beperkt recht. Een beroep op deze beschermingsbepaling betekent echter dat de schuldenaar in beginsel wel een tweede maal moet betalen,19 nu het BW hem alleen de mogelijkheid biedt het ten onrechte betaalde terug te vorderen. Dit zal ook ingeval van zaaksvervanging zelden in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid zoals neergelegd in art. 6:2 BW, omdat de schuldeiser pas onbevoegd wordt nadat de schuldenaar door mededeling of betekening van het vervangende recht op de hoogte is gebracht. Als dit echter toch het geval is, dan acht ik het verdedigbaar dat het bij zaaksvervanging op de weg van de betrokkenen in de primaire rechtsverhouding ligt om de schuldenaar de afwijkende omstandigheden te melden en dat zij zich tot die tijd niet ten nadele van de schuldenaar op de door zaaksvervanging ontstane situatie kunnen beroepen. Een (analoge) toepassing van art. 6:36 BW dient dan te worden toegestaan om de onderlinge verhoudingen in de primaire rechtsverhouding te herstellen.20